Klachtdelicten
Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.2.1:3.2.1.2.1 Art. 207b Sr: internationale meineed via een videoconferentie
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/3.2.1.2.1
3.2.1.2.1 Art. 207b Sr: internationale meineed via een videoconferentie
Documentgegevens:
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946259:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 3.
Smidt & Smidt 1891 (Deel II), p. 220-221.
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 4.7.
Stb. 1966, 322 en Stb. 2002, 316.
Zie Van den Broek 1990, p. 308-315 en Kamerstukken II 2001-2002, 28 099, nr. 3, p. 3.
Trb. 2000, 96. Dit verdrag is op 26 maart 2004 in Nederland in werking getreden (Stb. 2004, 106).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 is – in het kader van de bespreking van de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling van klachtdelicten – al aandacht besteed aan art. 207b Sr, dat ziet op het afleggen van een meinedige verklaring ten overstaan van een buitenlandse rechterlijke autoriteit via een videoconferentie. In dit overzicht van klachtdelicten kan evenmin onbenoemd blijven dat art. 207b Sr een vreemde eend in de bijt is, die moet worden geduid als een oneigenlijk klachtdelict.
Daarbij staat voorop dat het niet in de rede ligt dat Titel IX van Boek II – waarin de meineedbepalingen zijn vervat – klachtdelicten bevat. Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht in 1886 is in de toelichting reeds vermeld dat deze titel niet ziet op bescherming van persoonlijke belangen, maar strekt ter bescherming van publieke belangen.1 In de Code Pénal werd de leer gehuldigd dat meineed uitsluitend een misdrijf tegen bijzondere personen betrof, maar hiervan heeft de wetgever bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk afstand genomen. Meineed betreft in de eerste plaats een vergrijp tegen de openbare trouw, ongeacht of specifieke personen zijn benadeeld.2 Dit maakt dat het niet is aangewezen een klachtvereiste toe te voegen aan de in deze titel vervatte strafbepalingen, aangezien de klacht – volgens diezelfde wetgever – ertoe strekt voorrang te (kunnen) verlenen aan persoonlijke belangen boven het algemeen belang. Het verlenen van die voorrang is niet op zijn plaats bij bepalingen die hoofdzakelijk zijn geënt op de bescherming van publieke belangen.
In het vorige hoofdstuk is meer uitgebreid uiteengezet waarom art. 207b Sr dan toch is aangemerkt als een klachtdelict.3 Daarbij speelt art. 207a Sr een grote rol. De memorie van toelichting bij invoering van art. 207b Sr vermeldt immers: ‘De tekst is grotendeels ontleend aan het reeds bestaande art. 207a’.4 Die strafbepaling – waarin het afleggen van een meinedige verklaring ten overstaan van een internationaal gerecht strafbaar is gesteld – bevatte vanaf de invoering in 1966 tot in 2002 een klachtvereiste.5 Dit klachtvereiste diende ter voorkoming van discrepanties tussen de waardering van (het waarheidsgehalte van) een verklaring door een nationaal en een internationaal gerecht. Deze redengeving is door Van den Broek als oneigenlijk bestempeld en dit oneigenlijke karakter is nadien door minister van Justitie Korthals bevestigd.6 Minister Korthals besloot het klachtvereiste bij art. 207a Sr te schrappen, omdat dit zijns inziens overbodig was ter voorkoming van conflicterende nationale en internationale rechtspraak.7 Desondanks maakt dit vereiste deel uit van de daaropvolgende en daarop gebaseerde strafbepaling. Dit komt doordat het klachtvereiste bij art. 207a Sr pas op 8 augustus 2002 is vervallen, terwijl het wetsontwerp van art. 207b Sr enkele maanden eerder op 8 mei 2002 is ingediend.8 Deze ongelukkige chronologie maakt dat art. 207b Sr van een klachtvereiste is voorzien. Het klachtvereiste bij art. 207b Sr is dus terug te voeren op een onzorgvuldige wetgevingsoperatie. Het verklaart evenwel niet waarom dit klachtvereiste tot op heden is gehandhaafd.
In deze kritische beschouwing van het klachtvereiste bij art. 207b Sr kan niet onvermeld blijven dat de wetgever met de invoering van dit wetsartikel beoogt uitvoering te geven aan art. 10 lid 8 van het Verdrag betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.9 Dit artikellid bepaalt dat lidstaten maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat ten aanzien van getuigen en deskundigen die via een hierboven bedoelde videoconferentie worden gehoord en die niet naar waarheid antwoorden de ‘nationale wetgeving van toepassing is alsof het een verhoor in een nationale procedure betrof’. Art. 207b Sr doet geen recht aan deze verdragsbepaling. Het openbaar ministerie kan immers niet ambtshalve vervolgen ter zake van art. 207b Sr, terwijl dit bij meineed in een nationale procedure op grond van art. 207 Sr wel mogelijk is. Het aanwijzen van art. 207b Sr als klachtdelict strookt dus ook niet met de verdragsbepaling waaraan het wetsartikel in de eerste plaats zijn bestaansrecht ontleent.
Met het oog op de toepassing van dit wetsartikel en het daaraan verbonden klachtvereiste valt op dat geen (gepubliceerde) rechtspraak is aangetroffen die ziet op deze strafbepaling. Het is onduidelijk of en in welke mate dit wordt veroorzaakt doordat buitenlandse rechterlijke autoriteiten klachten achterwege laten in zaken waarin anders mogelijk tot vervolging zou zijn overgegaan. Het gebrek aan jurisprudentie leidt wel tot de conclusie dat deze strafbepaling in de Nederlandse vervolgingspraktijk een stil bestaan leidt. Dat laat onverlet dat het vanuit wetshistorisch en wetssystematisch oogpunt aanbeveling verdient het klachtvereiste (ook) bij art. 207b Sr te schrappen.