Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.2.4
2.2.4 Geprivilegieerde hypotheken
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS383433:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie C. 4,46,1: ‘Het sterkst is immers de positie van de gerechtigde tot de belastingafdrachten, waarvoor in de eerste plaats alle goederen van degene die ophield te betalen verbonden zijn.’ Aangezien dezelfde keizer in C. 8,15,1 weliswaar een legale hypotheek ten behoeve van de fiscus aanneemt, maar daaraan geen privilege verbindt, wordt betwijfeld of het eerstgenoemde rescript in algemene zin heeft te gelden of dat dit ziet op de situatie dat de fiscus in de concrete rechtsverhouding een eerder gevestigd – en om die reden een sterker – recht heeft. Zie voor deze discussie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 436-437 en Wagner 1974, p. 103-106. Het (nog veel meer bestreden) antwoord op de vraag of de fiscus ook op grond van contractuele vorderingen een geprivilegieerde hypotheek verkreeg, blijft hier buiten beschouwing. De lezer zij hiervoor verwezen naar Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 437-442 en Wagner 1974, p. 158 e.v.
Het geven van een bruidsschat, waarmee de vrouw een bijdrage leverde in de kosten die het huwelijk met zich meebrengt, was zeer gebruikelijk. Zie D. 23,3,56 (Paulus).
Keizer Justinianus voelde zich genoopt om de vrouw die in deze kwetsbare positie verkeerde, hulp te bieden. Zie C. 8,17(18),12,4. Zie uitgebreid over deze geprivilegieerde hypotheek Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 443-452.
Deze indeling in drie groepen is afkomstig van de Pandektisten. Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 427-452 en Windscheid/Kipp I (1906), p. 1239-1242. Kaser schaart ook de legale hypotheek van een pupil op de door zijn voogd met zijn geld gekochte zaken onder de geprivilegieerde hypotheken. Zie Kaser I (1971), p. 466.
Pandektisten spreken in dit kader van een pandrecht wegens versio in rem. Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 427.
Dit voorbeeld volgt uit D. 20,4,5 (Ulpianus). Zie voorts D. 20,4,6 en 20,4,7 (Ulpianus).
Naar de heersende mening volgt dit uit C. 4,46,1, zie Windscheid/Kipp I (1906), p. 1240.
Het antwoord op deze vraag is niet onomstreden. Zie voor de discussie hierover Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 453 en 454.
Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 456 met rekenvoorbeeld.
In het Romeinse systeem van goederenrechtelijke zekerheidsrechten waarin zowel conventionele als legale hypotheken bestonden die bijzonder alsook generaal konden zijn, was het bij afwezigheid van een stelsel van registratie en publicatie al uiterst problematisch om de rangorde naar de volgorde van vestiging vast te stellen. Tot overmaat van ramp werd ook nog aan enige hypotheken voorrang gegeven boven oudere zekerheidsrechten. Bepaalde schuldeisers verkregen aldus een geprivilegieerd zekerheidsrecht, dat onafhankelijk van het tijdstip van vestiging de hoogste rang innam.
Zo’n geprivilegieerde hypotheek kwam onder meer toe aan de Romeinse fiscus wegens belastingen.1 Zoals hierboven reeds aan de orde kwam, verkreeg de fiscus van rechtswege een hypotheek op het gehele vermogen van een belastingplichtige. Doordat aan deze hypotheek ook nog voorrang werd verleend boven oudere conventionele hypotheken, werd het recht van de fiscus nog verder versterkt.
De positie van de vrouw na ontbinding van het huwelijk werd eveneens versterkt. De bruidsschat (dos) die de vrouw bij het aangaan van het huwelijk aan de man had verschaft,2 moest na ontbinding van het huwelijk weer worden gerestitueerd. Om te voorkomen dat schuldeisers van de man zich na het huwelijk konden verhalen op het vermogen dat afkomstig was van de bruidsschat van de vrouw, verkreeg de vrouw van rechtswege een geprivilegieerde hypotheek op het vermogen van haar echtgenoot.3 Met deze hypotheek had de vrouw voorrang boven de andere schuldeisers van de man, zelfs al hadden zij een ouder goederenrechtelijk zekerheidsrecht, waardoordie schuldeisers niet ten koste van de bruidsschat van de vrouw konden worden voldaan.
Tot de derde4 categorie geprivilegieerde hypotheken behoort een schuldeiser die geld heeft uitgeleend of kosten heeft gemaakt voor de aanschaf, het behoud of herstel van het onderpand.5 De gedachte is dat een schuldeiser met een eerder gevestigd pandrecht zijn positie niet door middel van vreemd geld kan versterken. Zo zal een schuldeiser die een lening heeft verstrekt om een schip te herstellen een sterker pandrecht hebben dan de schuldeiser ten behoeve van wie reeds eerder het schip als pand was verbonden.6
Duidelijk is geworden dat conflicten waarin een geprivilegieerde hypotheek is betrokken niet worden opgelost aan de hand van de regel prior tempore potior iure. De laatste vraag die rijst, is of het prioriteitsprincipe de verhouding tussen geprivilegieerde zekerheidsrechten onderling beheerst. Ook deze vraag dient ontkennend beantwoord te worden omdat die rangorde wordt bepaald door de wet. Zo neemt de fiscus de hoogste rang in.7 Voorts volgt uit Novelle 97,3 dat het recht van hypotheek van de vrouw na ontbinding van het huwelijk sterker is dan concurrerende geprivilegieerde hypotheekrechten van privaatrechtelijke aard.8 De hypotheek van de vrouw is dus na die van de fiscus het sterkst, gevolgd door zekerheidsrechten wegens versio in rem.
Tot slot is nog de situatie denkbaar waarin meerdere schuldeisers met een zekerheidsrecht wegens versio in rem met elkaar collideren. In dat geval gaat het jongere juist voor het oudere.9 De schuldeiser die ter zake van het herstel of de instandhouding van het onderpand geld heeft geschoten, verkrijgt ook ten aanzien van oudere schuldeisers met eenzelfde zekerheidsrecht een geprivilegieerde positie. Deze uitleg is in lijn met de gedachte die aan de geprivilegieerde positie van een dergelijk pandrecht ten grondslag ligt. Ook voor een schuldeiser met een pandrecht wegens versio in rem geldt immers dat diens positie niet door middel van vreemd geld kan worden versterkt.