Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/2.4
2.4 Combinatie van zekerheids- en genotsrechten
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS388296:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld D. 50,17,205 (Pomponius), waaruit blijkt dat verpanding de mogelijkheid onverlet laat om nadien op de verpande zaak een erfdienstbaarheid te vestigen. Zie ook Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 148.
Zo volgt uitdrukkelijk uit C. 3,33,2, waar het aan de bloot eigenaar wordt toegestaan om een pandrecht te vestigen op een zaak die reeds in vruchtgebruik is gegeven.
Volledigheidshalve zij opgemerkt dat ook de rechten van erfpacht en opstal tot de categorie genotsrechten behoren die het exclusieve gebruik van de zaak omvatten. In het onderstaande zal echter van deze categorie alleen het recht van vruchtgebruik aan de orde komen omdat alleen ten aanzien van dit recht Romeinse casuïstiek is terug te vinden. Overigens zie ik geen bezwaar om de conclusies verderop ten aanzien van een vruchtgebruik dat collideert met een pandrecht analoog toe te passen op de andere exclusieve gebruiksrechten, zodat voor vruchtgebruik ook erfpacht of opstal kan worden gelezen.
Zie C. 3,33,2: ‘Wij merken op dat door de bewoordingen van het testament – die u in uw verzoekschrift hebt ingevoerd – aan u een vruchtgebruik is gelegateerd. Deze omstandigheid verhindert niet dat de bloot eigenaar de eigendom als pand aan een schuldeiser kan verbinden, waarbij vanzelfsprekend het vruchtgebruik waarop u recht hebt, intact blijft.’
Hoewel de vruchtgebruiker slechts houder was van het goed en geen bezitter, had zijn recht toch een goederenrechtelijk karakter omdat zijn recht werd beschermd met bijzondere, aan die van de bezitter analoge, bezitsinterdicten waarmee hij tegen derden kon ageren. Zie Kaser I (1971), p. 541.
D. 7,1,15,6 (Ulpianus).
D. 7,1,15,7 (Ulpianus) en D. 7,1,16 (Paulus).
Het al dan niet hebben verkregen van toestemming van de vruchtgebruiker doet naar Romeins recht niet ter zake.
Eerst door de Pandektisten is over deze kwesties gebogen. Vermoedelijk heeft dit geval van botsende rechten – voor zover dat geval al voorkwam bij de Romeinen – nooit tot geschillen geleid. Wat het antwoord op de vraag ook zij, de eigenaar van het heersende erf kon immers eenvoudigweg indien het zakelijke recht door de executie teniet is gegaan door een nieuwe vestiging een recht op de zaak van zijn nieuwe buurman kunnen doen gelden.
Zie Sintenis 1836, p. 543-545 die aldus de leer van Von Scheurl, inhoudende dat een jongere erfdienstbaarheid in het geheel niet teniet gaat nu dit beperkte recht niet de volledige heerschappij van de zaak omvat en derhalve de schuldeiser niet schaadt, nuanceert. Zie voor de opvatting van Von Scheurl Kritische Überschau der deutschen Gesetzgebung und Rechtswissenschaft, Band V, München 1857, p. 38.
Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 149, die zich gesteund voelt door Windscheid/ Kipp I (1906), p. 1203 waar Windscheid schrijft dat de zaak bij een executieverkoop wordt overgedragen in de staat waarin het zich bevindt ten tijde van de vestiging van het pandrecht, ‘unbeschränkt durch später auf die Sache gelegte Lasten’. Windscheid beroept zich echter slechts op bronnen waarin deze later gevestigde last bestaat uit een pandrecht. Hij spreekt zich niet expliciet uit over de collisie van een pandrecht met een erfdienstbaarheid.
De formaliteiten die blijkens C. 8,27(28),4; C. 8,27(28),9 en C. 8,29(30),4 voorafgaand aan de veilingverkoop in acht moeten worden genomen zijn erop gericht een zo hoog mogelijke opbrengst te behalen.
Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 149. Overigens verzacht Dernburg deze strenge toepassing enigszins door erop te wijzen dat de schuldeiser bij de uitoefening van zijn recht zoveel mogelijk rekening moet houden met de belangen van de eigenaar. Ik begrijp de verzachting zo dat de schuldeiser niet vrij van latere beperkte rechten mag executeren indien hij zulks zou doen met geen ander doel dan de beperkt gerechtigden en daarmee de eigenaar te schaden. Men vergelijke het leerstuk van misbruik van recht. Het is immers denkbaar dat de eigenaar jegens de latere vruchtgebruiker aansprakelijk wordt gesteld voor de schade die de vruchtgebruiker lijdt als gevolg van het tenietgaan van zijn recht.
Zie Dernburg, Pfandrecht II (1864), p. 149 onder verwijzing naar D. 8,3,14 (Pomponius).
Zie D. 8,3,14 (Pomponius).
In par. 2.3.2 is verdedigd dat dergelijke geschillen aan de hand van de delingsactie worden beslecht.
Het lijdt geen twijfel dat de eigenaar door het verhypothekeren van zijn zaak geenszins wordt aangetast in zijn bevoegdheid om nadien diezelfde zaak met een beperkt genotsrecht te bezwaren.1 Ook bezwaring van de zaak in de omgekeerde volgorde – te weten de vestiging van een genotsrecht voorafgaand aan de verpanding – is goed denkbaar.2 Meerdere zekerheids- en genotsrechten kunnen in beginsel probleemloos naast elkaar bestaan tot het moment waarop de zekerheidsnemer tot executie van het onderpand overgaat. Eerst dan wordt de vraag acuut hoe de zekerheidsnemer en de gerechtigde tot het gebruik van de zaak zich jegens elkaar verhouden of anders gezegd, of de zekerheidsnemer – en daarmee ook de verkrijger van de geëxecuteerde zaak – het genotsrecht zal moeten dulden.
Naar hieronder duidelijk zal worden is het voor de bespreking van collisies van een genotsrecht met een zekerheidsrecht zinvol om de genotsrechten te onderscheiden in rechten die het exclusieve gebruik van de zaak omvatten – men denke aan het recht van vruchtgebruik3 – en rechten die de eigenaar niet de bevoegdheid ontnemen om handelingen ten aanzien van zijn zaak te verrichten, bijvoorbeeld een erfdienstbaarheid.
Uit de bronnen volgt uitdrukkelijk dat na de vestiging van een zekerheidsrecht een ouder vruchtgebruik op dezelfde zaak intact blijft.4 Dat het vruchtgebruik niet teniet gaat door de vestiging van het pandrecht is gelet op zijn goederenrechtelijke karakter evident.5 Het is de vraag of het vruchtgebruik eveneens intact blijft nadat de pandhouder is overgegaan tot executie. Het komt mij voor dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Er is geen reden om aan te nemen dat het zo-even aange-haalde C. 3,33,2 alleen ziet op de situatie waarin het pandrecht niet wordt uitgeoefend. Bovendien kan uit betreffende passage uit de Codex worden afgeleid dat de aanleiding voor deze uitspraak is geweest het geval dat de pandhouder het pandobject vrij van alle goederenrechtelijke rechten – de eerder gevestigde rechten incluis – op de veiling heeft aangeboden, waarna de oudere vruchtgebruiker onder vermelding van het testament waaraan hij zijn recht ontleent met vrucht een procedure heeft gestart om zijn recht veilig te stellen. Vermoed kan worden dat de schuldeiser zijn executierecht heeft geëffectueerd omdat eerst dan de positie van de vruchtgebruiker van belang is en tot een procedure aanleiding kan geven.
Tevens mag de bloot eigenaar:
‘de vruchtgebruiker niet hinderen in de uitoefening van zijn recht teneinde diens positie niet slechter te maken.’6
En bovendien kan hij:
‘zelfs met de instemming van de vruchtgebruiker, niet een erfdienstbaarheid opleggen, behalve dan een erfdienstbaarheid waardoor de positie van de vruchtgebruiker niet slechter wordt.’7
Het Romeinse recht heeft voorzien in de nodige bescherming van het recht van de vruchtgebruiker. De eigenaar zelf mag de vruchtgebruiker niet hinderen en hij mag ook geen rechten ten behoeve van een derde vestigen waarvan hij zelf is ontbloot, men denke aan het recht om over de zaak te wandelen. Hij mag alleen die rechten vestigen die de positie van de vruchtgebruiker niet aantasten.8 Van het vestigen van een pandrecht ondervindt de vruchtgebruiker in beginsel geen hinder. Het recht dat de pandnemer alsdan verkrijgt zal hij slechts kunnen uitoefenen met inachtneming van het recht van de vruchtgebruiker. Zo zal als hij overgaat tot executie, het vruchtgebruik op de zaak blijven rusten.
Diezelfde gedachte – dat de bloot eigenaar de positie van de beperkt gerechtigde niet slechter kan maken – is terug te vinden in het geval waarin een pandhouder het oudste recht heeft. Uit C. 8,13(14),15 volgt dat:
‘het volstrekt zeker [is] dat de schuldenaar noch door verkoop noch door schenking noch door te legateren of door fideï-commissaire making de positie van de schuldeiser kan verslechteren.’
Hoewel dit verbod om de positie van de schuldeiser met een zekerheidsrecht slechter te maken niet met zoveel woorden het vestigen van een beperkt genotsrecht zoals het recht van vruchtgebruik benoemt, moet wor-den aangenomen dat dit verbod gelet op zijn strekking zich tevens uitstrekt tot het vestigen van beperkte genotsrechten. De betreffende passage brengt het recht van zaaksgevolg tot uitdrukking, hetgeen betekent dat de pandhouder de zaak kan opeisen onder mogelijke derdeverkrijgers. Niet valt in te zien waarom een zekerheidsnemer wel met succes tegen een derdeverkrijger kan ageren maar niet tegen een derde ten behoeve van wie een beperkt genotsrecht is gevestigd. Zou het tegendeel juist zijn, dan zou de schuldenaar het pandrecht van zijn crediteur door het vestigen van genotsrechten volledig kunnen uithollen.
In de situatie waarin een ouder pandrecht botst met een jonger recht van erfdienstbaarheid, een beperkt genotsrecht dat niet het exclusieve gebruik van het goed omvat, worden ten aanzien van de vraag of de erfdienstbaarheid moet wijken in de pandektistiek twee opvattingen verdedigd.9 De eerste – en mildere – opvatting houdt in dat de erfdienstbaarheid slechts teniet gaat indien het goed door de bezwaring zodanig in waarde vermindert dat de opbrengst ervan bij een executieverkoop ontoereikend is om de vordering van de pandhouder te kunnen voldoen.10 Deze opvatting is ingegeven door de gedachte dat een erfdienstbaarheid slechts bestaat in een plicht om iets te dulden of na te laten zodat mede gelet op het feit dat een schuldeiser in de regel een onderpand verlangt waarvan de waarde de som van de vordering overstijgt, de eventuele – en voor zover hiervan sprake is in ieder geval geringe – waardedaling geen benadeling van de schuldeiser betekent. De andere – strengere – opvatting houdt vast aan een onverminderde toepassing van de prioriteitsregel.11 Het pandrecht is in deze visie eenvoudigweg eerder gevestigd en daarom zal het latere goederenrechtelijke genotsrecht ervoor moeten wijken.
De mildere opvatting kan geen stand houden omdat eerst na de veilingverkoop duidelijk zal zijn of de opbrengst van het pandobject in bezwaarde staat toereikend is voor de voldoening van de vordering van de pandhou-der. Bovendien staat deze zienswijze – ofschoon deze tracht te voorzien in de meest billijke uitkomst – op gespannen voet met de beginselen van het executierecht omdat bij een veilingverkoop dient te worden gestreefd naar de hoogst mogelijke opbrengst.12 Het onderpand zal moeten worden aangeboden in de staat waarin het zich bevond ten tijde van het vestigen van het pandrecht.
Dernburg wijst de strengere opvatting aan als de juiste, hetgeen ik onderschrijf, doch in zijn motivering volg ik hem niet.13 Volgens Dernburg is de prioriteitsregel van toepassing in alle conflicten tussen goederenrechtelijke rechten. Hij noemt bij wijze van voorbeeld een conflict tussen twee pandrechten alsmede een conflict tussen twee rechten van erfdienstbaarheid – in welke twee conflicten hij de prioriteitsregel toepast – en stelt vervolgens dat er geen reden is om eenzelfde toepassing voor het geval waarin zekerheids- en genotsrechten worden gecombineerd na te laten.14 De tekst waarop Dernburg zich beroept ten aanzien van colliderende rechten van erfdienstbaarheid getuigt echter veel meer tegen de toepassing van de prioriteitsregel dan ervoor.15 Zoals in par. 2.3.2 is besproken kan uit betreffende Digestentekst worden afgeleid dat een tweede recht van erfdienstbaarheid dat feitelijk niet naast het eerst gevestigde recht kan worden uitgeoefend, niet tot stand komt. Tot een collisie van beperkt gerechtigden komt het in een dergelijke geval niet en van toepassing van de prioriteitsregel zal dan ook geen sprake zijn. Daarenboven worden geschillen tussen twee gerechtigden tot een erfdienstbaarheid die in beginsel wel naast elkaar kunnen bestaan, niet opgelost aan de hand van de prioriteitsregel, maar volgens de regels van de gemeenschap.16
Het komt mij voor dat de prioriteitsregel onder Romeins recht alleen van toepassing is in geschillen tussen goederenrechtelijke rechten waarin in ieder geval een pandrecht is betrokken. Derhalve moet ook in een conflict van een pandrecht met een genotsrecht, onverschillig of sprake is van een vruchtgebruik of een erfdienstbaarheid, de toepassing van de prior-temporeregel worden aangenomen.