De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.4.2:5.4.2 Definitie
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/5.4.2
5.4.2 Definitie
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701889:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld art. 6.1.1.1 onder c Bro jo. art. 3:5 lid 1 Awb. Zie ook de model-procedureverordening planschade van de VNG die de meeste gemeenten hebben overgenomen. De formulering kent enige varianten. Soms wordt volstaan met de bepaling dat de advisering door ‘onafhankelijke’ deskundigen moet geschieden (bijvoorbeeld: art. 15 lid 3 Beleidsregel I&W 2019). Gelet op doel en strekking wordt daarmee hetzelfde beoogd.
Sluysmans 2017, p. 106-107.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Voor de definitie van onafhankelijkheid in het nadeelcompensatierecht sluit ik aan bij de definitie die de wetgever aan het begrip ‘onafhankelijke adviseur’ in de planschade- en nadeelcompensatieregelgeving toekent.1 Ik breid deze uit door ook organisatorische banden met de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort of andere organen binnen diezelfde rechtspersoon uit te sluiten.
“Een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan waaraan wordt geadviseerd, de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort of andere organen van dezelfde rechtspersoon.”
Het gaat bij de onafhankelijkheid dus om de organisatorische/formele positie van deskundigen ten opzichte van het bestuursorgaan. Een deskundige die bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst heeft met het bestuursorgaan, is blijkens de hierboven genoemde norm niet als een onafhankelijke deskundige aan te merken.
Anders dan in de planschade- en nadeelcompensatieregelgeving is in de onteigeningswet niets bepaald omtrent de onafhankelijkheid van deskundigen. Ik pas derhalve bovenstaande definitie overeenkomstig toe en breidt deze uit door een hiërarchische relatie met beide procespartijen uit te sluiten. Deskundigen worden in het onteigeningsrecht immers niet door (één der) partijen, maar rechtstreeks door de rechter aangesteld. De onafhankelijkheid van de deskundige moet een organisatorisch gegeven voor beide partijen zijn. De definitie in het onteigeningsrecht luidt:
“Een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van één der (proces)partijen.”
Naast de formele onafhankelijkheid ten opzichte van procespartijen heeft de onafhankelijkheid van onteigeningsdeskundigen nog een extra dimensie. Verwant met de onafhankelijkheid ten opzichte van procespartijen is immers de onafhankelijkheid ten opzichte van de rechter. Met in het achterhoofd de veelal vaste bezetting van onteigeningscommissies, ontstaat er onvermijdelijk een band tussen rechter en ‘zijn’ deskundigen. Met Sluysmans ben ik derhalve van mening dat ook de situatie moet worden voorkomen dat een deskundige binnen eenzelfde arrondissement zowel als rechtbankdeskundige als partijdeskundige/advocaat optreedt.2 Zulks leidt tot verwarring en ongemak bij de wederpartij die begrijpelijkerwijs zal vermoeden dat de rechter geneigd is de mening van zijn ‘trusted advisor’ te volgen.