Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/7.3.2.2
7.3.2.2 De procedure ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als criminal charge?
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270102:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Integendeel, zie HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1716.
De Zanger 2018, p. 52.
De Zanger 2018, p. 418.
HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, NJ 1996/411, r.o. 6.1. Zie ook: Kamerstukken II 1989/1990, 21 504, 3, p. 38 en 60-61 en 63.
EHRM 5 juli 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0705JUD004108798 (Phillips/Verenigd Koninkrijk). Zie anders: Borgers 2001, p.154 e.v.
Conclusie Aben van 16 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:861, onderdeel 19.
EHRM 1 maart 2007, ECLI:NL:XX:2007:BA1112, NJ 2007, 349 (Geerings/Nederland), r.o. 47.
Tekst en Commentaar Kluwer Navigator, art. 29 WvSv, A.L. Melai en M.S. Groenhuijsen, e.a., aant. 18.4.
Conclusie Aben van 16 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:861, onderdeel 20.
HR 10 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY6714.
HR 29 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1523, r.o. 2.4.1.
De ontnemingsmaatregel, gericht op herstel
Vooropgesteld moet op de eerste plaats nogmaals worden dat de ontnemingsmaatregel ‘officieel’ niet geldt voor fiscale fraude. Wel kan de maatregel via de band van het commune strafrecht in beeld komen in geval van fiscale fraude. De strekking van de bepaling in art. 74 AWR wordt (nog) niet expliciet beschermd door een duidelijk arrest van de Hoge Raad.1
De nationale kant van het verhaal
De ontnemingsmaatregel is opgenomen in het Wetboek van Strafrecht en de ontnemingsprocedure wordt gereguleerd door de regels uit het Wetboek van Strafvordering. De ontnemingsmaatregel lijkt dus een strafkarakter niet te ontberen. Tegelijkertijd is de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel– naar nationale strafrechtelijke context – een maatregel en daarmee (juist) geen straf. De Zanger schrijft hierover in zijn proefschrift:
“De ontnemingsmaatregel heeft van de wetgever een tweeledig doel meegekregen. Die maatregel dient om betrokkenen te ontnemen wat hen rechtens niet toekomt en om te voorkomen dat mensen misdaden plegen. Het rechtsherstel is in de literatuur aangemerkt als de enige legitieme grondslag van de ontnemingsmaatregel. Met de toepassing van die maatregel kan de financiële situatie worden gecreëerd zoals die zou bestaan als de betreffende strafbare feiten niet waren gepleegd. Dit rechtsherstellende doel is zichtbaar op verschillende plaatsen van de wettelijke regeling van de ontnemingsmaatregel. Die regeling laat echter ook nog veel open, zodat het in grote mate aan de rechtspraktijk is om gestalte te geven aan het belang van rechtsherstel. De rechtspraak van de Hoge Raad laat zien dat het rechtsherstellende doel inderdaad een normerende invloed heeft uitgeoefend op de toepassing van de ontnemingsmaatregel. De Hoge Raad heeft uit het belang van rechtsherstel afgeleid dat enkel het daadwerkelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen. Het gaat aldus om rechtsherstel vanuit het perspectief van de betrokkene.”2
In dit citaat beschrijft hij kort gezegd het rechtsherstellende karakter, dat de ontnemingsmaatregel het predicaat van maatregel geeft. De Zanger meent echter ook dat de harde uitwerking van de ontnemingsmaatregel de resocialisatie van de veroordeelde crimineel bemoeilijkt. Volgens hem komen mensen door de maatregel vaak in slechte en uitzichtloze situaties terecht, terwijl de maatregel niet is bedoeld om mensen te bestraffen. Er wordt dan meer ontnomen dan enkel het misdaadgeld.3
De separate ontnemingsprocedure en de toepassing van art. 6 EVRM
De vraag is: staat het feit dat slechts herstel van de onrechtmatige toestand wordt beoogd – vanwege het effect wat de maatregel kan hebben – in de weg aan het aanmerken van de oplegging van de ontnemingsmaatregel als (nieuwe) criminal charge? De regering van 1989 en de Hoge Raad – in een arrest van 5 december 1995 – meenden beide dat art. 6 lid 1 (fairtrial) en 2 (onschuldvermoeden) EVRM van toepassing zijn op de ontnemingsmaatregel, vanwege het karakter van de procedure. De Hoge Raad noemt twee argumenten: (i) de ontnemingsprocedure hangt samen met – sterker nog: is het sequeel van – de strafprocedure en (ii) bij het niet naleven van de ontnemingsmaatregel is lijfsdwang mogelijk:
“De procedure naar aanleiding van een vordering als bedoeld in art. 36e eerste en/of derde lid Sr, moet blijkens het bepaalde in art. 311, eerste lid, voorlaatste volzin, Sv worden opgevat als een afzonderlijk onderdeel dan wel voortzetting van dezelfde vervolging die kan leiden tot veroordeling tot straf. Bovendien heeft — indien de verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de Staat is opgelegd aan een natuurlijk persoon — de rechter ingevolge art. 24d Sr te bevelen dat, bij gebreke van volledige betaling of verhaal van het verschuldigde bedrag, vervangende hechtenis van ten hoogste zes jaren zal worden toegepast. Het middel gaat er derhalve terecht van uit dat op de evenbedoelde procedure het eerste en ook het tweede lid van art. 6 EVRM alsmede van art. 14 IVBP van toepassing zijn.”4
Het EHRM heeft in de zaak-Phillips/Verenigd Koninkrijk van 5 juli 2001 echter uitgemaakt dat het ontnemen van crimineel vermogen wel een penalty (als bedoeld in art. 7 EVRM) inhoudt, maar dat de procedure tot oplegging van de maartregel niet met een criminal charge in de zin van art. 6 lid 2 EVRM kan worden gelijkgesteld, juist omdat de ontnemingsprocedure voortborduurt op een strafrechtelijke veroordeling. Het doel van de procedure is niet om de betrokkene voor nog een ander feit te veroordelen. Het is de taak van de rechter om de betalingsverplichting vast te stellen. Deze taak kan gelijkgesteld worden met de vaststelling van bijvoorbeeld de hoogte van een boete. De ontnemingsprocedure betreft dan ook de straftoemeting, terwijl de onschuldpresumptie alleen verband houdt met de feiten zoals die ten laste zijn gelegd. In het geval dat de verdachte schuldig wordt bevonden aan die feiten, dan is art. 6 lid 2 EVRM in beginsel niet meer van toepassing.5
De procedure tot oplegging van de ontnemingsmaatregel leek op grond van dit arrest dus niet langer als criminal charge te kunnen worden aangemerkt, omdat de procedure voortborduurt op een strafrechtelijke veroordeling. Hierdoor zou art. 6 lid 2 EVRM (de onschuldpresumptie) toepassing missen in ontnemingsprocedures. Tegelijkertijd vond het EHRM in dit arrest dat iemands recht om in een strafzaak voor onschuldig te worden gehouden en het vereiste dat de vervolgende partij de bewijslast draagt van de beschuldigingen, van toepassing moesten zijn op de ontnemingsprocedure. Het is een onderdeel van het algemene beginsel van een ‘fair hearing’ van art. 6 lid 1 EVRM, dus ook de procedure die (slechts) tot sanctieoplegging leidt, wordt door de waarborg van een fair trial beheerst, aldus het EHRM.6
De aanvliegroute van de Hoge Raad, in zijn arrest van 5 december 1995, is anders dan die van het EHRM in de zaak Philips/Verenigd Koninkrijk van 5 juli 2001. Beide gerechtelijke colleges menen de facto dat art. 6 lid 1 (en 2) EVRM toepassing vinden. De Hoge Raad omdat de ontnemingsprocedure een sequeel is van een strafrechtelijke vervolging die kan leiden tot een veroordeling of straf, en het EHRM omdat in die strafrechtelijke procedure waarmee de ontneming samenhangt, al tot een veroordeling is besloten, terwijl het doel van de ontnemingsprocedure niet is de betrokkene te veroordelen. Op die ontnemingsprocedure is het beginsel van fair hearing uit lid 1 van art. 6 EVRM wel van toepassing, waarvan het onschuldvermoeden uit lid 2 onderdeel is. En zo is de uitkomst dus gelijk: art. 6 EVRM is volgens het EHRM deels, en volgens de Hoge Raad integraal van toepassing op ontnemingsprocedures.
Een nieuwe criminal charge in bepaalde situaties?
De volgende moeilijkheid, is dat bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel voordeel in aanmerking kan worden genomen dat afkomstig is van strafbare feiten die niet in de tenlastelegging zijn vermeld. De ontneming van voordeel strekt namelijk slechts tot de reparatie van een onrechtmatige toestand, een ongerechtvaardigde verrijking, en niet tot bestraffing.7 Deze complexiteit kwam aan de orde in de zaak Geerlings/Nederland (zie de volgende alinea). De vraag rijst op dit punt of sprake is van een ‘nieuwe’ criminal charge. Moet de beschuldiging van andere dan de bewezen verklaarde delicten in de ontnemingsprocedure op haar gegrondheid worden onderzocht?
Uit het arrest Geerlings/Nederland van het EHRM van 1 maart 2007, bleek dat voordeelsontneming met betrekking tot feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken wel in strijd komt met de in art. 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie. Geerings was in zijn strafzaak weliswaar veroordeeld voor bepaalde feiten, maar hij werd ook vrijgesproken van enkele ten laste gelegde feiten. Desondanks werden die laatste feiten (ook) betrokken in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad liet deze ontnemingsbeslissing in stand. Geerings klaagde bij het EHRM dat hiermee de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in artikel 6 lid 2 EVRM, was geschonden.
Het bijzondere aan dit arrest was dat de ontnemingsmaatregel niet was gebaseerd op een vermogensvergelijking, maar op een berekening van het voordeel per transactie, waardoor kwam vast te staan per concreet feit waarvan was vrijgesproken hoeveel het Geerings zouden hebben opgeleverd. In het geval van Geerings werd door die abstracte berekening in de ‘straftoemetingsprocedure’ in feite alsnog beslist dat de verdachte die feiten wel degelijk had begaan en was er uitgegaan van een ‘presumption of guilt’. Dat kon volgens het EHRM niet de bedoeling zijn:
If it is not found beyond a reasonable doubt that the person affected has actually committed the crime, and if it cannot be established as fact that any advantage, illegal or otherwise, was actually obtained, such a measure can only be based on a presumption of guilt”.8
Melai en Groenhuijsen schrijven:
“Was de voordeelsberekening gebaseerd geweest op een vermogensvergelijking, dan hadden de vrijspraken veel minder of geen invloed gehad, omdat voor het verschil tussen het concrete (aanwezige) aanvangsvermogen en het concrete (aanwezige) eindvermogen de verdachte een aannemelijke verklaring van legale herkomst moet geven. Kan hij dat niet, omdat er opbrengst uit strafbare feiten tussen zit, dan houdt een ontnemingsmaatregel ter hoogte van het onverklaarde verschil geen vaststelling van schuld aan concrete feiten in.”9
Hoe dit ook zij, in deze zaak werd in de ontnemingsprocedure dus een nieuwe criminal charge gezien. Het gevolg is door Aben mooi verwoord in een conclusie:
“De procedure waarop deze criminal charge betrekking heeft, en dus ook het onderzoek naar de feitelijke grondslag van die charge, worden in dat geval genormeerd door de bewijsmaatstaf en de bewijslasttoedeling die in de onschuldpresumptie liggen besloten. Het vaststellen van andere delicten dan de bewezen verklaarde delicten met het oog op de ontneming van voordeel dat daardoor is verkregen, vergt dus dat die delicten buiten redelijke twijfel zijn begaan en dat de betrokkene niet hoeft aan te tonen dat hij aan die andere delicten onschuldig is.”10
Op 10 april 2007 heeft de Hoge Raad overigens beslist dat een feit waarvan de verdachte is vrijgesproken niet meer ten grondslag kan worden gelegd aan een ontnemingsmaatregel.11
Analyse van de huidige kwalificatie van de ontnemingsprocedure als criminal charge
De ontnemingsmaatregel is gericht op herstel, en is daarom een maatregel en geen straf. De rechtspraak van de Hoge Raad en het EHRM lopen – voor wat betreft de analyse – niet helemaal in de pas, maar de conclusie is voor beide instanties dat de ontnemingsprocedure een criminal charge behelst, waardoor de rechten van art. 6 EVRM toepassing vinden. Voor lid 1 van art. 6 EVRM, geldt deze aanname nog sterker dan voor lid 2 EVRM (gezien de uitspraak in de zaak Philips/Verenigd Koninkrijk), maar op 29 maart 2020 heeft de Hoge Raad aangegeven dat op beide rechten een beroep kan worden gedaan:12
“Op de ontnemingsprocedure is artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) van toepassing. Dat betekent onder meer dat ook in de ontnemingsprocedure het – mede in artikel 6 lid 2 EVRM gewaarborgde – recht van een persoon om voor onschuldig te worden gehouden, totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan, dient te worden gerespecteerd. (Vgl. HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0312, rov. 6.1, en EHRM 5 juli 2001, nr. 41087/98 (Phillips tegen het Verenigd Koninkrijk), § 39 en 40.)”13
Gezien de recente bevestiging door ons hoogste gerechtelijke college en het inhoudelijke argument, inhoudend dat de ontnemingsmaatregel voortvloeit uit een daaraan voorafgegane strafrechtelijke procedure, hoeft aan de kwalificatie van het opleggen van de ontnemingsmaatregel als criminal charge, ondanks het niet-punitieve doel, niet te worden getwijfeld.