Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.5.2
1.5.2 ‘Charged with a criminal offence’/‘Accusé’
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 21 februari 1984, appl.no. 8544/79 (Öztürk/Duitsland), § 55.
Bij andere rechten kan wél van belang zijn wanneer de charge is aangevangen. Zie bijvoorbeeld EHRM 27 juni 1968, appl.no. 1936/63 (Neumeister/Oostenrijk), § 18, over de aanvang van de ‘redelijke termijn’.
Het EHRM zelf spreekt meestal van ‘criteria’: EHRM 21 februari 1984, appl.no. 8544/79 (Öztürk/Duitsland), § 52 en 54. Die term komt mij minder juist voor, aangezien het hier niet gaat om vaste regels waaraan moet worden voldaan. De term ‘factoren’ wordt door het EHRM overigens ook gebruikt: EHRM 8 juni 1976, appl.nos. 5100/71 e.a. (Engel e.a./ Nederland), § 82.
EHRM 8 juni 1976, appl.nos. 5100/71 e.a. (Engel e.a./Nederland), § 82.
In EHRM 21 februari 1984, appl.no. 8544/79 (Öztürk/Duitsland), § 48 overwoog het EHRM dat het de verdragsstaten weliswaar vrijstaat om bepaalde overtredingen te decriminaliseren, maar dat dit niet beslissend is voor de toepasselijkheid van artikel 6 EVRM. Zou dit anders zijn, dan zouden de verdragsstaten onder de verplichtingen van artikel 6 EVRM uit kunnen komen door strafbare feiten als administratieve gedragingen aan te merken.
EHRM 8 juni 1976, appl.nos. 5100/71 e.a. (Engel e.a./Nederland), § 82.
Artikel 6 lid 3 sub d evrm is slechts van toepassing in geval van een criminal charge. In het arrest Öztürk legde het ehrm uit dat een charge in het algemeen moet worden opgevat als ‘the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence’.1 Wanneer in Straatsburg over het ondervragingsrecht wordt geklaagd, heeft doorgaans een rechter vastgesteld dat een persoon een verboden gedraging heeft begaan. Het moment waarop een dagvaarding of een boetebeschikking is uitgebracht is dan al ruimschoots verstreken. Voor het ondervragingsrecht is daarom niet relevant wanneer de charge is aangevangen.2 Voor het ondervragingsrecht is wel relevant of een charge strafrechtelijk van aard is. Het ehrm heeft ervoor gekozen om geen vastomlijnd criterium te geven ter bepaling van het strafrechtelijke gehalte van de beschuldiging, maar in plaats daarvan drie factoren te hanteren.3 Per geval wordt op grond van deze factoren beoordeeld of sprake is geweest van een criminal charge. De volgende factoren zijn van belang:
de classificatie van de overtreding in het nationale recht van de verdragsstaat;
de aard van de overtreding;
de aard en ernst van de sanctie die de desbetreffende persoon riskeerde.4
Als eerste wordt altijd de eerste factor beoordeeld. Behoort de overtreding tot het nationale strafrecht, dan is sprake geweest van een criminal charge. Het ehrm onderzoekt in dat geval niet of de gedraging volgens de tweede en derde factor óók onder het strafrecht zou vallen. In het arrest Engel legde het ehrm fraai uit dat ‘the "autonomy" of the concept of "criminal" operates, as it were, one way only’.5 Hier werd gedoeld op de autonomie van de verdragsstaten om gedragingen te classificeren. Andersom kan een gedraging die naar nationaal recht onder bijvoorbeeld het bestuursrecht of het tuchtrecht valt, voor de toepassing van artikel 6evrm als strafbaar feit worden aangemerkt.6 In dat geval vormt de eerste factor niet meer dan een startpunt voor de beoordeling.7 Behoort de gedraging naar nationaal recht niet tot het strafrecht, dan zal het ehrm onderzoeken of deze volgens de autonome interpretatie van het ehrm als strafrechtelijk moet worden aangemerkt. Het zal dit doen door de tweede en derde factor toe te passen.
Omdat dit onderzoek beperkt is tot zaken die naar Nederlands recht tot het strafrecht behoren, zal ik niet nader ingaan op de betekenis van de tweede en derde factor.