Eigendomsvoorbehoud
Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/1.1:1.1 Introductie van en aanleiding tot het onderzoek
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/1.1
1.1 Introductie van en aanleiding tot het onderzoek
Documentgegevens:
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS400817:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 384.
Zie over het belang van het beding voor beide partijen, hierna in hoofdstuk 2, paragraaf 2.6.
Zie hierna in hoofdstuk 9, paragraaf 9.5.
Zie hierna in hoofdstuk 2, paragraaf 2.3.
Zwalve 2006, p. 201-202, Struycken 2007, p. 568-569 en Wibier 2016, p. 209-215.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het rechtsverkeer met betrekking tot roerende zaken is een ‘massaal gebeuren’.1 Dagelijks worden talloze koopovereenkomsten gesloten, op grond waarvan vele zaken van eigenaar wisselen. Bij een zodanig massaal gebeuren is het van groot belang dat de afwikkeling van dergelijke koopovereenkomsten voor beide partijen met zo min mogelijk risico’s gepaard gaat. Voor de verkoper betekent dit in het bijzonder dat hij zijn eigendomsrecht slechts wil verliezen indien en zodra de koper de verschuldigde koopprijs aan hem voldoet. Omgekeerd wenst de koper de koopprijs pas te voldoen op het moment dat hij ook eigenaar wordt van de verkochte zaak. Indien partijen elkaar fysiek treffen, zoals in een winkel, kan aan deze belangen eenvoudig worden tegemoetgekomen door middel van een gelijktijdige uitwisseling van de verkochte zaak en de verschuldigde koopprijs.
In veel gevallen komt het echter niet tot een gelijktijdige uitwisseling van de wederzijdse contractuele prestaties. Wanneer de verkoper en de koper elkaar niet fysiek treffen om de koopovereenkomst tot uitvoering te brengen, loopt de voldoening van de verschillende contractuele verplichtingen veelal niet parallel. In een zodanig geval zal een van beide partijen als eerste dienen te presteren. Ook voorstelbaar is dat gelijktijdige uitwisseling van de wederzijdse prestaties weliswaar mogelijk is, maar partijen desondanks iets anders overeenkomen. In het bijzonder doet zich dit voor indien de koper niet in staat is om de (volledige) koopprijs meteen aan de verkoper te voldoen. In een dergelijk geval wordt door de verkoper dikwijls een krediet verschaft aan de koper, door uitstel van betaling te verlenen. Men pleegt te spreken van leveranciers- of goederenkrediet, in tegenstelling tot het (veelal door banken verschafte) geldkrediet.
Indien de verkoper zich ondanks de kredietverschaffing verplicht tot het terstond overdragen van de verkochte zaak, loopt hij het risico dat hij zijn eigendom verliest en niet de verschuldigde koopprijs ontvangt, als de koper ook later niet in staat blijkt de koopprijs te voldoen. Indien partijen daarentegen overeenkomen dat de koper eerst de verschuldigde koopprijs volledig dient te voldoen, alvorens de verkoper de verkochte zaak overdraagt, loopt de koper het risico dat hij de koopprijs heeft voldaan, maar de verkoper niet in staat blijkt hem de verkochte zaak over te dragen. Aan beide varianten kleeft derhalve een nadeel.
De in dit proefschrift centraal staande figuur van het eigendomsvoorbehoud komt op ogenschijnlijk eenvoudige wijze tegemoet aan deze nadelen. Het eigendomsvoorbehoud bewerkstelligt namelijk niet alleen dat de verkoper eigenaar blijft totdat de koper de verschuldigde koopprijs heeft voldaan, maar heeft tegelijkertijd ook tot gevolg dat de koper terstond en zonder meer eigenaar wordt van de verkochte zaak zodra hij de verschuldigde koopprijs voldoet.2 Deze doelstelling wordt bereikt doordat de wet een door partijen overeengekomen eigendomsvoorbehoud– behoudens een afwijkende vormgeving – beschouwt als een overdracht onder opschortende voorwaarde van voldoening van de door de koper verschuldigde tegenprestatie (art. 3:92 lid 1 BW). Daardoor vindt terstond een overdracht plaats, maar heeft de overdracht, vanwege de opschortende voorwaarde, pas effect – dat wil zeggen: eigendomsovergang tot gevolg – zodra de koper de verschuldigde prestatie volledig heeft voldaan.
Het eigendomsvoorbehoud bevredigt daarmee ogenschijnlijk het rechtsgevoel: het beding bewerkstelligt dat geen van beide partijen het risico loopt met lege handen achter te blijven indien de wederpartij niet in staat blijkt de op haar rustende verplichting na te komen. Bovendien wordt bij uitstek uitdrukking gegeven aan het wederkerige karakter van de koopovereenkomst: door het beding komt naar voren dat elke partij een verbintenis op zich neemt teneinde de prestatie te verkrijgen waartoe de wederpartij zich daartegenover jegens haar heeft verbonden (art. 6:261 BW). Ondanks het feit dat het eigendomsvoorbehoud hierdoor het wederkerige karakter van de koopovereenkomst benadrukt en beide partijen aldus grotendeels vrijwaart van het insolventierisico van de wederpartij, is de figuur van het eigendomsvoorbehoud in het Nederlandse recht echter niet onomstreden. Dat heeft een tweetal redenen.
De eerste reden houdt verband met het fiduciaverbod. Op grond van artikel 3:84 lid 3 BW vormt een rechtshandeling die ten doel heeft een goed over te dragen tot zekerheid geen geldige titel voor overdracht van dat goed. Aan de bepaling ligt – kort gezegd – ten grondslag dat de overdracht van het meest omvattende recht (het eigendomsrecht) niet mag worden ingezet teneinde daarmee slechts zekerheidsdoeleinden na te streven, omdat dergelijke ‘zekerheidseigendom’ leidt tot een oneigenlijke en onwenselijke figuur.3 Met de introductie van het fiduciaverbod bij de inwerkingtreding van het nieuwe vermogensrecht per 1 januari 1992 is ook het bestaansrecht van het eigendomsvoorbehoud in de literatuur in twijfel getrokken. Volgens sommigen heeft het overeenkomen van een eigendomsvoorbehoud in feite tot gevolg dat de verkoper een vorm van zekerheidseigendom verkrijgt, omdat het eigendomsrecht vanaf dat moment nog slechts zekerheid biedt voor de voldoening van de koopprijs.4 Op grond van deze constatering wordt door sommigen afschaffing van het eigendomsvoorbehoud bepleit, terwijl anderen betogen dat (sommige van) de voor pandrecht geschreven bepalingen analoog zouden moeten worden toegepast en weer anderen laten het bij een signalering van het zekerheidskarakter van het eigendomsvoorbehoud. eigendomsvoorbehoud. Het beding leidt tot een terstond – dat wil zeggen: reeds vóór betaling van de verschuldigde koopprijs – plaatsvindende overdracht van de verkochte zaak, zij het onder opschortende voorwaarde van voldoening van de verschuldigde tegenprestatie (art. 3:92 lid 1 BW). Tussen het moment van totstandkoming van deze voorwaardelijke overdracht en ofwel de betaling van de koopprijs door de koper ofwel de definitieve niet-nakoming door de koper, bestaat een periode van onzekerheid. De verkoper blijft vooralsnog eigenaar, maar verliest dit eigendomsrecht van rechtswege indien de koper de verschuldigde prestatie voldoet. De koper is nog geen eigenaar, maar wordt wel automatisch eigenaar als hij de verschuldigde prestatie voldoet. Het al dan niet toebehoren van het (volledige) eigendomsrecht aan de verkoper of de koper is daarmee afhankelijk van de toekomstige gebeurtenis, die nog onzeker is: de betaling van de koopprijs door de koper. Hierdoor ontstaan volgens sommige auteurs niet alleen ingewikkelde, maar ook onwenselijke verhoudingen in de tussenliggende periode. Vanwege deze ingewikkelde en onwenselijke verhoudingen wordt door een aantal auteurs voorgesteld het eigendomsvoorbehoud volledig in de ban te doen.5
Dit proefschrift beoogt het bestaansrecht van het eigendomsvoorbehoud en de plaats van het eigendomsvoorbehoud binnen het systeem van het vermogensrecht te onderzoeken, tegen de achtergrond van de hiervoor genoemde knelpunten: de verhouding van het eigendomsvoorbehoud tot het fiduciaverbod van artikel 3:84 lid 3 BW en de gevolgen van de voorwaardelijke overdracht voor de positie van partijen gedurende de periode van onzekerheid en de inpassing daarvan in het systeem van het vermogensrecht. Het onderzoek strekt ertoe nader inzicht te verschaffen in de werking en de functie van het eigendomsvoorbehoud. Daarmee heeft het geenszins uitsluitend theoretisch of wetenschappelijk belang. Teneinde de plaats te bepalen van het eigendomsvoorbehoud binnen het systeem van het vermogensrecht is het namelijk noodzakelijk allereerst goed inzicht te krijgen in de werking en functie van het eigendomsvoorbehoud. Daarvoor is het noodzakelijk een antwoord te formuleren op vele voor de praktijk belangrijke kwesties met betrekking tot het eigendomsvoorbehoud. De rode draad van het betoog vormt weliswaar de inpassing van het eigendomsvoorbehoud in het wettelijk systeem, maar dat geschiedt aan de hand van vele concrete problemen rond het eigendomsvoorbehoud.