Het akkoord
Einde inhoudsopgave
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.5.5:7.5.5 Slotbeschouwing
Het akkoord (O&R nr. 60) 2011/7.5.5
7.5.5 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
Mr. A.D.W. Soedira, datum 25-02-2011
- Datum
25-02-2011
- Auteur
Mr. A.D.W. Soedira
- JCDI
JCDI:ADS446094:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hetzelfde geldt voor de surseance.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De problematiek rondom het ontbindingsrecht van een schuldeiser heeft door de uitspraken inzake UPC/Movieco in de literatuur tot enige discussie geleid. Naar aanleiding van deze uitspraken is niet eerder zo nagedacht over de betekenis en consequenties van de posities die schuldeisers en schuldenaar met betrekking tot ingediende vorderingen innemen in een faillissement of surseance, wanneer die ingevolge de artt. 161 en 276 Fw worden beëindigd. De door voornoemde partijen in het faillissement of surseance ingenomen standpunten met betrekking tot de ingediende vorderingen, blijken ook nadien hun weerslag te hebben. Zo kan de vraag of een schuldeiser na afloop van het faillissement recht heeft op de executoriale titel van art. 159 Fw, alleen worden beantwoord aan de hand van de status die zijn vordering in het faillissement heeft. Ook voor de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van het akkoord is de status van de vordering in faillissement in beginsel van belang.1
Door de uitspraken inzake UPC/Movieco is het wettelijke systeem en de uitwerking daarvan met betrekking tot erkenning en betwisting van vorderingen in faillissement en surseance inzichtelijker geworden. De Hoge Raad geeft in zijn arrest onder meer aan dat in beginsel een betwisting van een vordering door de schuldenaar, in het faillissement of de surseance dient te gebeuren. Laat de schuldenaar dit na, dan komt dat in beginsel voor zijn risico. De niet-betwisting heeft tot gevolg dat de betreffende vordering in het faillissement of surseance wordt aangemerkt als een erkende, niet-betwiste vordering. De schuldeiser van een erkende, nietbetwiste vordering verkrijgt na afloop van het faillissement of surseance op grond van art. 159/274 Fw een executoriale titel.
Daarnaast is uit de voornoemde uitspraken gebleken dat ook bij de beoordeling van het verzoek tot ontbinding van het akkoord, uitgegaan wordt van de status die de vordering heeft ingenomen in het faillissement of surseance. Is de betreffende vordering in het faillissement of surseance aangemerkt als een erkende, niet-betwiste vordering, dan behoudt de vordering in beginsel deze status indien een schuldeiser van een erkende, niet-betwiste vordering, ontbinding van het akkoord verzoekt. De schuldenaar kan evenwel in de ontbindingsprocedure de erkende vordering van de verzoekende schuldeiser alsnog betwisten. Vereist hiervoor is echter wel dat door de schuldenaar aannemelijk wordt gemaakt dat er redenen zijn om aan het bestaan van de vordering te twijfelen.