Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/5.2.2.2
5.2.2.2 Een nieuwe regel?
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 15 juni 1992, appl.no. 12433/86 (Lüdi/Zwitserland); EHRM 26 juli 2005, appl.nos. 39481/98 & 40227/98 (Mild &Virtanen/Finland), § 47; EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/ 00 (Bonev/Bulgarije), § 44; EHRM 12 april 2007, appl.no. 11423/03 (Pello/Estland).
Franstalige arresten: EHRM 13 november 2003, appl.no. 71846/01 (Rachdad/Frankrijk), § 24, EHRM 14 juni 2005, appl.no. 69116/01 (Mayali/Frankrijk), § 32 en – van na het arrest Al-Khawaja & Tahery – EHRM 24 juli 2012, appl.no. 23280/09 (Sarp Kuray/ Turkije), § 71. Engelstalig arrest met enigszins vergelijkbare overwegingen: EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 217.
EHRM 10 juni 2010, appl.no. 75330/01 (Sharkunov & Mezentsev/Rusland), § 115-116. In EHRM 25 september 2008, appl.no. 30997/02 (Polufakin & Shernyshev/Rusland), § 194- 204 was de ene getuige mogelijk van beslissende betekenis en lijkt de andere vooral als ontlastende getuige te moeten worden beschouwd. In EHRM 24 februari 2009, appl.no. 3584/02 (Tara˘u/Roemenië), § 69-77 en EHRM 13 april 2006, appl.no. 75699/01 (Vaturi/ Frankrijk), § 49-59 waren de getuigenverklaringen wellicht niet van beslissende betekenis, maar werd een schending van artikel 6 EVRM mede gebaseerd op het recht ontlastende getuigen te ondervragen.
EHRM 27 februari 2001, appl.no. 33354/96 (Lucà/Italië), § 40. Zie ook Stavros 1993, p. 233.
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 164: ‘There will be no violation if a witness not questioned in adversarial proceedings was not a “key” witness, that is, if “the conviction was not based solely or to a decisive degree” on his statements’. Zie verder EHRM 27 januari 2011, appl.no. 42224/02 (Krivoshapkin/Rusland), § 60-62, EHRM 30 maart 2010, appl.no. 32456/04 (dec.) (Kopecký/Tsjechië), p. 5 en EHRM 28 februari 2006, appl.no. 51277/99 (Krasniki/Tsjechië), § 78. Zie ook de analyse van Spronken in haar annotatie bij EHRM 10 november 2005, EHRC 2006, 3 (Bocos-Cuesta/ Nederland): ‘Het is inmiddels standaard jurisprudentie van het EHRM dat de beoordeling of er een schending heeft plaatsgevonden van het recht van een verdachte om (belastende) getuigen te ondervragen, uiteindelijk afhankelijk is van de omstandigheid of de veroordeling uitsluitend of in belangrijke mate gebaseerd is op desbetreffende getuigenverklaringen.’ Als deze analyse juist is, waren de overwegingen met betrekking tot de goede reden ten overvloede opgenomen. Ook bij het ontbreken van een goede reden, werd het eindoordeel van het EHRM immers bepaald door zijn oordeel over de beslissendheid van de getuigenverklaring. Jackson & Summers 2012, p. 350, Summers 2007, p. 139-140 en Maffei 2006, p. 95 kwamen tot dezelfde vaststelling.
EHRM 16 maart 2010, appl.no. 25083/05 (Mamykonian/Armenië); EHRM 25 oktober 2005, appl.no. 14255/02 (dec.) (Gładczak/Polen), p. 15-16; EHRM 8 maart 2001, appl.no. 43625/98 (dec.) (P.M./Italië).
EHRM 7 juli 2009, appl.no. 21814/03 (dec.) (Sankov/Rusland), p. 6.
EHRM 8 januari 2009, appl.no. 14899/04 (dec.) (Babkin/Rusland), p. 9.
EHRM 5 februari 2009, appl.no. 13769/04 (Makeyev/Rusland), § 38.
EHRM 17 februari 2011, appl.no. 33780/04 (Kononenko/Rusland), § 69: ‘Having regard to the fact that the applicant had no opportunity to cross-examine the witness whose statements were of decisive importance for his conviction and the fact that the domestic authorities had not made every reasonable effort to secure the appearance of that witness in court, the Court concludes that the applicant’s defence rights were restricted to an extent incompatible with the guarantees provided by Article 6 §§ 1 and 3 (d) of the Convention.’
EHRM 16 oktober 2014, appl.no. 20077/04 (Suldin/Rusland);EHRM 23 september 2014, appl.no. 17362/03 (Soysal/Turkije); EHRM 11 april 2013, appl.no. 20372/11 (Vyerentsov/ Oekraïne); EHRM 28 februari 2013, appl.no. 22163/08 (Mesesnel/Slovenië); EHRM 11 december 2012, appl.no. 3653/05 e.a. (Asadbeyli e.a./Azerbeidzjan).
Zie bijvoorbeeld EHRM 3 juli 2014, appl.no. 63117/09 (Nikolitsas/Griekenland), § 35-36 en EHRM 25 april 2013, appl.no. 27100/03 (Ivanov/Rusland).
Zie daarover kritisch onderdeel 6 van de concurring opinion van rechter Sicilianos bij EHRM 4 december 2014, appl.no. 16412/06 (Kazakov/Rusland).
Het ehrm presenteerde zijn overwegingen in § 120 van het arrest Al-Khawaja & Tahery als een samenvatting van het geldende recht. Het baseerde zich op de arresten Lüdi, Mild & Virtanen, Bonev en Pello.1 De prominente plaats van de goede reden in het beslismodel kan echter niet zonder meer uit de oudere jurisprudentie van het ehrm worden afgeleid. In de eerste drie door het ehrm genoemde arresten is goed denkbaar dat de getuigenverklaringen van beslissende betekenis zijn geweest, al heeft het ehrm dat niet expliciet vastgesteld. In de zaak Pello waren de getuigenverklaringen weliswaar niet van beslissende betekenis, maar in die zaak beschouwde de verdediging de desbetreffende getuigen als getuigen à décharge. Het ehrm heeft in het midden gelaten of het de getuigen als belastende of als ontlastende getuigen aanmerkte. Het ehrm had in algemene overwegingen in enkele arresten van vóór Al-Khawaja & Tahery meer aanleiding gegeven om te denken dat het ondervragingsrecht bij het ontbreken van een goede reden geschonden geacht zou kunnen worden.2 Vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery is deze regel echter nooit expliciet toegepast. Er zijn weliswaar zaken waarin het ontbreken van inspanningen van de justitiële autoriteiten een grote rol speelde in de motivering van het ehrm, maar in geen van deze zaken kan met zekerheid worden vastgesteld dat de conclusie dat het ondervragingsrecht was geschonden uitsluitend op deze omstandigheid was gebaseerd. De getuigenverklaringen waren meestal van grote, mogelijk beslissende betekenis.3
In de jurisprudentie van vóór Al-Khawaja & Tahery kunnen ook aanwijzingen worden gevonden dat het enkele ontbreken van een goede reden niet voldoende was omeen schending van het ondervragingsrecht vast te stellen. De beslissendheid van de getuigenverklaring leek de doorslaggevende factor te zijn bij de beoordeling van klachten met betrekking tot het ondervragingsrecht. Was een getuigenverklaring van beslissende betekenis en was geen ondervragingsgelegenheid geboden, dan werd standaard een schending van artikel 6 EVRM aangenomen.4 Was een getuigenverklaring niet beslissend, dan werd reeds om die reden geen schending van het ondervragingsrecht aangenomen.5 Het ehrm liet in dat geval soms na om te onderzoeken of een goede reden had bestaan voor de beperking van de verdedigingsrechten wanneer het had vastgesteld dat de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis was.6 In de zaak Sankov overwoog het expliciet dat het niet noodzakelijk was omvast te stellen of de autoriteiten zich voldoende hadden ingespannen, omdat de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis was.7 In andere zaken waarin de getuigenverklaring niet beslissend was, onderzocht het ehrm weliswaar of de autoriteiten zich voldoende hadden ingespannen, maar beoordeelde het die inspanningen tegen de achtergrond van het feit dat de getuigenverklaringen niet van beslissende betekenis waren.8 In veel zaken leek het bestaan of juist ontbreken van een goede reden slechts één van de factoren op basis waarvan het ehrm tot een beslissing kwam.9 Bij het nemen van de uiteindelijke conclusie of het ondervragingsrecht was geschonden noemde het ehrm dikwijls verschillende beoordelingsfactoren naast elkaar, waaronder de factor dat de autoriteiten onvoldoende actief waren geweest.10
Er kan worden geconcludeerd dat het ontbreken van een goede reden voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid de uiteindelijke beslissing van het ehrm vóór het arrest Al-Khawaja & Tahery niet zelfstandig beïnvloedde. Dat reeds het enkele ontbreken van een goede reden een schending kon opleveren, bleek niet eenduidig uit eerdere uitspraken. Sinds het arrest Al-Khawaja & Tahery heeft het ehrm herhaaldelijk een schending van het ondervragingsrecht aangenomen op de enkele grond dat een goede reden voor het uitblijven van een ondervragingsgelegenheid ontbrak.11 De expliciete vaststelling dat het enkele ontbreken van een goede reden de vaststelling van een schending rechtvaardigde, is een duidelijk verschil ten opzichte van de jurisprudentie van vóór Al-Khawaja & Tahery, waaruit die regel hooguit met veel moeite kon worden afgeleid. Overigens heeft het ehrm na het arrest Al-Khawaja & Tahery ook in zaken waarin geen goede reden bestond, dikwijls onderzocht of de getuigenverklaring van beslissende betekenis was.12 Dat onderzoek had volgens de nieuwe benadering achterwege kunnen worden gelaten.13