Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/8.2.3.3.2
8.2.3.3.2 Onderworpenheidstoets
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS395940:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad heeft op 9 september 2016 een arrest gewezen (nr. 15/00707, BNB 2016/214) omtrent het bepalen van de omvang van de winst van een beleggingsdeelneming voor de berekening van de effectieve belastingdruk, de zogeheten “toetswinst”. Meer specifiek ging het over het antwoord op de vraag of er bij het vaststellen van de toetswinst rekening gehouden moet worden met valutaresultaten, goed koopmansgebruik en het at arm’s lengthbeginsel.
Kamerstukken II, 2009-2010, 32129, nr. 3, blz. 62. Genoemde onbelangrijke grondslagafwijkingen zijn: verschillen in afschrijving op bedrijfsmiddelen; verschillen in investeringsaftrekken voor bedrijfsmiddelen; verschillen in renteaftrekbeperkingen; verschillen in aftrekbeperkingen inzake kosten met een mogelijk privéelement (Oortkosten); beperkte verschillen in tonnageregime; tariefopstapjes zonder betekenisvolle invloed; verschillen in verliesverrekeningsregels; in beginsel verschillen in fiscale consolidatie regels.
Kamerstukken II, 2009-2010, 32129, nr. 3, blz. 62 e.v. Genoemde bijzondere grondslagafwijkingen zijn: een tax holiday; een cost plus benadering met een beperkte grondslag; aanzienlijke grondslagverminderingen vanwege fictieve kosten of vrijstellingen; een belastingstelsel dat geen renteaftrekbeperkingen kent; een van de winst aftrekbaar dividend; een vanuit Nederlandse optiek te ruime deelnemingsvrijstelling; uitgestelde belastingheffing over de winst; een teruggave van winstbelasting bij uitkering dividend.
De onderworpenheidstoets (art. 13 lid 11a Wet VPB 1969) houdt in dat een beleggingsdochter als niet-kwalificerende beleggingsdeelneming (laagbelaste beleggingsdochter) wordt gekwalificeerd indien deze dochtermaatschappij niet is onderworpen aan een naar Nederlandse begrippen reële heffing. Er is sprake van een reële heffing indien er sprake is van een winstbelastingdruk van 10% of meer over een naar Nederlandse maatstaven berekende grondslag, waarbij de rentebox- en innovatieboxregels niet worden meegeteld. Bij de vraag of er sprake is van voldoende heffing gaat het niet alleen om het tarief maar ook om de grondslag en de uitvoeringspraktijk.1 Uit de parlementaire behandeling blijkt dat voor de vraag of sprake is van een voldoende heffing in de regel het feitelijk geheven bedrag over het beleggingsinkomen maatgevend is. Buitenlandse grondslagafwijkingen die de belastingheffing over passief inkomen niet raken, zijn om die reden niet problematisch. Onbelangrijke grondslagafwijkingen worden niet meegenomen bij de herrekening van de effectieve belastingdruk naar Nederlandse maatstaven.2 Bijzondere grondslagafwijkingen worden wel meegenomen bij de herrekening van de effectieve belastingdruk naar Nederlandse maatstaven.3