Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.4.3.2
5.4.3.2 De opportuniteitstoets bij reguliere delicten en klachtdelicten
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946082:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.3 aangaande de verhouding tussen het vervolgingsmonopolie en h klachtvereiste.
Van Veen 1975, p. 331.
Corstens, Borgers, Kooijmans 2018, p. 81.
Stcrt. 2022 16129.
Meer precies onder sepotcode 03: niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een klacht bij een klachtdelict.
Zie bijvoorbeeld sepotcode 72: Vervolging in strijd met belang van benadeelde. Ter toelichting is onder meer gewezen op de situatie dat de benadeelde goede redenen naar voren brengt om geen vervolging in te stellen, dat de benadeelde liever niet in de openbaarheid wil komen en dat er niet een meer algemeen belang is dat vervolging vraagt. Onder sepotcode 73 (beperkte kring) wordt gewezen op de mogelijkheid dat een feit van beperkte ernst zich binnen een gezin heeft afgespeeld waardoor onvoldoende algemeen belang aanwezig is om strafvervolging te rechtvaardigen.
Boot 1885, p. 15-16.
Geelhoed 2013, p. 299.
Uit het voorgaande volgt dat het openbaar ministerie bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging oog heeft voor meer belangen dan waarmee de wetgever rekening houdt bij het aanwijzen van klachtdelicten. Voorts bleek dat het algemeen belang en het individueel belang van het slachtoffer in allebei die beoordelingen een rol speelt, maar dat de wetgever en het openbaar ministerie die factoren op uiteenlopende wijze benaderen. Er is daarmee geen direct verband tussen de beoordeling door de wetgever bij het aanwijzen van klachtdelicten en het oordeel van het openbaar ministerie aangaande de opportuniteit van de vervolging. Dit laat onverlet dat de toevoeging van een klachtvereiste maakt dat het openbaar ministerie die delicten niet vrijelijk kan vervolgen. Het klachtvereiste heeft daarmee zonder meer een beperkende werking op de vervolgingsvrijheid van het openbaar ministerie. De vraag is of die beperking gevolgen heeft voor de wijze waarop het opportuniteitsbeginsel toepassing vindt. Meer concreet gaat het dan om de vraag of het opportuniteitsbeginsel op dezelfde wijze toepassing vindt bij klachtdelicten als bij de overige delicten.
Daarbij gaat eerst aandacht uit naar bovenvermelde situatie waarbij ter zake een klachtdelict geen klacht is ingediend. De ontbrekende klacht staat er in dat geval aan in de weg dat het openbaar ministerie het klachtdelict vervolgt. Dit maakt echter niet dat het klachtvereiste gevolgen heeft voor de wijze waarop inhoudelijk toepassing wordt gegeven aan het opportuniteitsbeginsel. Het openbaar ministerie komt vanwege een niet vervuld klachtvereiste immers geheel niet toe aan toetsing van de opportuniteit van de vervolging. Eerder in dit hoofdstuk is dit geduid als de drempelfunctie van het klachtvereiste.1 Een niet-vervuld klachtvereiste leidt dus niet tot een inhoudelijk andere beoordeling van de opportuniteit van de vervolging, maar staat simpelweg aan een opportuniteitsoordeel in de weg.
De vraag die daarop volgt is hoe de opportuniteit van de vervolging van klachtdelicten wordt beoordeeld indien wél een klacht is ingediend. Het is niet ondenkbaar dat de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging in die situatie afwijkt van de opportuniteitstoets bij reguliere delicten. Zo wees Van Veen er in 1975 op dat het toekennen van een vervolgingsmonopolie veronderstelt dat een burger het recht kan laten plegen waartoe hijzelf de gelegenheid niet heeft. Dit betekent zijns inziens dat een burger die aangifte doet mag verwachten dat daarvan werk wordt gemaakt. Van Veen stelt daaropvolgend dat het doen van aangifte en klacht van een klachtdelict een bijzondere status heeft doordat de wetgever de klachtgerechtigde een bijzonder belang bij de vervolging heeft toegekend. Volgens Van Veen bestaat na ontvangst van een klacht voor het openbaar ministerie dan ook “nog minder speelruimte” om van vervolging af te zien. Hij acht het zelfs verdedigbaar dat het openbaar ministerie zich na ontvangst van een klacht in beginsel zou moeten beperken tot een toets van de haalbaarheid van de vervolging en dat vervolging in die situatie het uitgangspunt is. 2
Mijns inziens is de bovenvermelde redenering van Van Veen gemankeerd. Aan zijn zienswijze ligt de idee ten grondslag dat de wetgever de klachtgerechtigde een bijzondere positie ten aanzien van de vervolging heeft toegekend. Dat is juist, maar die positie is beperkter dan Van Veen voorspiegelt. De wetgever heeft immers slechts voorrang willen verlenen aan het belang dat het slachtoffer kan hebben bij het achterwege blijven van de vervolging. De wens van een klachtgerechtigde is daarmee slechts eenzijdig richtinggevend voor de vervolging, in die zin dat deze aan rechtshandhaving in de weg kan staan. De wetsgeschiedenis biedt geen aanknopingspunten voor de gedachte dat de wetgever de klachtgerechtigde een verderstrekkende invloed op de vervolgingsbeslissing heeft willen toekennen. Zo blijkt daaruit meer in het bijzonder niet dat een klacht meer gewicht in de schaal moet leggen bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging door het openbaar ministerie.
De vaststelling dat het openbaar ministerie er niet toe is gehouden om in het opportuniteitsoordeel een bijzonder (mogelijk zelfs doorslaggevend) gewicht toe te kennen aan een ontvangen klacht maakt mijns inziens overigens niet dat aan de aard van klachtdelicten geen betekenis kan toekomen bij de invulling van de opportuniteitstoets. Klachtvereisten worden immers toegevoegd aan delicten die hoofdzakelijk een individu treffen en die in de regel niet dusdanig ernstig zijn dat het algemeen belang steeds vervolging vraagt. Dit brengt met zich dat de belangen van het betrokken individu – vaker dan bij andere delicten – een belangrijke rol kunnen spelen bij de vaststelling van het algemeen belang waarop het openbaar ministerie de opportuniteit van de vervolging stoelt. Het is dus niet zozeer de ontvangst van een klacht die maakt dat het openbaar ministerie is gehouden meer waarde toe te kennen aan het standpunt van het slachtoffer, maar veeleer de aard van het delict die maakt dat het getroffen belang van het betrokken individu een meer centrale rol inneemt bij de invulling van het algemeen belang.
Het voorgaande maakt inzichtelijk dat het ontbreken van een klacht een vervolgingsbeletsel oplevert waardoor het openbaar ministerie niet toekomt aan een opportuniteitsoordeel. Tevens blijkt dat het opportuniteitsbeginsel in volle omvang werkt na de ontvangst van een klacht. In lijn met deze zienswijze is in het handboek aangaande het strafprocesrecht van Corstens, dat meer recent is bewerkt door Borgers en Kooijmans, vermeld dat de klacht slechts een voorwaarde voor vervolging met zich brengt. Deze auteurs onderschrijven daarnaast expliciet dat het opportuniteitsbeginsel na ontvangst van een klacht “in volle omvang” geldt.3
Steun voor deze zienswijze kan ook worden gevonden in het beleid dat het handelen van het openbaar ministerie – en meer in het bijzonder de vervolgingsbeslissing – normeert. Daarbij wordt gedoeld op de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden.4 In die Aanwijzing zijn gronden opgesomd die (mede) aanleiding kunnen geven om van vervolging af te zien. Daarbij wordt onderscheiden tussen technische sepotgronden en beleidssepotgronden. Technische sepotgronden zien op de haalbaarheidscomponent van de vervolgingsbeslissing en beleidssepotgronden geven invulling aan het algemeen belang op grond waarvan kan worden besloten om al dan niet te vervolgen. Daarmee raken alleen beleidssepots aan het opportuniteitsbeginsel. De Aanwijzing schrijft voor dat de beoordeling van de technische sepotgronden vooraf dient te gaan aan de beoordeling van de beleidsmatige sepotgronden. Dit betekent dat de haalbaarheid van de vervolging moet worden vastgesteld voordat de opportuniteit van die vervolging wordt beoordeeld. Het ontbreken van een klacht bij een klachtdelict is logischerwijs geschaard onder de technische sepotgronden. 5Deze beleidsregel schrijft daarmee expliciet voor dat het openbaar ministerie bij het ontbreken van een klacht niet aan een opportuniteitsafweging toekomt. Dit onderstreept dat het niet vervolgen van een klachtdelict vanwege het ontbreken van een klacht niet raakt het opportuniteitsbeginsel.
Daarnaast is het vermeldenswaardig dat deze Aanwijzing een categorie beleidssepotgronden bevat met de titel “Gronden samenhangende met de verhouding tussen verdachte en benadeelde.” Een deel van de daaronder opgesomde sepotgronden sluit nauw aan op de argumenten die redengevend zijn voor het toevoegen van een klachtvereiste. 6Dit maakt inzichtelijk dat het openbaar ministerie zich bij de beoordeling van de opportuniteit van de vervolging, ongeacht of deze ziet op een klachtdelict of een regulier delict, steeds rekenschap moet geven van de belangen die voor de wetgever redengevend zijn bij het aanwijzen van klachtdelicten. Boot beschreef in dit verband dat de wetgever zich bij het aanwijzen van klachtdelicten richt op de delicten waarbij een specifiek privaat belang bij niet-vervolging altijd voorrang verdient boven algemeen belang en dat het opportuniteitsbeginsel uitkomst moet bieden bij die delicten waarbij dat private belang slechts incidenteel die voorrang verdient. 7In vergelijkbare strekking stelde Geelhoed dat het opportuniteitsbeginsel flexibiliteit mogelijk maakt in gevallen waarin wettelijke regelingen onvoldoende uitkomst bieden.8 Het is verhelderend om de verhouding tussen het klachtvereiste en het opportuniteitsbeginsel vanuit dat perspectief te bezien.