De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.2.4:2.4 Concernrelaties en internationale verhoudingen
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.2.4
2.4 Concernrelaties en internationale verhoudingen
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS388886:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1977-1978, 13 954, nr. 122.
Honée 1981, p. 149.
Zie bijvoorbeeld HR 11 juli 1984, NJ 1985, 212; OK 2 april 1987, NJ 1988, 382; HR 26 januari 1994, NJ 1994, 545; HR 26 januari 2000, NJ 2000, 223; HR 1 maart 2002, NJ 2002, 295. Deze leer zal later in dit onderzoek aan de orde komen.
SER-advies Knelpunten, p. 59.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Bij de vormgeving van het adviesrecht van de ondernemingsraad heeft de wetgever specifiek oog gehad voor het besluitvormingsproces in (internationale) concernverhoudingen. Daarbij is gewezen op de verschillen in organisatiestructuur tussen concerns en de niveaus in het concern waarbinnen besluiten kunnen worden genomen:
“Bij concerns kan in het algemeen niet zo eenvoudig worden aangegeven waar de beslissingsbevoegdheid ligt. Enerzijds bestaan er aanzienlijke verschillen in organisatiestructuur tussen de verschillende concerns, waarbij de beslissingbevoegdheden in meerdere of mindere mate gedecentraliseerd zijn, anderzijds zullen dikwijls niet alle beslissingen met betrekking tot de in artikel 25, eerste lid, bedoelde aangelegenheden in een concern op hetzelfde niveau worden opgenomen. Denkbaar is bijvoorbeeld, dat in een concern de besluiten van artikel 25, eerste lid, onder a tot en met f, worden genomen door de directie van de moedervennootschap en de besluiten van artikel 25, eerste lid, onder g, h en i, door de directie van de dochtervennootschap.”1
De wetgever heeft een afweging gemaakt tussen het belang van het internationale concern om een uniform concernbeleid te kunnen doorvoeren en het belang van medezeggenschap van de werknemers over die besluitvorming. Daarbij heeft de wetgever het belang van de werknemers doelbewust het zwaarst willen laten wegen, waarbij als volgt werd overwogen:
“Bovendien gaat het in de artikelen 25 en 30 van de Wet op de ondernemingsraden slechts om adviesbevoegdheden van de ondernemingsraad. Wanneer het concernbeleid door het volgen van het advies van de ondernemingsraad in gevaar zou komen, kan de concerntop gemotiveerd van dat advies afwijken. De ondernemingsraad kan zich in dat geval nog slechts voor marginale toetsing van het betrokken besluit tot de Ondernemingskamer van het Gerechtshof in Amsterdam wenden, die dan zou moeten beslissen of de ondernemer (d.w.z. de Nederlandse dochtervennootschap) bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid meer gewicht had mogen toekennen aan het uniforme concernbeleid dan aan het advies van de Nederlandse ondernemingsraad. Ten aanzien van een besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder heeft de ondernemingsraad deze beroepsmogelijkheid niet. Wij vestigen er nog eens de aandacht op, dat het advies altijd gevraagd moet worden door tussenkomst van de bestuurder van de Nederlandse onderneming, ook als het besluit in feite wordt genomen door de buitenlandse moedermaatschappij. Deze moedermaatschappij neemt het besluit namelijk in haar hoedanigheid van grootste aandeelhoudster van de Nederlandse dochtervennootschap. De bestuurder van de dochtervennootschap dient het advies dan uiteraard door te zenden aan de moedermaatschappij. (…)
Wij zijn er dan ook geenszins bevreesd voor, dat Nederland als vestigingsplaats voor dochters van internationale concerns minder aantrekkelijk zou worden door de adviesbevoegdheden van de ondernemingsraad, genoemd in de artikelen 25 en 30 van het wetsontwerp.”2
Deze passages zijn om verschillende redenen van belang. In de eerste plaats wordt een afweging gemaakt tussen het toekennen van de specifieke bevoegdheden aan de Nederlandse ondernemingsraad over advisering in belangrijke strategische aangelegenheden en het belang van het Nederlandse vestigingsklimaat. In die afweging werd de systematiek van de Nederlandse medezeggenschap, ook in internationale (concern)verhoudingen, niet als schadelijk voor ons vestigingsklimaat gezien.
In de tweede plaats wordt duidelijk gemaakt dat er opzettelijk verschil bestaat tussen de bevoegdheden van artikel 25 WOR en de adviesbevoegdheid over benoeming en ontslag van de bestuurder ingevolge artikel 30 WOR. Dat onderscheid is ontstaan doordat tijdens de behandeling van de WOR 1979 in de Tweede Kamer een amendement, dat ertoe strekte het beroepsrecht van toepassing te doen zijn op het besluit tot benoeming of ontslag van een bestuurder van een onderneming, was verworpen.3 Dit onderscheid tussen de in artikel 25 en artikel 30 WOR genoemde besluiten is bij de behandeling in de Eerste Kamer uitdrukkelijk gehandhaafd.
In de derde plaats worden over de besluitvorming in concerns opmerkingen gemaakt die niet onmiddellijk voor eenduidige interpretatie vatbaar zijn. Honée trok uit de genoemde passages de conclusie dat hierin de gedachte besloten ligt dat voor toepassing van artikel 25 de besluitvorming van de moedervennootschap wordt gerekend tot de ondernemingssfeer van de dochtervennootschap.4 Zijn bezwaar richtte zich tegen de gedachte dat handelingen en beslissingen van de moeder zouden kunnen gelden als handelingen en beslissingen van de dochter. In die passage wordt immers gesuggereerd dat het mogelijk is dat besluiten worden genomen door het bestuur van de moedervennootschap in haar hoedanigheid van grootste aandeelhoudster van de dochtervennootschap, en dat deze besluiten dan door tussenkomst van de bestuurder van de dochter aan de ondernemingsraad moeten worden voorgelegd. Deze concernrechtelijke interpretatie van de WOR zou volgens Honée moeten worden verworpen, omdat ze zich niet zou verdragen met de beginselen van het vennootschapsrecht.
In de aangehaalde passages zie ik primair een bevestiging van de hoofdregel dat het systeem van medezeggenschap zo werkt dat de ondernemer zelf moet besluiten of hij het concernbeleid kan uitvoeren en dit meeweegt tegen de andere bij de vennootschap betrokken belangen. Op het moment dat dit voorgenomen besluit voorligt, ontstaat de adviesplicht voor de ondernemingsraad. Daarnaast lijken de overwegingen van de wetgever echter inderdaad enige ruimte te bieden voor een afwijking van die regel in die situatie waarin beslissingen ‘in feite’ al zijn genomen door de moeder en van wezenlijke invloed op het niveau van de dochtervennootschap geen sprake meer kan zijn. Wanneer dan beslissingen van de moeder (als – grootste – aandeelhoudster) moeten gelden als beslissingen van de dochter, komt men bij overwegingen die dicht liggen tegen de leer van toerekening of medeondernemerschap zoals die later is ontwikkeld,5 die daarmee enige steun lijkt te vinden in de parlementaire geschiedenis van de WOR.
Bij de informatievoorziening aan de ondernemingsraad in internationale concerns constateerde de SER6 een lacune, die door de wetgever niet is opgevuld. Die lacune was gelegen in het gegeven dat de moedervennootschap niet verplicht is ervoor te zorgen dat de dochtervennootschap haar verplichtingen jegens de ondernemingsraad integraal naleeft. De SER verwachtte dat de rechter de dochtervennootschap in een eventuele juridische procedure niet verantwoordelijk zou houden voor het niet nakomen van haar medezeggenschapsverplichtingen indien dit zou worden veroorzaakt doordat de moedervennootschap haar medewerking weigerde. De ondernemingsraad zou wel mogelijkheden hebben om van de moeder informatie af te dwingen wanneer het zou gaan om adviesplichtige besluiten. Langs die weg zou een indirecte druk op de moedervennootschap ontstaan om de dochter in staat te stellen de adviesprocedure te voltooien. Die mogelijkheid zou echter niet aanwezig zijn in situaties waarin de moeder weigert de dochtervennootschap in staat te stellen haar algemene informatieverplichtingen jegens de ondernemingsraad na te komen. Een oplossing zou te vinden kunnen zijn door in de WOR op enigerlei wijze de Nederlandse moedervennootschap te verplichten ervoor te zorgen dat de dochter in staat is jegens de ondernemingsraad haar medezeggenschapsverplichtingen in acht te nemen. Daarmee zou echter geen oplossing bestaan voor situaties waarin de moedervennootschap een buitenlandse rechtspersoon is. Door die aanvulling in de WOR zou dus een onderscheid ontstaan tussen multinationale concerns met een topholding in het buitenland en multinationale concerns met een concerntop in Nederland. Dit onderscheid achtte de SER ongewenst. Dit probleem zou alleen via internationaal recht kunnen worden opgelost.