Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/1.5
1.5 Probleemstelling
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS444749:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Stevens & Lejour, 2016, p. 56, zie ook Boer, 2017, p. 30.
Gribnau, 2010, p. 1-6, en Gribnau & Lubbers, 2010, paragraaf 2 in het bijzonder.
Deze vraag is nadrukkelijk aan de orde geweest in Hoge Raad 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9393, BNB 2008/178. De inhoudelijke bespreking van dit arrest komt aan bod in paragraaf 4.2.2.
Een voorstel tot een latere omzetting zou de uitkomst kunnen zijn van de derde levensfase van een wet: de evaluatiefase. Zie in dat verband Gribnau & Lubbers, 2010, paragraaf 2.3 in het bijzonder.
Bij een onderzoek naar de heffingsmethoden is het vooral bij rijksbelastingen van belang om rekening te houden met het feit dat zowel de keuze voor een heffingsmethode (zowel bij invoering als een latere omzetting) als de vormgeving daarvan de resultante is van een beleidspolitiek afwegingsproces. Naast uitvoerings- en fiscaalwetenschappelijke analyses spelen daarbij onder andere ook maatschappelijke opvattingen (over de verhouding tussen belastingplichtige en Belastingdienst), technologische, financiële en personele overwegingen en (uitruil van) politieke belangen en voorkeuren een rol.1 Dit proces laat zich niet voorschrijven vanuit een wetenschappelijk perspectief. Wel is het mogelijk om een onderzoek te doen naar de factoren die in acht moeten worden genomen bij keuzes tussen heffingsmethoden en bij de vormgeving van die heffingsmethoden. Dit komt neer op het ontwikkelen van een theoretisch afwegingskader. Een dergelijk kader draagt er aan bij dat toekomstige keuzes en aanpassingen op een meer systematische manier tot stand komen. Daarnaast vergroot dit het inzicht in de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen. Dat leidt uiteindelijk tot een verbetering van het fiscale wetgevingsproces en daarmee tot een hogere kwaliteit van de fiscale wetgeving.2 Ook voor rechters is het in voorkomende gevallen van belang om na te kunnen gaan hoe de fiscale wetgever tot zijn keuze(s) is gekomen (zoals bijvoorbeeld bij de vraag wat de grenzen zijn van de navorderingsmogelijkheden van de fiscus3). Om die reden heb ik de volgende probleemstelling geformuleerd:
Welke factoren dienen de keuze en vormgeving van de heffingsmethoden bij rijksbelastingen te bepalen?
Om antwoord te kunnen geven op deze vraag onderscheid ik een aantal onderzoeksvragen en bijbehorende deelvragen. Zoals ik in de paragrafen 1.2 en 1.3 heb laten zien, is er ten aanzien van de heffingsmethoden sprake van een aantal impliciete veronderstellingen. Er zijn echter geen voorgaande onderzoeken waar gebruik van kan worden gemaakt om aan te tonen of en in hoeverre die veronderstellingen inhoudelijk juist zijn. Dit proefschrift richt zich daarom in eerste aanleg op het in kaart brengen van het ontstaan van de heffingsmethoden, een onderzoek naar onderlinge verschillen en het duiden van relevante ontwikkelingen. De verschillende onderzoeksvragen bijbehorende deelvragen zijn daardoor voor het merendeel eerst beschrijvend en vergelijkend van aard. Na deze inventarisatie ga ik over naar het normatieve deel van het onderzoek. Dit richt zich op de uiteindelijk te beantwoorden vraag welke factoren bepalend moeten zijn bij de keuze tussen de heffingsmethoden en de aanzet tot een afwegingskader ter ondersteuning van deze keuzes. Dit afwegingskader bevat de bij die keuze in acht te nemen factoren en is in die zin prescriptief.
Qua volgorde van onderzoeksvragen heb ik er daarom voor gekozen om te beginnen met het historische deel van het onderzoek. Dit beschrijft het ontstaan van de heffingsmethoden in Nederland. Daarna ga ik over naar de situatie nu en onderzoek ik of sprake is van tegenpolen. Dat doe ik aan de hand van een vergelijking op een aantal kernelementen. Ook onderzoek ik of zich binnen die kernelementen ontwikkelingen hebben voorgedaan. Met behulp van de onderzoeksresultaten is het mogelijk een beperkt rechtsvergelijkend onderzoek uit te voeren naar de vraag in hoeverre de Nederlandse heffingsmethoden overeenkomen met de methoden zoals die in andere landen worden toegepast. Al deze kennis ondersteunt de beantwoording van de laatste vraag, welke factoren een rol moeten spelen bij de keuze van een heffingsmethode bij invoering van een belasting (initiële keuze) als bij een latere omzetting.4 Daarvoor onderzoek ik zowel keuzes die in Nederland zijn gemaakt als keuzes in het buitenland. Ten slotte is het met behulp van de verzamelde informatie uit de deelonderzoeken mogelijk om een afwegingskader te ontwerpen. De onderzoeksvragen en deelvragen die ik onderscheid, zijn:
Hoe zijn de verschillende heffingsmethoden in Nederland tot ontwikkeling gekomen?
Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de Nederlandse heffingsmethoden?
Waarin verschillen de Nederlandse heffingsmethoden van elkaar?
Welke heffingstechnieken worden er globaal in andere landen toegepast?
Welke heffingstechnieken worden er in andere landen toegepast?
Wat zijn de belangrijkste verschillen tussen die heffingstechnieken?
In hoeverre zijn die elders toegepaste heffingstechnieken te vergelijken met de in Nederland toegepaste heffingsmethoden?
Hoe worden initiële keuzes voor heffingsmethoden gemaakt?
Hoe gebeurt dat bij rijksbelastingen?
Hoe gebeurt dat bij decentrale belastingen?
Hoe worden keuzes voor latere omzettingen gemaakt?
Hoe gebeurt dat bij rijksbelastingen?
Hoe gebeurt dat bij decentrale belastingen?
Hoe gebeurt dat in het buitenland?
Hoe zou een afwegingskader ter ondersteuning van toekomstige keuzes van heffingsmethoden (initiële en omzettingen) eruit kunnen zien?