Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/12.2.3
12.2.3 Schenkungsanfechtung
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS409099:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
§ 134 InsO bepaalt: “(1) Anfechtbar ist eine unentgeltliche Leistung des Schuldners, es sei denn, sie ist früher als vier Jahre vor dem Antrag auf Eröffnung des Insolvenzverfahrens vorgenommen worden. (2) Richtet sich die Leistung auf ein gebräuchliches Gelegenheitsgeschenk geringen Werts, so ist sie nicht anfechtbar.”
Zie Henckel 2008, p. 330.
Henckel 2008, p. 340.
Haas overweegt: “§ 134 InsO will verhindern, dass der Schuldner in zeitlicher Nähe zur Insolvenz auf Kosten seiner Gläubiger ‘freizügig’ ist.” (Haas 2006b, p. 1394).
BGH 15 maart 1972, VIII ZR 159/70.
Uhlenbruck, Hirte & Vallender 2010, § 134, nr. 18B.
Uhlenbruck, Hirte & Vallender 2010, § 134, nr. 6. Henckel overweegt dienaangaande: “Es kommt deshalb nicht darauf an, ob die Leistung selbst eine unentgeltliche Rechtshandlung ist, sondern ob sie auf eine unentgeltliche Causa bezogen werden kann.” (Henckel 2008, p. 332).
Uhlenbruck, Hirte & Vallender 2010, § 134, nr. 2.
In § 134 InsO is een bijzondere regeling neergelegd voor de aantasting van handelingen om niet (unentgeltliche Leistungen).1 Handelingen waarvoor de schuldenaar geen tegenprestatie krijgt, worden in het Duitse recht nauwelijks beschermd. Alle handelingen die de schuldenaar in de periode tot vier jaar voor de faillissementsaanvraag om niet heeft verricht, kunnen door de curator ongedaan worden gemaakt. Hiervoor is niet vereist dat de schuldenaar en de derde waarmee de handeling werd verricht op enigerlei wijze bekend waren (of behoorden te zijn) met het op handen zijnde faillissement van de schuldenaar of opzet van benadeling hadden.2c § 134 InsO stelt uitsluitend als subjectief vereiste dat de schuldenaar en de wederpartij op de hoogte waren van het feit dat de handeling om niet geschiedde.3 De gedachte die aan de regeling ten grondslag ligt, is dat de vrijgevigheid van de schuldenaar niet voor rekening van zijn crediteuren mag worden gebracht.4
Het BGH heeft ten aanzien van de achterliggende ratio van de regeling overwogen: “Die ‘Schenkungsanfechtung’ […] bezweckt nicht die Durchsetzung des Prinzips der gleichen Behandlung aller Gläubiger, sondern will aus Billigkeitsgründen dem Konkursverwalter die Möglichkeit geben, freigebige Zuwendungen, die der Gemeinschuldner […] gemacht hat, zugunsten der Konkursgläubiger rückgängig zu machen. Das Gesetz geht davon aus, daß die Empfänger solche Zuwendungen billigerweise nicht auf Kosten der Allgemeinheit der Gläubiger behalten sollen.”5
In § 134 InsO wordt – anders dan in § 133 InsO – niet gesproken van Rechtshandlungen, maar van Leistungen. Nu ook het begrip Leistung ruim wordt geïnterpreteerd, bestaan tussen beide begrijpen geen wezenlijke verschillen. Handelingen om niet kunnen zich in vele gedaanten voordoen. Niet alleen de schenking kwalificeert als zodanig, maar bijvoorbeeld ook het (zonder dat daartoe een verplichting bestaat) voldoen van een schuld van een ander of het vestigen van zekerheden ten behoeve van een schuld van een ander.6 Om te kunnen spreken van een unentgeltliche Leistung is niet altijd een daadwerkelijke handeling vereist; zo kwalificeren ook het niet opeisen van een vordering of het laten verlopen van een verjaringstermijn als zodanig. De regeling neemt niet een door de schuldenaar verrichte betaling tot uitgangspunt; onderscheidend is of door de opstelling van de schuldenaar een derde is begunstigd.7 Ontvangers van schenkingen en andere handelingen om niet dienen onder het Duitse recht er daarom rekening mee te houden dat zij nog vier jaar lang tot restitutie kunnen worden aangesproken. De regeling staat aan kritiek bloot, nu zij op gespannen voet zou staan met het uitgangspunt van de partijautonomie.8