Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.4:2.6.4 Het Gewijzigd Ontwerp
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.4
2.6.4 Het Gewijzigd Ontwerp
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijlagen Handelingen II 1917/18, 77, nr. 1, p. 42-43. In art. 170 lid 2 werd niet meer het woord ‘ook’ toegevoegd, zie Noyon 1926, p. 275-276; Corstens 1974, p. 17.
Bijlagen Handelingen II 1917/18, 77, nr. 1, p. 51.
Bijlagen Handelingen II 1917/18, 77, nr. 1, p. 22.
Ook in het Nieuw Gewijzigd Ontwerp zijn ze ongewijzigd opgenomen: Bijlagen Handelingen II 1919/20, 18, nr. 3.
Bijlagen Handelingen II 1917/18, 77, nr. 2.
Corstens 1974, p. 17.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Commissie van Voorbereiding van de Tweede Kamer kon zich goed vinden in het wettelijk vastleggen van het opportuniteitsbeginsel, maar niet in de gekozen bewoordingen. Het naast elkaar noemen van een verplichting tot vervolging en de mogelijkheid om daarvan af te zien kwam haar niet logisch voor. Er werd een andere tekst voorgesteld, namelijk: ‘Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van oordeel is, dat strafvervolging moet plaats hebben, gaat het daartoe onverwijld over.’ Ook bestond de wens slechts het eerste lid te behouden en het tweede lid te laten vervallen, omdat de term ‘algemeen belang’ te weinig specifiek zou zijn. Men vreesde dat het niet vervolgen op grond van bepaalde gezinsomstandigheden, particuliere verhoudingen of de geringe betekenis van sommige overtredingen onmogelijk zou worden, omdat deze omstandigheden niet ernstig genoeg zouden zijn om het algemeen belang mede in te kleuren.
De minister van Justitie deelde die ongerustheid niet. Hij was van mening was dat de term ‘algemeen belang’ ruim genoeg is ‘om ook gevallen, waarin door de vervolging particuliere belangen te zwaar zouden worden getroffen, daaronder te begrijpen.’ Wel nam hij de door de Commissie voorgestelde wijziging van het eerste lid over, met uitzondering van het woord ‘onverwijld’, dat in ‘zoo spoedig mogelijk’ veranderd werd.1 Artikel 245 werd corresponderend aangepast. Bovendien werd in het tweede lid opgenomen dat van verdere vervolging kan worden afgezien ‘ook op gronden aan het algemeen belang ontleend’, waarmee duidelijk werd gemaakt dat niet alleen op grond van het algemeen belang, maar ook wegens het ontbreken van voldoende bewijs van verdere vervolging mag worden afgezien.2 Het beklagrecht tegen niet-vervolging werd gezien als de belangrijkste controle tegen de grote vrijheid van het om, die door de combinatie van het opportuniteitsbeginsel en het vervolgingsmonopolie wordt veroorzaakt.3
Na deze wijzigingen zou de tekst van de twee artikelen waarin het opportuniteitsbeginsel is opgenomen niet meer veranderen.4 De beide artikelen werden in het Gewijzigd Ontwerp5 opgenomen, als artikel 170: ‘Indien naar aanleiding van het ingestelde opsporingsonderzoek het openbaar ministerie van oordeel is dat vervolging moet plaats hebben, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over. Van vervolging kan worden afgezien op gronden aan het algemeen belang ontleend’, en artikel 245: ‘Indien naar aanleiding van het ingestelde voorbereidende onderzoek het openbaar ministerie van oordeel is dat verdere vervolging moet plaats hebben, gaat het daartoe zoo spoedig mogelijk over. Zoolang het onderzoek op de terechtzitting nog niet is aangevangen, kan van verdere vervolging worden afgezien, ook op gronden aan het algemeen belang ontleend.’ De oorspronkelijke verplichting om te vervolgen was in de eerste leden van beide artikelen gewijzigd in een formulering die op zichzelf al uitdrukking geeft aan het opportuniteitsbeginsel. De tweede leden van beide artikelen kunnen daarmee worden gezien als een nadere invulling, namelijk als een specificatie van de gronden waarop (verdere) vervolging achterwege kan blijven. In ieder geval lijkt het onjuist te zijn om met betrekking tot het opportuniteitsbeginsel slechts te verwijzen naar het tweede lid. In plaats daarvan komt uit de parlementaire behandeling duidelijk naar voren dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook in het eerste lid van artikel 170 en 245 Sv het opportuniteitsbeginsel neer te leggen.6