Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.2.2
3.2.2 Stilzwijgend recht van pandgebruik (antichresis tacita)
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264471:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1404-1405 (ad D. 13,7,22,2), p. 1907-1908 (ad D. 20,2,8) en p. 1929-1930 (ad D. 20,5,12,1); Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Infortiatum, p. 1837-1838 (ad D. 36,4,5,21); Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Novum, p. 1113-1114 (ad D. 46,1,59); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2), p. 2097-2098 (ad C. 8,14(13),9) en p. 2135-2136 (ad C. 8,25(24),2); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,11,2 en D. 20,2,8; Bartolus, In secundam digesti infortiati, ad D. 36,4,5,21; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.30 en 5.5.1-5.5.2 en 7.3.7; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 395-396 (ad C. 4,32,11(12)).
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 16 (ad C .4,24) en p. 19-22 (ad C. 4,24,1-4,24,2). Dat Donellus op deze plaats stelde dat de vruchten en het nut van het onderpand uiteindelijk ten goede diende te komen aan de pandgever, doet aan de bevoegdheid en de verplichting van de crediteur tot gebruik en vruchttrekking niet af. Het geeft slechts aan dat antichresis tacita volgens Donellus een aflossingsfunctie had, waarover meer in §3.4.1. Zie voorts Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1899-1890 (ad D. 20,1,23); Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 893-894 (ad C. 4,24,2); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,11,3; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.30; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 21-22 (ad C. 4,24,3).
Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 22 (ad C. 4,24,3).
Accursius, Glossa Ordinaria, Codex Justinianus, p. 894 (ad C. 4,24,3). Vgl. Heusler 1886, p. 201-203.
De pandhouder gold als bezitter (possidet naturaliter et civiliter); dit bezit oefende hij echter uit ten nutte van de pandgever (ad utilitatem tamen debitoris). Dit bracht mee dat het verjaringsbezit bleef bij de pandgever: Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.34.
Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 9.1.
Heusler 1886, p. 143 en 203; Génestal 1901, p. 30 en 47; Landwehr 1967, p. 319-320; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 345-346; Brühwiler 1984a, p. 684; Brühwiler 1984b, p. 1119-1120.
Heusler 1886, p. 143. Dass die Nutzung dem Gläubiger zufiel, war die notwendige Consequenz der Uebergabe (sic) des Guts in seine Gewere. Zie ook Heusler 1886, p. 203; Planitz 1982, p. 60-66; Landwehr 1967, p. 319-320.
Vgl. Godding 1987, p. 367.
Eigen vertaling van het woord redimere.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 375-376. Nos iudex et scabini in Herderwijc notum facimus universis presentia visuris, et protestamur, quod Theodericus de Omere, iudex Velue, coram nobis constitutis, exposuit decano et capitulo ecclesie beate Marie Traiectensis, sub titulo pignoris, bona in Osterowic, que habuit ab ecclesia beate Marie Traiectensis, que quondam fuerunt Vulvini, pro XXX libris Traiectensibus legalium denariorum pecunie numerate et sibi persolute, donec perdictus Th. vel sui heredes, ipso defuncto, dicta bona redimere voluerint; hoc licite possunt facere, sed non alio tempore singulis annis nisi in Cathedra beati Petri, et hoc fiet coram scabinis in Harderwijc.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 375-376.
Een recht van pandgebruik kwam van rechtswege tot stand als de zekerheidsgerechtigde een recht van vuistpand kreeg op een zaak met gebruikswaarde. De vuistpandhouder was dan van rechtswege bevoegd en verplicht de natuurlijke en burgerlijke vruchten van het onderpand te trekken en de gebruikshandelingen te verrichten die daartoe noodzakelijk waren.1 Hij was bevoegd om met het onderpand alle handelingen te verrichten die nut (commodum) opleverden.2 Hij mocht een akker bewerken om later de vruchten van de akker te oogsten.3 De pandgebruiker was niet van rechtswege bevoegd het onderpand te gebruiken indien het onderpand door gebruik in waarde zou dalen, bijvoorbeeld door slijtage.4
Volgens Donellus had het stilzwijgende recht van pandgebruik de volgende dogmatische verklaring. De vuistpandhouder had twee rechten: het recht het onderpand onder zich te houden en het recht het onderpand bij verzuim van de schuldenaar executoriaal te verkopen. Als de pandhouder het onderpand onder zich had, gold hij als bezitter, in de zin dat hij de feitelijke heerschappij over het onderpand uitoefende.5 Hieruit vloeide voort dat de pandhouder bevoegd en verplicht was de vruchten van het onderpand te trekken en daartoe het onderpand te gebruiken.6 Deze verklaring van Donellus vond niet alleen navolging in het geleerde Romeinse recht, maar ook in inheemse rechtsstelsels.7 In ‘Germaanse’ rechtsstelsels trad een recht van pandgebruik bijvoorbeeld stilzwijgend in werking door het enkele feit dat de schuldeiser het onderpand in zijn feitelijke heerschappij (Gewere) kreeg.8 In de rechtspraktijk duidde de term pignus in een akte dan ook vaak stilzwijgend de vestiging een recht van pandgebruik aan.9 Een voorbeeld van zo’n akte is de verpanding van enkele goederen bij Osterowic (thans Epe, Gelderland):
“Wij, rechter en schepenen in Harderwijk, delen allen die deze akte zullen zien, mede, en maken bekend, dat Theodericus de Omere, rechter van de Veluwe, voor ons verschenen zijnde, aan deken en kapittel van de kerk van St. Marie te Utrecht, als pand heeft gesteld de goederen in Osterowic, die hij van deze kerk in leen houdt, welke vroeger waren van Vulvinus, voor 30 pond Utrechts, wettig geld, hem gesteld en betaald, totdat genoemde Theodericus of na zijn overlijden, zijn erven, deze goederen willen lossen10 voor genoemde som van 30 pond. En als hij of zijn erven deze goederen willen lossen, is hen dat geoorloofd, maar elk jaar niet op andere dagen dan op St. Petrus in Cathedra en wel voor de schepenen van Harderwijk.”11
In de akte werd een pandrecht gevestigd, maar nergens werd een gebruiksbevoegdheid genoemd. Toch kwalificeerde Cerutti deze akte als een akte van pandgebruik.12