Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht
Einde inhoudsopgave
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.6.3.1:6.6.3.1 Kwade trouw en een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt
Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148) 2016/6.6.3.1
6.6.3.1 Kwade trouw en een naar objectieve maatstaven pleitbaar standpunt
Documentgegevens:
dr. mr. M.M. Kors, datum 21-11-2016
- Datum
21-11-2016
- Auteur
dr. mr. M.M. Kors
- JCDI
JCDI:ADS566222:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De invulling van het begrip kwade trouw is zodanig vergelijkbaar met de invulling van het begrip opzet dat ik er vanuit het oogpunt van rechtseenheid van uitga dat het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt bij kwade trouw dezelfde invloed als bij opzetdelicten moet hebben.1
Eerder in dit hoofdstuk is geconcludeerd dat het pleitbare standpunt in twee situaties, de situaties beschreven in de paragrafen 6.3.1.1. en 6.3.1.2, geen rol hoeft te vervullen omdat de belastingplichtige een onjuiste aangifte heeft gewild, zonder dat hem een standpunt voor ogen stond of zonder te geloven dat het ingenomen standpunt pleitbaar was. De belastingkamer van de Hoge Raad lijkt hier in twee arresten over kwade trouw al bij te zijn aangesloten.2 In 2004 heeft de belastingkamer namelijk geoordeeld dat een pleitbaar standpunt slechts tot het ontbreken van kwade trouw leidt als de belastingplichtige op het moment van de, naar later blijkt, onjuiste informatieverstrekking is uitgegaan van dat pleitbare standpunt. Voorts heeft de belastingkamer zich in 2002 gebogen over een zaak waarin vast was komen te staan dat de belastingplichtige bij het doen van de aangifte bewust onjuiste informatie had verstrekt die, ook als het door hem ingenomen pleitbare standpunt juist zou zijn geweest, nog steeds onjuist was geweest. De belastingkamer heeft het oordeel van het hof dat het pleitbare standpunt niet aan vaststelling van kwade trouw in de weg hoeft te staan, bevestigd. Met deze arresten lijkt de invloed van het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt reeds in lijn te zijn met de uitgangspunten die in dit hoofdstuk worden gehanteerd.
In de situatie die in paragraaf 6.3.2.2 is beschreven zou het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt ook bij de vaststelling van kwade trouw geen rol hoeven te vervullen. Aan de hand van de invulling van het aanvaardingsvereiste die uit het eerste HIV-arrest volgt, heeft de belastingplichtige in deze situatie zijn onjuiste aangifte namelijk niet met voorwaardelijk opzet of, in het verlengde daarvan, niet te kwader trouw gedaan.
In de situatie die in paragraaf 6.3.2.1 is beschreven zou het pleitbare standpunt wel een rol moeten vervullen omdat de belastingplichtige heeft verondersteld dat hij een pleitbaar standpunt innam, maar zonder rol van het pleitbare standpunt ook voorwaardelijk opzettelijk of, in het verlengde daarvan, te kwader trouw heeft gehandeld. De invloed van het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt kan in deze laatstgenoemde situatie echter uitsluitend juridisch worden vormgegeven door aan de hand van een afwijkende invulling van het aanvaardingsvereiste, zoals hiervoor in de paragrafen 6.5.1 en 6.5.1.1 uitgewerkt, alsnog te concluderen dat kwade trouw ontbreekt. De strafuitsluitingsgronden zijn bij kwade trouw immers niet van toepassing.3
Hiermee blijft de invloed van het naar objectieve maatstaven pleitbare standpunt niet alleen in lijn met de uitgangspunten die in dit hoofdstuk worden gehanteerd, maar blijft er ook aansluiting bij de voorgestelde eenduidige juridische behandelingen.