Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.3.4
6.3.3.4 Het niet-algemene rechterlijke vermoeden
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS469166:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een ander voorbeeld HR 20 juni 2008, JOR 2008, 260, r.o. 5.4 (Willemsen c.s./NOM Investerings- en Ontwikkelingsmaatschappij, m.nt. Borrius).
Asser 2004, p. 105. Het bewijsinterlocutoir betreft een tussenvonnis of tussenbeschikking als bedoeld in art. 232 lid 1 Rv waarin de rechter aan de partij van wie hij vindt dat deze de voor de beslissing relevante feiten moet bewijzen, een bewijsopdracht geeft. Dit speelt met name in geval een partij in de gelegenheid wordt gesteld (tegen)bewijs door getuigen te leveren (art. 166 en 168 Rv). Zie ook: Hugenholtz/Heemskerk 2006, p. 93; Stein/Rueb 2009, p. 149 e.v.
Zie bijvoorbeeld HR 6 april 2001, NJ 2002, 383, r.o. 3.4.2 en HR 20 april 2001, NJ 2002, 384, r.o. 3.4.2 (beide met noot van Snijders).
HR 12 januari 2001, NJ 2001, 419, r.o. 3.6 (m.nt. Mendel).
Vergelijk HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, r.o. 3.5 (weergegeven in tekstnummer 201).
Asser 2004, p. 76.
HR 2 mei 2003, NJ 2003, 468, r.o. 4.4; HR 16 maart 2007, LJN AZ0613, r.o. 3.5.
Aldus ook A-G Verkade in zijn conclusie (overweging 4.7) bij HR 15 december 2006, LJN AZ1083.
Asser 2004, p. 110.
Asser (2004, p. 112-113) merkt op dat dit ten aanzien van voorshandse bewijsoordelen niet snel tot problemen zal leiden, omdat het bij tegenbewijs gaat om bewijs tegen vaststaande feiten, zodat het bewijsaanbod in zoverre altijd voldoende specifiek is.
HR 14 november 2003, LJN AK4841, r.o. 3.5.2.
Sieburgh 2000, paragraaf 8.6.1; Giessen 2001, p. 114-115; Asser-Hartkamp 4-III 2006, nr. 77.
Asser-Hartkamp 4-III 2006, nr. 77. Een andere mogelijkheid is dat op gedaagde een verzwaarde motiveringsplicht komt te rusten, hetgeen betekent dat hij zijn betwisting van het door eiser gestelde feit nader moet motiveren teneinde de laatste aanknopingspunten te verschaffen voor de bewijslevering. Zie hierover ook Giessen 2001, p. 39 e.v.
Cassatiemiddel, onderdeel 1.7, te kennen uit NJ 2003, 538 (HR 4 april 2003 (Skipper Club Charter)).
Huydecoper verwijst naar: HR 10 januari 1990, NJ 1990, 466, r.o. 5 (OGEM Holding, m.nt. Maeijer); HR 16 augustus 1996, NJ 1997, 37, r.o. 3.3.2 (VHS, m.nt. Maeijer) en HR 4 juni 1997, NJ 1997, 671, r.o. 4.1.3 (Text Lite Holding, m.nt. Maeijer).
204. Asser merkt op dat het geregeld voorkomt dat de rechter op grond van het partijdebat vóór het bewijsinterlocutoir voorshands van oordeel is dat het te bewijzen feit vaststaat, behoudens tegenbewijs door de wederpartij.1 Dit wordt ook wel aangeduid als het ‘voorshandse bewijsoordeel’. De term ‘voorshands’ impliceert niet dat het gaat om een oordeel op grond van een voorlopige indruk van het bewijsmateriaal: de rechter stelt een feit vast op basis van een volledige waardering van het aanwezige bewijsmateriaal. Het voorshandse karakter betreft de status van de vaststelling zelf: deze laat ruimte voor de mogelijkheid dat het anders kan blijken te zijn bij tegenbewijs (vergelijk art. 151 lid 2 Rv). 2Op de rechter die de stellingen van eiser voorshands bewezen acht, rust geen verzwaarde motiveringsplicht. Reden hiervoor is dat hij ingevolge art. 152 lid 2 Rv vrij is in de waardering van het bewijs. Wel dient de rechter die de uitzondering uit art. 150 Rv toepast de omstandigheden vast te stellen die hem tot zijn beslissing hebben geleid en dient hij inzicht te geven in de gedachtegang die hij daarbij heeft gevolgd.3 Ook wat dit betreft geldt de standaard motiveringsplicht die volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op de rechter rust.4 Hoewel de vraag of iets volgt uit de redelijkheid en billijkheid in beginsel een rechtsvraag is, brengt de vermenging met de feitelijke gegevens mee dat het oordeel in cassatie slechts beperkt kan worden getoetst.5
205. Door de voorshandse bewezenverklaring wordt de bewijsleveringslast van eiser verlicht: hij wordt ontheven van de plicht het bewijs te leveren omdat de rechter van oordeel is dat de door hem (eiser) gestelde feiten vaststaan. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat het in deze constellatie voor het slagen van tegenbewijs voldoende is dat de gedaagde het bewijs door het leveren van tegenbewijs ontzenuwt.6 Gedaagde hoeft derhalve niet het tegendeel van het via het vermoeden als vaststaand aangenomen feit te bewijzen.7 In de woorden van Asser: ‘Tegenbewijs kan worden geleverd door feiten te bewijzen die de bewezen feiten onaannemelijk maken of uitsluiten. Het kan voorts hierin bestaan dat de bewijsmiddelen of bewijsconstructies waarop het eerstbedoelde bewijs is gebaseerd, worden ontkracht. Tegenbewijs kan dus reeds slagen wanneer het heeft bewerkstelligd dat de rechter zozeer is gaan twijfelen aan de juistheid van de aanvankelijk als vaststaand aangenomen feiten, dat de [eiser], die daarvan profiteerde, alsnog geconfronteerd wordt met de noodzaak van bewijslevering.’8 Ook voor het tegenbewijs geldt het bepaalde in art. 152 lid 1 Rv dat het kan worden geleverd door alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt. Gedaagde kan bijvoorbeeld het aanbod doen tegenbewijs te leveren door middel van getuigen (art. 166 Rv). Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat aan dit aanbod niet de eis mag worden gesteld dat het voldoende gespecificeerd is.9 Ons hoogste rechtscollege heeft in zijn arrest van 14 november 2003 echter ook geoordeeld dat de rechter de gedaagde die de door eiser gestelde feiten mede in het licht van het reeds aanwezige bewijsmateriaal onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, niet hoeft toe te laten in zijn aanbod tot het leveren van tegenbewijs.10
In het voorgaande is aan de orde gekomen dat degene die een vordering tot schadevergoeding op grond van art. 6: 162 BW instelt, bij gemotiveerde betwisting moet bewijzen dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld en dat hem ter zake een verwijt kan worden gemaakt. Omdat het slechts bij uitzondering voorkomt dat indien de onrechtmatigheid vaststaat, de dader geen schuld heeft, wordt in de praktijk de aanwezigheid van schuld dikwijls voorshands aangenomen.11 Men heeft hier derhalve van doen met een niet-algemeen rechterlijk vermoeden. In de woorden van Hartkamp: ‘[V]eelal is op voorhand aannemelijk dat de pleger van een onrechtmatige daad daaraan ook schuld heeft. Indien dit inderdaad aannemelijk is en de gedaagde het bestaan van schuld betwist, moet hij tegenbewijs leveren tegen het voorshands door vermoedens geleverde bewijs van zijn schuld.’12
Een ander voorbeeld van een niet-algemeen rechterlijk vermoeden vormt het voorshandse bewijsoordeel waarover door de Hoge Raad in Laurus wordt gerept. Ik leid dit af uit zijn overweging dat het oordeel van de Ondernemingskamer onder omstandigheden de door hem geduide bewijsrechtelijke betekenis kan hebben. Vermeldenswaard is nog dat in de procedure inzake Skipper Club Charter door de vennootschap de vraag aan de orde is gesteld of de overwegingen van de Ondernemingskamer in een procedure op de voet van art. 2: 9 BW niet de betekenis zouden moeten hebben van een algemeen rechterlijk vermoeden. De vennootschap stelt: ‘Indien – zoals in het onderhavige geval – de Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat ten aanzien van bepaalde beslissingen en gedragingen die hebben geleid tot het oordeel dat er van wanbeleid van de rechtspersoon sprake is, in het bijzonder een bepaalde bestuurder een verwijt treft en heeft geoordeeld dat die bestuurder verantwoordelijk is te achten voor het onjuiste beleid (...), dient de burgerlijke rechter die in een daaropvolgende gewone procedure de vraag moet beantwoorden of de betreffende bestuurder zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekortgekomen dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen, althans de vraag moet beantwoorden of een op art. 2: 9 BW gegronde aansprakelijkheid van de betreffende bestuurder jegens de rechtspersoon kan worden aangenomen, er (voorshands) van uit te gaan dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord, tenzij de betreffende bestuurder (voldoende concreet) feiten en omstandigheden stelt, en bij gemotiveerde betwisting door de rechtspersoon bewijst, waaruit volgt dat hij desalniettemin niet zo onmiskenbaar en duidelijk in de vervulling van zijn taken is tekortgekomen en dat daarover geen redelijk oordelend ondernemer zou kunnen twijfelen, althans waaruit volgt dat een op art. 2: 9 BW gegronde aansprakelijkheid van die bestuurder jegens de rechtspersoon niet kan worden aangenomen. Althans heeft het Hof miskend dat deze bijzondere regel van stelplicht en bewijslast geldt indien – zoals in het onderhavige geval – de rechtspersoon en de betreffende bestuurder als verzoeker(s) of verweerder(s) in de procedure(s) voor de Ondernemingskamer zijn verschenen.’13 De Hoge Raad heeft aan deze kwestie in het arrest Skipper Club Charter geen aandacht besteed. Advocaat-generaal Huydecoper heeft in zijn conclusie (overweging 38) wel krachtig gereageerd op de stelling van de vennootschap: ‘ Onderdeel 1.7 doet een beroep op een bijzondere regel van stelplicht/bewijslast die volgens mij niet als algemene regel kan worden aanvaard en die volgens mij ook onverenigbaar zou zijn met de in alinea 36 hiervóór aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad14.’15