Einde inhoudsopgave
Rechten van polishouders bij portefeuilleoverdracht, juridische fusie en juridische splitsing door verzekeraars (O&R nr. 148) 2024/3.2
3.2 Bij toepassing van de toezichtrechtelijke route is sprake van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW zonder dat medewerking van polishouders vereist is
mr. A.M.M. Menken, datum 01-01-2024
- Datum
01-01-2024
- Auteur
mr. A.M.M. Menken
- JCDI
JCDI:ADS950476:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1962/63, 6545, nr. 5, p. 5 (MvA): “De vraag of in hoofdstuk V sprake is van schuldoverneming of novatie, zouden de ondergetekenden, mede gezien het feit dat in de literatuur schuldoverneming ook wel als een vorm van novatie wordt beschouwd, liever onbeantwoord laten. Veeleer wordt gedacht aan de figuur van contractsoverneming.”
In Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 37 (MvT) met betrekking tot art. 119 Wtv 1993 staat: “Tenslotte is de in het eerste lid gekozen formulering afgestemd op de in artikel 159 van Boek 6 van het BW opgenomen regeling betreffende de contractsoverneming, waardoor niet meer wordt gesproken van «schriftelijk» maar van «bij akte».” Art. 119 Wtv 1993 in het wetsvoorstel betrof art. 121 in de uiteindelijke Wtv 1993 over de overdracht van schadeverzekeringen. Op pagina 40 van deze Kamerstukken wordt vervolgens voor een nadere toelichting op de artikelen 127 tot en met 139 van dit wetsvoorstel ter zake van de overdracht van levensverzekeringen verwezen naar de toelichting bij artikel 119. Dit betrof art. 129-141 van de uiteindelijke Wtv 1993.
Parlementaire geschiedenis BW Boek 6 1981, p. 584.
Van den Broeke, Het Verzekerings-Archief 1995, afl. 2, p. 60-61; Clausing, Het Verzekerings-Archief 2001, afl. 2, p. 78; Boshuizen 2001, p. 263; Van Rijssen 2006, p. 155-159; Huizingh 2016, p. 73-74; Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012/116; Van Wijk en De Haan 2016, p. 185.
Hijma en Olthof 2020/323 en 324.
Zie de hiervoor genoemde Kamerstukken II 1992/93, 23199, nr. 3, p. 37. Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 29708, nr. 10, p. 297: “Een verschil met artikel 129, eerste lid, van de Wtv 1993 is dat in het eerste lid (en de daarmee overeenkomende leden) niet meer de woorden ‘en bij akte’ zijn opgenomen. Immers, op grond van artikel 3:116 kan in de algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat bij de aanvraag de ontwerpakte moet worden bijgevoegd.” De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft. Op grond van artikel 2 daarvan dient bij een aanvraag ter verkrijging van de instemming van DNB een ontwerpovereenkomst te worden gevoegd. De zinsneden in deze Kamerstukken zijn een duidelijke aanwijzing dat in geval van een portefeuilleoverdracht met toepassing van §3.5.1a.1 Wft het vereiste van een akte zoals vermeld in art. 6:159 BW wel degelijk nog geldt. De Kamerstukken uit 2005/06 zijn een duidelijke aanwijzing dat de ontwerpovereenkomst die op grond van artikel 2 bij een aanvraag ter verkrijging van de instemming van DNB moet worden gevoegd tevens beschouwd kan worden als de akte in de zin van art. 6:159 BW.
Anders Van Rijssen, WPNR 2008/6762, p. 566.
Art. 156 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zie voor nadere informatie over de vraag wanneer een geschrift als een onderhandse akte in de zin van dit art. 156 lid 1 kan worden gekwalificeerd HR 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:641, NJ 2019/188; JIN 2019/127, m.nt. A.C.Y. Verboogen (Egelinck B.V.). De Hoge Raad oordeelde onder meer dat art. 156 lid 1 ook ziet op een meer bladzijden tellend stuk dat uitsluitend aan het slot daarvan is ondertekend. De uitspraak heeft tevens betrekking op de vraag op wie de bewijslast rust als de echtheid van een onderhandse akte wordt betwist.
Huizingh 2016, p. 123. Zij vult dat daar wel aan met de opmerking dat de akte van contractsoverneming niet in één enkel document hoeft te zijn vervat. Het zou volgens haar ook kunnen voorkomen dat de akte samen te stellen valt uit twee op elkaar aansluitende akten.
Huizingh 2016, p. 124-128.
Besluit van 12 oktober 2006, houdende regels met betrekking tot verscheidene bijzondere prudentiële maatregelen, het beleggerscompensatie- en het depositogarantiestelsel op grond van de Wet op het financieel toezicht (Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft) (Staatsblad 2006, 507).
In voetnoot 14 van Boshuizen en Jager 2010, p. 234 wordt gesteld dat de ontwerpovereenkomst zoals bedoeld in art. 2 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft een overdrachtsakte als bedoeld in art. 3:95 BW betreft. Ook in voetnoot 64 en 81 (Boshuizen en Jager 2010, p. 248 en p. 252) spreken zij over een akte als bedoeld in art. 3:95 BW. Dit wetsartikel bepaalt dat buiten de in de artikelen 3:89-94 BW geregelde gevallen en behoudens het in de artikelen 3:96 en 3:98 BW bepaalde, goederen worden geleverd door een daartoe bestemde akte. In het geval van toepassing van art. 6:159 BW is geen sprake van levering van een goed in de zin van art. 3:95 BW. De literatuur over contractsoverneming gaat ervan uit dat het een verbintenisrechtelijke rechtsfiguur betreft. De bepalingen over overdracht van goederen zijn niet van toepassing. Zie Van Rijssen 2006, p. 187 en 228-229; Van Rijssen, WPNR 2008/6762, p. 566; Huizingh 2016, p. 341; De Jong, Krans en Wissink 2018, p. 270; Wibier 2020, p. 65-66; Asser/Sieburgh 6-II 2021/309 en 311; Mellema-Kranenburg, in: GS Verbintenissenrecht, art. 6:159 BW, aant. 3.1. Ook uit de voorbeelden in de toelichting op art. 3:95 BW in Hijma en Olthof 2020/131 is af te leiden dat art. 3:95 BW niet bedoeld is te gelden voor rechtsverhoudingen of rechtsvorderingen.
Huizingh 2016, p. 127.
Huizingh 2016, p. 127-128.
Zie Van Rijssen 2006, p. 187; Huizingh 2016, p. 344; De Jong, Krans en Wissink 2018, p. 270; Hijma en Olthof 2020/323 en 324; Asser/Sieburgh 6-II 2021/309 en 311.
Huizingh 2016, p. 100; Wibier 2020, p. 65-66.
Dat we in het geval van toepassing van de regeling van de portefeuilleoverdracht zoals beschreven in §3.5.1a.1 Wft, uit kunnen gaan van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW, valt in de eerste plaats af te leiden uit de parlementaire geschiedenis van de toezichtwetgeving voor verzekeraars. Daarin wordt ten aanzien van de regeling van portefeuilleoverdracht expliciet gerefereerd aan de regeling in het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot contractsoverneming. De eerste expliciete vermelding van het leerstuk van contractsoverneming is in 1962 opgenomen in de Memorie van Antwoord bij de Wet op het schadeverzekeringsbedrijf.1 In de Memorie van Toelichting bij de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993 is een expliciete verwijzing naar de regeling van contractsoverneming in art. 6:159 BW opgenomen.2
Ten tweede valt dit ook af te leiden uit de parlementaire geschiedenis van Boek 6 BW.3 Bij de invoering van het “nieuw” Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992 is contractsoverneming in de wet (art. 6:159 BW) geregeld. In het “oud” Burgerlijk Wetboek was een dergelijk artikel nog niet opgenomen. In de toelichting bij art. 6:159 BW wordt opgemerkt dat contractsoverneming tot dat moment slechts incidenteel in de wetgeving was geregeld “voor enkele bijzondere gevallen, waarin hetzij de wet de overgang van de rechtsverhouding tot de wederpartij automatisch verbindt aan de overdracht van een goed waarop de overeenkomst betrekking had, hetzij een contractsoverneming ook zonder de krachtens het ontwerp (artikel 14 lid 1) nodige medewerking van de wederpartij tot stand kan komen onder toezicht van de overheid ”. Voor wat betreft de tweede variant wordt dan expliciet naar de regeling van de portefeuilleoverdracht in de Wet op het levensverzekeringbedrijf 1923 verwezen.
Ten derde wordt er ook in juridische literatuur met betrekking tot portefeuilleoverdrachten van uitgegaan dat sprake is van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW, zonder dat medewerking van de polishouder is vereist.4
Consequenties
De constatering dat er sprake is van contractsoverneming heeft mijns inziens als belangrijkste consequentie dat we ons aan de hand van art. 6:159 BW en de juridische literatuur en jurisprudentie over contractsoverneming een oordeel kunnen vormen welke rechten en verplichtingen door de portefeuilleoverdracht overgaan op de verkrijgende verzekeraar. Contractsoverneming is de overdracht van een gehele rechtsverhouding. Zij heeft overgang van alle tot die rechtsverhouding behorende rechten en verplichtingen tot gevolg.5 Zie hiervoor verder hoofdstuk 3.4 van dit proefschrift.
Deze constatering leidt ten tweede tot een antwoord op de vraag welke schriftelijke vastlegging vereist is. Dit vraagstuk wil ik hier nu eerst behandelen.
Art. 6:159 BW bevat twee vereisten voor een rechtsgeldige contractsoverneming: medewerking van de wederpartij en een akte. In de in voetnoot 5 genoemde literatuur wordt ervan uitgegaan dat de instemming van DNB in de plaats komt van de medewerking van de wederpartij. Dat impliceert dat het vereiste van een akte blijft bestaan.6 De regeling van de portefeuilleoverdracht derogeert dus niet aan het vereiste van een akte.7 Een akte blijft wel een vereiste. Een akte is een ondertekend geschrift, bestemd om tot bewijs te dienen.8
De juridische literatuur en jurisprudentie over contractsoverneming geeft inzicht in wat onder een akte in de zin van art. 6:159 BW moet worden verstaan. Voor contractsoverneming is geen authentieke9 of notariële akte vereist, een onderhandse akte10 volstaat. Er moet een tussen overdrager en overnemer opgemaakte akte zijn. Huizingh leidt in haar proefschrift uit de woorden “een tussen haar en de derde opgemaakte akte” in art. 6:159 BW af dat de akte van contractsoverneming tweezijdig moet zijn. Beide partijen (dus zowel overdrager als overnemer) moeten deze ondertekenen.11 Zij zet in haar proefschrift vervolgens uiteen dat aan de bewoordingen van de akte van contractsoverneming meestal geen hoge eisen worden gesteld. Ook een overeenkomst met de verklaring van de overdragende partij dat hij zich verbindt een bepaalde rechtsverhouding over te dragen en een daarmee corresponderende verklaring van de verkrijgende partij kan als een akte in de zin van art. 6:159 BW worden beschouwd.12
Op grond van art. 2 van het Besluit bijzondere prudentiële maatregelen, beleggerscompensatie en depositogarantie Wft13 dient bij een aanvraag ter verkrijging van de instemming van DNB een ontwerpovereenkomst te worden gevoegd. Naar mijn mening kan de uiteindelijk ondertekende versie van deze overeenkomst tevens beschouwd worden als de akte in de zin van art. 6:159 BW.14 In de praktijk zal dit gaan om de activa-passiva overeenkomst. In deze ontwerpovereenkomst zal meestal bepaald zijn dat de overdragende partij de verzekeringsportefeuille na het verkrijgen van instemming van DNB aan de verkrijgende partij overdraagt. Nu daar de wil van partijen duidelijk uit blijkt, is dat naar mijn mening voldoende om de uiteindelijk door beide partijen ondertekende overeenkomst tevens als de akte in de zin van art. 6:159 BW te kwalificeren.
De akte moet een voldoende duidelijke omschrijving bevatten van de over te nemen rechtsverhoudingen.15 Dat betekent niet dat het noodzakelijk is om een gedetailleerde omschrijving van de verzekeringsportefeuille op te nemen. Het gaat erom dat aan de hand van de akte bepaalbaar moet zijn welke rechtsverhoudingen in de contractsoverneming zijn betrokken.16 Een algemene aanduiding van de verzekeringsportefeuille, zoals ook opgenomen zal zijn in de advertenties in de Staatscourant, is in beginsel voldoende. Desalniettemin worden in de praktijk aan de overeenkomst vaak wel overzichten met (ranges van) polisnummers gehecht, al dan niet op een elektronische gegevensdrager.
Bij due diligence onderzoeken in het kader van de overname van een verzekeraar wordt ook altijd een onderzoek ingesteld naar fusies en overnames (“mergers and acquisitions”) door die verzekeraar in de drie of vijf jaar voorafgaand aan de voorgenomen transactie. Ook de juridische documentatie van activa-passiva transacties waarbij portefeuilles zijn verworven, wordt dan bekeken. Na overlegging van de activa-passiva overeenkomst volgt dan geregeld de vraag om de “leveringsakte” van de verworven verzekeringsportefeuille te overleggen. Mijns inziens ligt in die vraag een onjuiste rechtsopvatting besloten. Het lijkt alsof er dan van wordt uitgegaan dat de akte en medewerking van art. 6:159 BW als een leveringsvereiste moeten worden beschouwd en dat de activa-passiva overeenkomst moet worden gezien als de titel die op grond van art. 3:84 BW17 vereist is voor rechtsgeldige overdracht van een goed. Art. 6:159 BW moet echter gezien worden als een op zichzelf staand artikel. Anders dan bij de levering van een vorderingsrecht op naam (“cessie”) waarbij voor de rechtsgeldige levering van de vordering inderdaad een onderliggende titel nodig is,18 zijn voor een rechtsgeldige contractsoverneming alleen een akte en medewerking noodzakelijk. De contractsoverneming is niet een complex van cessie en schuldoverneming.19 In geval van contractsoverneming is geen titel als bedoeld in art. 3:84 lid 1 BW vereist.20