Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.5.3.5
IV.5.3.5 Welke onrechtmatigheidsgrond?
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460486:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In deze zin o.a. Hartlief e.a. 2018, p. 42; Jansen, in: GS Onrechtmatige daad, art. 6:162 BW, aant. 6.1.3.
Zie voorts het betoog van Tjong Tjin Tai 2019, p. 32, die ervoor pleit dat de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm een vangnet moet blijven, dat alleen wordt gebruikt als daar een noodzaak toe is.
De voorwaarden om vast te stellen dat een leidinggevende een milieuovertreding gepleegd heeft komen aan bod in het eerste deel van par. IV.5.3.2.
De vereisten voor en dogmatische inbedding van op strafbare wijze deelnemen aan een milieuovertreding, licht ik toe in het tweede deel van par. IV.5.3.2, onder het kopje ‘Strafrechtelijk deelnemen’.
De onrechtmatigheidsgronden van artikel 6:162 lid 2 BW overlappen elkaar. Bijvoorbeeld, het dumpen van giftig afval op andermans terrein is een directe inbreuk op andermans eigendomsrecht, in strijd met een wettelijke plicht (o.a. met Hoofdstuk III van de Wet bodembescherming) en onmiskenbaar in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid. Tussen de onrechtmatigheidsgronden bestaat als gezegd geen hiërarchie: handelen in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid is net zo onrechtmatig als handelen in strijd met de wet. In een dergelijk geval kan de benadeelde kiezen op welke grondslag hij een beroep wenst te doen voor het onrechtmatigheidsoordeel.
Stel, er breekt brand uit in een inrichting waar afvalstoffen zijn opgeslagen. De dag na het blussen blijkt dat de resterende afvalstoffen nog steeds nasmeulen. Deze moeten worden opgeruimd omdat de vrijkomende rookgassen giftig zijn. Wanneer de drijver van de inrichting dit nalaat, handelt hij in strijd met artikel 17.1 lid 1 Wm. Dit artikel bepaalt dat bij een ongewoon voorval waardoor nadelige gevolgen voor het milieu dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft onmiddellijk de maatregelen moet treffen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken. Echter, het niet-opruimen van de resten kan ook gevaarzettend zijn en daarmee in strijd met het ongeschreven recht. Een omwonende die het opruimen van de nasmeulende afvalstoffen door middel van een rechterlijk verbod wil afdwingen en eventuele schade wil verhalen via een schadevergoedingsactie, kan voor de onrechtmatigheidstoets van artikel 6:162 lid 2 BW simpelweg wijzen op de schending van artikel 17.1 lid 1 Wm; maar dit hoeft niet. Het staat de omwonende ook vrij om rechtstreeks een beroep te doen op het ongeschreven recht.
Omdat het ongeschreven recht voorziet in zowel breed toepasbare zorgplichten als in gedragsnormen die zijn toegesneden op de specifieke omstandigheden van het geval, wordt in de aansprakelijkheidsrechtpraktijk veelvuldig beroep gedaan op deze onrechtmatigheidsgrond. Daarom wordt de ongeschreven zorgvuldigheidsnorm in de literatuur aangemerkt als een belangrijke, zo niet de belangrijkste grondslag voor onrechtmatigheid.1
Dit moge zo zijn voor het algemene aansprakelijkheidsrecht, maar voor de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden – zeker naarmate het onrechtmatige karakter van de handeling van de leidinggevende minder evident is – biedt de onrechtmatigheidsgrond ‘strijd met een wettelijke plicht’ belangrijke voordelen. Een wettelijk voorschrift biedt namelijk een kant-en-klare gedragsnorm waaraan de rechter kan toetsen, bij de ongeschreven zorgvuldigheidsplicht moet de eiser niet alleen aantonen dat de leidinggevende een norm heeft geschonden, maar ook moet het bestaan van de norm zelf worden onderbouwd.2
Stel, omwonenden ervaren overlast van het fijnstof dat afkomstig is van een nabijgelegen pluimveebedrijf. Een beroep op hinder, de gevaarzettingsleer of een andere ongeschreven zorgvuldigheidsnorm kan een lastig juridisch debat opleveren over de vraag of in het concrete geval het pluimveebedrijf (of een bepaalde natuurlijke persoon binnen het bedrijf ) in strijd heeft gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De eiser zal feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen om aan te tonen dat de aangesprokene in strijd heeft gehandeld met het ongeschreven recht. Het is niet makkelijk om ad hoc te bepalen hoeveel fijnstofuitstoot betamelijk is, wiens en welke belangen worden beschermd, welke voorzorgsmaatregelen zouden moeten worden betracht, en wie gehouden is om deze maatregelen te treffen.
Wanneer de omwonenden echter een beroep zouden doen op een voorschrift uit de milieuvergunning waarin de grenswaarden voor fijnstof zijn geregeld, is gelijk duidelijk aan welke gedragsnorm moet worden getoetst, op wie de verplichting rust om deze norm na te komen, en wiens belangen de norm beoogt te beschermen. De belangenafweging die de rechter zou moeten maken voor het vaststellen of er sprake is van strijd met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, is dan al op voorhand gemaakt door de wetgever en de uitkomst is vastgelegd in een wettelijk voorschrift.
Gelet hierop is het in het kader van de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden aan te bevelen om eerst te onderzoeken of de leidinggevende een toepasselijk wettelijk milieuvoorschrift heeft geschonden (plegen3). Indien er wel een toepasselijk wettelijk voorschrift bestaat, maar de leidinggevende niet zelf alle bestanddelen van het voorschrift vervuld, kan nog aan de hand van de strafrechtelijke deelnemingsfiguren worden onderzocht of de leidinggevende onrechtmatig betrokken is geweest bij de overtreding van het milieuvoorschrift (deelnemen4). Mocht dit niet het geval zijn, of als er geen toepasselijk wettelijk voorschrift bestaat, kan worden onderzocht of op basis van bijvoorbeeld reflexwerking, gevaarzetting, hinder, of een andere ongeschreven zorgvuldigheidsnorm sprake is van een handeling die in strijd is met de maatschappelijke betamelijkheid. Bij een beroep op een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm, doet de eiser er goed aan om het bestaan van een eventuele rechtsinbreuk te betrekken in zijn argumentatie.