Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.2.1:17.3.2.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.3.2.1
17.3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS500692:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Vakstudie Alg. Deel, aant. 1.8.1 bij art. 5:10a Awb. In het Nederlandse belastingrecht was eerder een cautieplicht vastgelegd in art. 67l, lid 2, AWR (oud).
Vgl. Vakstudie Alg. Deel, aant. 1.4 bij art. 67l AWR.
Zie § 17.3.1 hiervoor.
Vgl. buiten het belastingrecht CBb 7 december 2011, NJB 2012/429, waarin dit speelde en het college geen cautieplicht aanneemt.
Zie § 15.4.3 hiervoor. De tekst van art. 5:10a Awb sluit ook vragen omtrent een strafbare overtreding in zich.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uitgangspunt van de wettelijke regeling van het boeterechtelijk zwijgrecht in art. 5:10a Awb is dat de boeteling zelf het initiatief moet nemen tot het inroepen van het zwijgrecht.1 Wanneer echter sprake is van een verhoor, dan is de inspecteur gehouden de boeteling bij aanvang ervan te wijzen op het zwijgrecht. Deze cautieplicht is vastgelegd in art. 5:10a, lid 2 Awb (bezwaar) en art. 8:28a, lid 2 Awb (beroep). Zij is ontleend aan art. 29 Sv; niet aan de nemo tenetur-rechtspraak van het EHRM.2
Cautieplicht geeft inhoud aan boeterechtelijk zwijgrecht
De cautieplicht beoogt te voorkomen dat de betrokkene verklaringen aflegt, waarvan niet kan worden gezegd dat die in vrijheid zijn afgelegd. De cautie geeft zodoende inhoud aan het zwijgrecht, door aan de realisatie van dat recht in concrete gevallen bij te dragen.3 Vooral bij samenloop met een wettelijke meewerkplicht zal het voor de boeteling niet steeds duidelijk zijn of hij tot antwoorden verplicht is.
De cautieplicht geldt in ieder geval niet wanneer de boeteling een (wettelijke) plicht heeft tot het verstrekken van informatie, zoals een regulier inlichtingenverzoek buiten verdenking.4 Daarvoor geldt het boeterechtelijk zwijgrecht niet.5 Hetzelfde geldt wanneer de verdachte spontaan of althans in vrijheid verklaart. Situaties waarin de inspecteur niet de cautie hoeft te geven, maar de boeteling wel een beroep op het boeterechtelijk zwijgrecht toekomt, zijn waarschijnlijk beperkt tot schriftelijke vragen (zie § 17.3.2.2 hierna). Wanneer een gesprek met de inspecteur is gericht op de inzage in documenten, dan hoeft die niet de cautie te gegeven.6
Formele vereisten cautie ontbreken
De Awb stelt geen formele eisen aan de manier waarop de cautie moet worden gegeven.7 Of in het concrete geval sprake is van een mededeling dat de betrokkene niet hoeft te antwoorden op vragen omtrent de overtreding, zal uit de omstandigheden moeten worden afgeleid.8 De cautie zal in de regel bestaan in de mededeling dat de verdachte niet tot antwoorden verplicht is. Zij kan ook in een andersluidende mededeling van de inspecteur worden gelezen. Bijvoorbeeld wanneer de inspecteur een boete aanzegt, onder de mededeling dat het beter is niets meer te zeggen.