Hier is sprake van een kennelijke misslag in het bestreden arrest die zich bij uitstek leent voor eenvoudig herstel door de rechters die op de zaak hebben gezeten in de vorm van een herstelarrest. Vgl. HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478.
HR, 19-12-2023, nr. 21/04897
ECLI:NL:HR:2023:1775
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2023
- Zaaknummer
21/04897
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:1775, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:961
ECLI:NL:PHR:2023:961, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑11‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:1775
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑12‑2023
Inhoudsindicatie
Verbergen en onttrekken aan nasporing van ambtenaren van justitie of politie van twee minderjarige meisjes (art. 280.1 Sr) door hen mee te nemen naar woning en hun onderdak te bieden en, nadat verdachte volgende dag erachter komt dat zij uit instelling zijn weggelopen en worden gezocht, hen nog een nacht in woning te laten verblijven, zonder politie of instelling daarvan op de hoogte te stellen. 1. Bewijsklacht verbergen. 2. Bewijsklacht onttrekken aan nasporing. Ad 1. ’s Hofs oordeel dat verdachte vanaf moment dat hij wetenschap had van vermissing de minderjarigen heeft ‘verborgen’ in betekenis van art. 280.1 Sr is niet onjuist en niet onbegrijpelijk. Ad 2. Bewijsvoering biedt onvoldoende grond voor ’s hofs oordeel dat verdachte die minderjarigen ‘aan nasporing van ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken’ in betekenis van art. 280.1 Sr. Enkele omstandigheid dat verdachte, nadat hij erachter was gekomen dat zij werden gezocht, niet uit eigen beweging melding heeft gedaan bij politie of instelling, is daarvoor ontoereikend (vgl. HR:1942:164). Geen cassatie omdat aard en ernst van bewezenverklaarde niet worden aangetast. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/04897
Datum 19 december 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 12 november 2021, nummer 21-002745-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat de verdachte twee minderjarigen heeft ‘verborgen’ en ‘aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken’.
2.2.1
Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 te [plaats] opzettelijk minderjarigen, te weten [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 en [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2003, die zich onttrokken hadden aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, een en ander hierin bestaande dat verdachte die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] , die van de instelling [A] waren weggelopen, heeft ondergebracht gehouden in een woning in [plaats] .”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het proces-verbaal ter terechtzitting van het hof d.d. 29 oktober 2021, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:
“ [betrokkene 1] en [betrokkene 2] verbleven bij mij in een woning aan de [a-straat] te [plaats] . Toen ik de meisjes bij de Jumbo ontmoette, zeiden ze tegen mij dat ze 16 en 17 jaar oud waren. Op 31 juli 2018 kwam ik erachter dat de meisjes 13 en 14 jaar oud waren, dat ze uit een instelling waren weggelopen en dat ze werden gezocht. Ik heb toen niet de politie of de jeugdinstantie gebeld, maar hen nog een nacht bij mij laten verblijven. De volgende dag zijn ze vertrokken. Ik word ook wel [verdachte] genoemd.”
2. Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank d.d. 21 juli 2020, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van verdachte:
“In de periode van 30 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 heb ik te [plaats] [betrokkene 1] en [betrokkene 2] in een woning aan de [a-straat] ondergebracht. Ze zeiden tegen mij dat ze 16 en 17 jaar waren. Toen ik hoorde dat het vermiste minderjarigen betrof, heb ik de politie niet gebeld, maar hun onderdak nog een dag en nacht laten voortduren.
Ik heb die meisjes bij de Jumbo ontmoet. Ze spraken me aan en vroegen of ik een plek wist waar ze hun kleren konden wassen. Ze zeiden dat ze 16/17 jaar waren. Ik heb de beide meisjes toen meegenomen naar de woning van [betrokkene 3] .”
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van relaas d.d. 20 november 2018 (opgenomen op pag. 1-12 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018196792-DEFPV-V-001 d.d. 30 april 2019), inhoudende als verklaring van de verbalisant:
“Op 28 juli 2018 kreeg de meldkamer van de politie Noord-Nederland de melding van een vermissing van [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] en [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] , vanuit [A] gevestigd te [plaats] . Betreffende vermissing werd als urgent aangemerkt en door de basiseenheid van politie Leeuwarden werden [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gesignaleerd teneinde hun verblijfplaats te achterhalen.”
4. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 augustus 2018 (opgenomen op pag. 55-57 van voornoemd dossier), inhoudende als verklaring van de verbalisant:
“Op 1 augustus 2018 reed ik in een opvallend politievoertuig. Ik hoorde een melding aangaande de vermiste minderjarige meisjes, [betrokkene 2] [geboortedatum] -2003 en [betrokkene 1] [geboortedatum] -2004. Ik hoorde van de meldkamer dat beide meisjes mogelijk zijn gezien in de omgeving van de [b-straat] te [plaats] . Ik ben vervolgens richting de [b-straat] gereden. Op de [c-straat] zag ik twee jonge meisjes lopen. Op het moment dat de meisje mijn politieauto zagen gingen ze afwijkend en verdacht gedrag vertonen. Ik zag dat ze mij wilden ontwijken, ze liepen ineen gedoken weg. De meisjes wilden kennelijk niet door mij gezien worden en probeerden voor mij te vluchten. Direct heb ik de meisjes gesommeerd om te blijven staan. Ik vond dat de meisjes er zeer verwaarloosd uit zagen. We kwamen tot de conclusie, mede door het bestuderen van de foto’s van de twee urgente vermiste minderjarige meisjes, dat beide meisjes die zojuist waren staande gehouden moeten zijn: [betrokkene 2] [geboortedatum] -2003 en [betrokkene 1] , [geboortedatum] -2004. Hierna zijn beide meisjes meegenomen naar het politiebureau voor verder onderzoek.”
5. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d. 19 oktober 2018 (opgenomen op pag. 73-79 van voornoemd dossier), inhoudende als verklaring van [betrokkene 4] :
“V: U doet aangifte namens uw dochter. Wat zijn de volledige gegevens van uw dochter.
A: [betrokkene 1] . Zij is geboren op [geboortedatum] -2004.
V: Wat is de reden dat zij in [A] is geplaatst?
A: Vorig jaar is [betrokkene 1] door een jongen thuis opgehaald en meegenomen naar Den Haag. We hebben voor [betrokkene 1] hulpverlening gezocht.
V: Hoe oud was [betrokkene 1] op het moment dat het feit heeft plaatsgevonden?
A: [betrokkene 1] was 13 jaar.
V: Wanneer precies zijn de feiten gepleegd?
A: De dames zijn vertrokken op 27 juli 2018. Ze zijn 1 augustus 2018 weer terug gekomen.”
6. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 9 november 2018 (opgenomen op pag. 84-90 van voornoemd dossier), inhoudende als verklaring van [betrokkene 5] :
“V: We weten dat u namens uw dochter aangifte doet. Wat zijn de volledige gegevens van uw dochter?
A: [betrokkene 2] . Zij is geboren op [geboortedatum] 2003.
V: Wat is de reden dat zij in [A] is geplaatst?
A: Wegloopgevaar.”
7. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 augustus 2018 (opgenomen op pag. 66-70 van voornoemd dossier), inhoudende als verklaring van [betrokkene 2] :
“In [plaats] troffen wij een jongen. De jongen had een donkere huidskleur. [betrokkene 1] en ik zijn naar een adres gelopen in de stad. Dit adres hadden wij gekregen van de jongen bij de Jumbo. Wij belden aan op de eerste verdieping van de flat, links van de portiek. [betrokkene 1] en ik zijn naar binnen gegaan. [betrokkene 1] en ik hebben tot woensdag 1 augustus 2018 in dezelfde woning verbleven.”
8. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 december 2018 (opgenomen op pag. 143-148 van voornoemd dossier), inhoudende als verklaring van de verbalisant:
“Door mij werd als getuige gehoord [betrokkene 1] . [betrokkene 1] vertelde samengevat het volgende: [betrokkene 2] en ik zaten samen bij [A] . [betrokkene 2] en ik kwamen samen op het idee om weg te lopen. Dat was eind juli 2018. Bij de Jumbo in [plaats] stond een jongen. Hij zei tegen ons dat hij [verdachte] heette. We zijn met de jongen ( [verdachte] ) meegegaan. Er kwam een meisje aan de deur voor [verdachte] . Ik vroeg haar hoe [verdachte] er uitzag. Ze beschreef hem zoals [verdachte] er uit zag.”
9. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2018 (opgenomen op pag. 91-94 van voornoemd dossier), inhoudende als verklaring van de verbalisant:
“Door [betrokkene 1] werd verklaard dat zij en [betrokkene 2] bij de Jumbo een groep jongens hebben ontmoet en met deze jongens zijn meegegaan naar de woning. Volgens [betrokkene 1] was de woning van [verdachte] en lag deze vlakbij een drukke doorgaande weg en vlakbij een basisschool en speeltuintje. Verder verklaarde [betrokkene 1] dat de jongen die zij [verdachte] noemde een licht getinte jongen is en een gouden tand heeft aan de linkerkant bovengebit.
Door het onderzoeksteam werd een nader onderzoek ingesteld naar het signalement van de door [betrokkene 1] genoemde “ [verdachte] ” die een gouden tand linksboven zou hebben. Uit dit onderzoek is gebleken dat alleen verdachte [verdachte] een gouden tand heeft in het bovengebit links. Het is bij het onderzoeksteam ook bekend dat de woning aan de [a-straat 1] een flat is en gelegen is op de eerste verdieping en links van het portiek.”
2.2.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:
“De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte (...) moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op (...) het verbergen dan wel aan de nasporing onttrekken. Volgens de raadsvrouw is het enkel laten verblijven in een woning onvoldoende om als verbergen in de zin van artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht aan te kunnen merken. Daarvoor is een zekere mate van heimelijkheid vereist. Daarvan is in dit geval geen sprake.
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de inhoud van de bovengenoemde bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof overweegt daarbij nog het volgende.
Verdachte heeft de minderjarigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 30 juli 2018 ontmoet bij de Jumbo in [plaats] . Volgens de ter terechtzitting van zowel de rechtbank als het hof afgelegde verklaring van verdachte hebben de meisjes hem toen verteld dat zij 16 en 17 jaar oud waren. Verdachte heeft beide meisjes desondanks meegenomen. Hij was dus vanaf het begin af aan bekend met hun minderjarigheid. Verdachte stelt dat hij op dat moment nog niet wist dat ze waren weggelopen uit een instelling. Verdachte heeft hen toen meegenomen naar een woning aan de [a-straat] in [plaats] en hen daar onderdak geboden. Op 31 juli 2018 kwam verdachte erachter dat de meisjes 13 en 14 jaar oud waren, dat zij uit een instelling waren weggelopen en dat zij werden gezocht. Hij heeft hen toen nog een nacht in de woning laten verblijven, zonder de politie of de instelling daarvan op de hoogte te stellen. De volgende dag zijn de meisjes vertrokken.
Gelet hierop acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 opzettelijk twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan het bevoegd opzicht ondergebracht heeft gehouden. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als het verbergen in de zin van artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede als het onttrekken aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie. Verdachte wist op het moment dat hij op 31 juli 2018 de beslissing nam de meisjes nog een nacht in de woning te laten verblijven immers dat zij uit een instelling waren weggelopen, vermist werden en dat zij werden gezocht. Aldus verdachte zijn verklaring wilden zij niet gevonden worden. Door hen desondanks onder die omstandigheden in de woning aan de [a-straat] in [plaats] ondergebracht te houden heeft hij hen de gelegenheid gegeven om verborgen te blijven en niet gevonden te worden. Aldus kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het (...) ten laste gelegde, met dien verstande dat het hof de bewezen verklaarde periode zal beperken tot de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018, te weten tot de periode dat verdachte wetenschap had van de vermissing.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op artikel 280 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Daarom moet worden aangenomen dat de in de tenlastelegging en de bewezenverklaring voorkomende begrippen ‘verbergen’ en ‘aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken’ zijn gebruikt in de betekenis die deze begrippen hebben in die bepaling.
2.3.2
Artikel 280 lid 1 Sr luidt:
“Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
2.4
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op 30 juli 2018 twee minderjarige meisjes, die hij bij een supermarkt had ontmoet, heeft meegenomen naar een woning en hun daar onderdak heeft geboden. Toen de verdachte de volgende dag erachter kwam dat zij uit een instelling waren weggelopen en dat zij werden gezocht, heeft hij de meisjes – die volgens de verdachte niet gevonden wilden worden – nog een nacht in de woning laten verblijven, zonder de politie of de instelling daarvan op de hoogte te stellen. Op 1 augustus 2018 zijn de meisjes uit de woning vertrokken.
2.5.1
Het daarop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte, vanaf het moment dat hij wetenschap had van de vermissing, de in de bewezenverklaring bedoelde minderjarigen heeft ‘verborgen’ in de betekenis die artikel 280 lid 1 Sr aan dat begrip geeft, is niet onjuist en niet onbegrijpelijk. Voor zover het cassatiemiddel hierover klaagt, faalt het.
2.5.2
De bewijsvoering van het hof biedt onvoldoende grond voor zijn oordeel dat de verdachte die minderjarigen toen ook ‘aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken’ in de betekenis die artikel 280 lid 1 Sr aan dat begrip geeft. De enkele omstandigheid dat de verdachte, nadat hij erachter was gekomen dat de meisjes werden gezocht, niet uit eigen beweging een melding heeft gedaan bij de politie of de instelling, is daarvoor niet toereikend (vgl. HR 9 februari 1942, ECLI:NL:HR:1942:164). In zoverre is het cassatiemiddel terecht voorgesteld. Dit leidt echter niet tot cassatie, gelet op wat onder 2.5.1 is overwogen en omdat het weglaten van dit deel van de bewezenverklaring de aard en de ernst van het bewezenverklaarde niet aantast.
2.6
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.
Conclusie 07‑11‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Verbergen en onttrekken aan de nasporing i.d.z.v. art. 280.1 Sr. Levert enkel in woning ondergebracht houden van twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, het plegen van verbergen én onttrekken aan de nasporing op? Strekt tot strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04897
Zitting 7 november 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, heeft de verdachte bij arrest van 12 november 2021 wegens 2 subsidiair “Het opzettelijk verbergen en het aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken van een minderjarige die zich heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 108 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest en daarnaast tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis. Voorts heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf en deze omgezet in een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 90 (honderd)1.dagen hechtenis.
2. Namens de verdachte heeft L.C. de Lange, advocaat te Utrecht, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het enkel in een woning ondergebracht houden van twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan het gezag, het plegen van het verbergen én aan de nasporing onttrekken in de zin van art. 280 Sr oplevert, althans dat dit oordeel ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk is gemotiveerd.
4. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 te [plaats] opzettelijk minderjarigen, te weten [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 2004 en [betrokkene 2] , geboren op [geboortedatum] 2003, die zich onttrokken hadden aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hen uitoefende, heeft verborgen en aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie heeft onttrokken, een en ander hierin bestaande dat verdachte die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] , die van de instelling [A] waren weggelopen, heeft ondergebracht gehouden in een woning in [plaats] .”
5. Het hof heeft – voor zover hier van belang – in zijn bewijsoverwegingen overwogen:
“Verdachte heeft de minderjarigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 30 juli 2018 ontmoet bij de Jumbo in [plaats] . Volgens de ter terechtzitting van zowel de rechtbank als het hof afgelegde verklaring van verdachte hebben de meisjes hem toen verteld dat zij 16 en 17 jaar oud waren. Verdachte heeft beide meisjes desondanks meegenomen. Hij was dus vanaf het begin af aan bekend met hun minderjarigheid. Verdachte stelt dat hij op dat moment nog niet wist dat ze waren weggelopen uit een instelling. Verdachte heeft hen toen meegenomen naar een woning aan de [a-straat] in [plaats] en hen daar onderdak geboden. Op 31 juli 2018 kwam verdachte erachter dat de meisjes 13 en 14 jaar oud waren, dat zij uit een instelling waren weggelopen en dat zij werden gezocht. Hij heeft hen toen nog een nacht in de woning laten verblijven, zonder de politie of de instelling daarvan op de hoogte te stellen. De volgende dag zijn de meisjes vertrokken.
Gelet hierop acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018 opzettelijk twee minderjarigen die zich hadden onttrokken aan het bevoegd opzicht ondergebracht heeft gehouden. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als het verbergen in de zin van artikel 280 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede als het onttrekken aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie. Verdachte wist op het moment dat hij op 31 juli 2018 de beslissing nam de meisjes nog een nacht in de woning heeft laten verblijven immers dat zij uit een instelling waren weggelopen, vermist werden en dat zij werden gezocht. Aldus verdachte zijn verklaring wilden zij niet gevonden worden. Door hen desondanks onder die omstandigheden in de woning aan de [a-straat] in [plaats] ondergebracht te houden heeft hij hen de gelegenheid gegeven om verborgen te blijven en niet gevonden te worden. Aldus kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, met dien verstande dat het hof de bewezen verklaarde periode zal beperken tot de periode van 31 juli 2018 tot en met 1 augustus 2018, te weten tot de periode dat verdachte wetenschap had van de vermissing.”
6. De tenlastelegging en de bewezenverklaring onder 2 subsidiair zijn toegespitst op art. 280 lid 1 Sr. Deze bepaling luidt als volgt:
“Hij die opzettelijk een minderjarige die onttrokken is of zich onttrokken heeft aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, verbergt of aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vierde categorie of, indien de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie.”
7. Art. 280 Sr kent een plek in het Wetboek van Strafrecht sinds zijn invoering in 1886. Het artikel heeft vanaf dat moment een aantal wijzigingen doorgemaakt, maar de tekst, zoals thans opgenomen in het eerste lid van dit artikel, is inhoudelijk niet veranderd. Uit de wetsgeschiedenis betreffende art. 280 Sr komt niet naar voren welke betekenis aan de bestanddelen ‘verbergen’ en ‘onttrekken aan de nasporing’ moet worden toegekend. In de literatuur wordt evenwel aangenomen dat ‘verbergen’ niet hoeft samen te gaan met ‘onttrekken aan de nasporing’, omdat ‘verbergen’ kan plaatsvinden zonder dat sprake is van nasporingsgevaar, te weten als in het betreffende geval de politie niet is en zal worden ingeschakeld. Dit volgt trouwens ook uit HR 9 februari 1942 NJ 1942/527, in combinatie met HR 12 maart 1974 NJ 1974, 201. In deze zaken was sprake van vrijwel hetzelfde feitencomplex: de verdachte had een weggelopen minderjarige enkele dagen ondergebracht in een woning van een ander zonder de politie daarvan op de hoogte te stellen. Een veroordeling voor ‘onttrekken aan de nasporing’ kon volgens de HR niet in stand blijven (1942), maar een veroordeling voor ‘verbergen’ wel (1974). ‘Verbergen’ betreft een specifieke handeling die erop is gericht om de betrokkene buiten beeld te houden voor de buitenwereld, terwijl bij het ‘onttrekken aan de opsporing’ het nasporingsgevaar dreigende moet zijn en de gedraging enigermate geëigend moet zijn om het succes op de nasporing te frustreren.2.Zo was in de zaak die ten grondslag lag aan HR 23 februari 1925, NJ 1925, p. 609, sprake van ‘onttrekken aan de nasporing’ toen een verdachte in strijd met de waarheid aan de politie verklaarde niet te weten waar de gezochte minderjarige verbleef. De politie werd aldus door een leugen op een dwaalspoor gezet als gevolg waarvan de taak om nasporingen te doen bemoeilijkt werd.
8. Voor de aard of ernst van het delict uit art. 280 Sr maakt het overigens niet uit of ‘verbergen’ en/of ‘onttrekken aan de nasporing’ bewezenverklaard wordt. Uit de literatuur volgt dat art. 280 Sr in het algemeen tot doel heeft dat de onttrokken minderjarige weer terecht kan worden gebracht alsmede dat het openbaar gezag, waaronder ambtenaren van politie en justitie geschaard kunnen worden, in staat wordt gesteld de belangen van de minderjarige te behartigen.3.De strafbaarstellingen van ‘verbergen’ en ‘onttrekken aan de nasporing’ dragen beide bij aan dat doel.
9. In de onderhavige zaak heeft het hof volgens de steller van het middel ten eerste ten onrechte geoordeeld dat het enkel ondergebracht houden van twee minderjaren in een woning – die zich hadden onttrokken aan het gezag – het plegen van ‘verbergen’ in de zin van art. 280 Sr oplevert. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte niet meer heeft gedaan dan het voor één nacht bieden van onderdak aan de minderjarigen, terwijl enige vorm van heimelijkheid ontbreekt. Het hof heeft zijn oordeel voorts ontoereikend dan wel niet zonder meer begrijpelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
10. Deze klachten falen. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte twee minderjarigen onderdak heeft verschaft, terwijl hij ervan op de hoogte was dat de minderjarigen waren weggelopen uit een instelling en dat zij werden gezocht. Hij heeft hen op die manier in staat gesteld buiten beeld te blijven van de instelling van waaruit ze waren weggelopen en van de politie. Gelet op hetgeen onder randnummer 7 is overwogen, getuigt het oordeel van het hof dat de verdachte de minderjarigen heeft verborgen in de zin van art. 280 Sr daarmee niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dit oordeel is voorts toereikend en niet onbegrijpelijk gemotiveerd.
11. Ten tweede betoogt de steller van het middel dat het enkel laten verblijven van de minderjarigen in een woning zonder de politie daarvan op de hoogte te stellen, geen ‘onttrekken aan de nasporing’ oplevert, althans dat het hof het oordeel dat hiervan sprake was ontoereikend dan wel niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Daarbij wordt een beroep gedaan op een arrest van de Hoge Raad van 22 april 1958 betreffende art. 279 Sr, waarin is geoordeeld:
“dat het enkele feit van het aan een minderjarige, die bij iemand op bezoek is gekomen, gedurende drie etmalen onderdak verlenen, ook al is hij die het onderdak verleent ervan op de hoogte, dat degene, die over de minderjarige het wettig gezag uitoefent, niet weet waar deze vertoeft en diens verblijf in het huis, waar deze op bezoek gekomen is, niet zou goedkeuren, zonder meer niet oplevert het strafbare feit van het opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag, als omschreven in art. 279 Sr.”4.
12. Uit HR 9 februari 1942 volgt ten aanzien van art. 280 Sr dat het op een bepaalde plaats doen verblijven van een minderjarige en nalaten daarvan mededeling te doen aan de politie terwijl men begrijpt dat deze de minderjarige zoekt, nog geen ‘onttrekken aan de nasporing’ oplevert.5.
13. In de onderhavige zaak heeft de verdachte volgens het hof niet meer gedaan dan het bieden van onderdak aan de minderjarigen. Gelet hierop is het oordeel van het hof dat de verdachte de minderjarigen heeft ‘onttrokken aan de nasporing’ zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet zonder meer begrijpelijk. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Voor een bewezenverklaring van overtreding van art. 280 Sr is immers voldoende dat ten minste één van de delictsgedragingen bewezen kan worden verklaard. Aangezien in de onderhavige zaak in ieder geval sprake is van ‘verbergen’, bestaat geen belang bij terugwijzing.
14. Voor zover tot slot door de steller van het middel nog wordt betoogd dat de verdachte niet als pleger maar slechts als medeplichtige aangemerkt had kunnen worden omdat hij slechts de gelegenheid heeft gegeven aan de minderjarigen om verborgen te blijven en niet gevonden te worden, faalt het middel eveneens. Art. 280 lid 1 Sr heeft immers betrekking op degene die een minderjarige verborgen houdt of onttrekt aan de nasporing, en niet op de minderjarige die zichzelf verbergt of zichzelf onttrekt aan de nasporing.
15. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Slotsom
16. Het middel faalt.
17. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Dit dient te leiden tot strafvermindering. Verder heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
18. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑11‑2023
Vgl. Machielse, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, art. 280 Sr, aant. 2.
Vgl. Van der Meij, in T&C Sr, art. 280 Sr, aant. 7 en Van Veen in zijn annotatie bij HR 11 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB4463, NJ 1976, 538.
Zie NJ 1959/17, m.nt. B.V.A. Röling.
HR 9 februari 1942, NJ 1942/527.