Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.4.2:4.4.2 De Aanvullingswet 1995
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.4.2
4.4.2 De Aanvullingswet 1995
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296737:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.4.1.
Wel werd aan art. 6:181, naar het voorbeeld van art. 6:181 lid 2, een specifiek op gevaarlijke stoffen toegesneden nieuw lid 3 toegevoegd.
Of art. 6:175 hiermee op het gebied van de aansprakelijke personen ook werkelijk tot van art. 6:181 afwijkende uitkomsten leidt, komt aan de orde in par. 6.6.4 en 6.7.
Zodoende komt ook hier de exclusieve werking van art. 6:181 ten opzichte van art. 6:173, 174 en 179 naar voren. Zie nader par. 3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van de totstandkoming van de Aanvullingswet 1995 is wederom ingegaan op de aansprakelijke persoon in geval van schade door de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken. Vermeld wordt dat de aansprakelijkheid:
‘bij wijze van hoofdregel op de bezitter [wordt] gelegd. Maar voor het in de praktijk belangrijkste geval dat de zaak wordt gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, rust de aansprakelijkheid krachtens [art. 6:181] op degene die dit bedrijf uitoefent.’1 (curs. AK)
In het systeem van art. 6:173, 174, 179 en 181 wordt de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker – en niet die van de bezitter – als meest belangrijk gezien. Vermeldenswaard is dat in de toelichting hierbij nog aangetekend wordt dat het begrip ‘gebruik’ in de zin van art. 6:181 ‘ruim moet worden opgevat’.2 Hier komt wederom een scherpe tegenstelling met art. 1404 OBW (dieren) naar voren: anders dan de aansprakelijkheid van de gebruiker ex art. 1404 OBW, is de aansprakelijkheid van de gebruiker ex art. 6:181 géén uitzondering van slechts praktisch geringe betekenis. Toch bezigt de toelichting in de zojuist weergegeven passage eveneens de term ‘hoofdregel’ in relatie tot de bezitter uit art. 6:173, 174 en 179. Ook hier zou de lezer op het spoor gezet kunnen worden van in uitgangspunt een aansprakelijkheid van de bezitter, waarop de persoon van bedrijfsmatige gebruiker een, weliswaar belangrijke, uitzondering maakt. Nu is echter (eveneens) verwarrend dat ervan wordt gesproken dat ‘bij wijze van’, en kennelijk dus niet daadwerkelijk, de aansprakelijkheid van de bezitter ‘hoofdregel’ is. Dat de hoofdregel in werkelijkheid inderdaad niet door de aansprakelijkheid van de bezitter maar door die van de gebruiker ex art. 6:181 wordt gevormd, zou aansluiten bij de passage in de toelichting dat het ‘in de praktijk belangrijkste geval’ de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker betreft. Overigens is tevens niet uit te sluiten dat waar in de zojuist weergegeven passage de aansprakelijkheid van de bezitter ‘hoofdregel’ wordt genoemd, daarbij niet zozeer werd gedacht aan de verhouding met art. 6:181 maar – wederom –3aan de relatie met de ‘bijzondere’ personen waarvoor de bezitter inwisselbaar is. Ten opzichte van hun aansprakelijkheid vormt die van de bezitter namelijk wel de ‘hoofdregel’. Hoewel de precieze verhouding tussen de bezitter en bedrijfsmatige gebruiker aan de hand van voornoemd citaat uit de toelichting op de Aanvullingswet 1995 dus moeilijk valt te doorgronden, wordt wel duidelijk dat de gedachten over de aansprakelijke persoon op het gebied van de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde zaken vooral uitgingen naar de in art. 6:181 genoemde bedrijfsmatige gebruiker.
Dat de aansprakelijkheid ex art. 6:181 ten opzichte van de bezittersaansprakelijkheid uit art. 6:173, 174 en 179 inderdaad ‘voorop’ staat, vindt adstructie in een latere passage uit de toelichting op de Aanvullingswet 1995. Het betreft de totstandkoming van art. 6:175, dat in 1995 aan afd. 6.3.2 BW werd toegevoegd.
Aanvankelijk werd voorgesteld – in lijn met het reeds per 1992 ingevoerde regime van art. 6:173, 174, 179 en 181 – de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen ex art. 6:175 en 181 te leggen bij de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker. Omdat men een kwalitatieve aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen in de particuliere sfeer uiteindelijk te ver vond gaan, werd de bezittersaansprakelijkheid geschrapt. In plaats van op de bezitter legde het aangepaste lid 1 van art. 6:175 de aansprakelijkheid bij de beroeps- of bedrijfsmatige gebruiker van de stof. De gevaarlijke stoffen verdwenen voorts uit het aanvankelijk voorgestelde aangepaste art. 6:181 lid 1 en 2.4 Deze wijziging van de aansprakelijke persoon op het gebied van de gevaarlijke stoffen werd als volgt toegelicht:
‘De nu voorgestelde nieuwe aanhef van artikel 175 lid 1, eerste lid neemt in hoofdzaak de formulering over van artikel 181 dat de aansprakelijkheid betreft van degene die de stof in de uitoefening van zijn bedrijf gebruikt. Deze formulering behoeft echter enige aanvulling, nu in de nieuwe redactie de algemene aansprakelijkheid van de bezitter niet langer als vangnet kan dienen.’5 (curs. AK)
In de ‘oude’ redactie van art. 6:175 werd de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen nog geregeld in overeenstemming met het voor de in art. 6:173, 174, 179 en 181 bedoelde zaken geldende regime, met als aansprakelijke personen de bezitter of bedrijfsmatige gebruiker. In de ‘nieuwe’ redactie van art. 6:175 viel deze bezittersaansprakelijkheid weg, hetgeen voor de minister aanleiding was in art. 6:175 een ruimere omschrijving van de aansprakelijke persoon op te nemen dan de (enkele) term ‘bedrijf’ zoals in art. 6:181.6 Wat hierbij duidelijk wordt, is dat de minister de bezittersaansprakelijkheid van art. 6:173, 174 en 179 – alsook in de ‘oude’ redactie van art. 6:175 – in de verhouding met art. 6:181 als ‘vangnet’ ziet. Met andere woorden, de persoon van de bezitter komt pas in beeld zodra een bedrijfsmatige gebruiker ontbreekt.7
Mijn analyse laat tot nu toe zien dat in het stelsel van art. 6:173, 174, 179 en 181 niet de aansprakelijkheid van de bezitter maar die van de bedrijfsmatige gebruiker ‘voorop’ staat. Pas wanneer van een bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181geen sprake is, valt men terug op de ‘achterliggende’ bezittersaansprakelijkheid, die dienst doet als ‘vangnet’. In gevallen waarin een bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 ontbreekt, geldt de aansprakelijkheid van de bezitter als ‘hoofdregel’, waarop uitzonderingen bestaan in de vorm van de aansprakelijkheid van een aantal ‘bijzondere’ personen waarvoor de bezitter inwisselbaar is.