Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/10.4.2.1.2
10.4.2.1.2 Kanttekeningen bij de visie van de Hoge Raad in BNB 2013/207
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940550:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, zie met name r.o. 3.4.2 en 3.8.3.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4 onder (ii).
HR 27 september 2013, V-N 2013/48.3, BNB 2013/260. De Hoge Raad verricht deze toets bij echtgenoten die gezamenlijke rekeningen aanhouden op totaalniveau, zie HR 13 juni 2014, V-N 2014/31.4 (totaalsaldo: ƒ 53.521, onvoldoende bewijs) en HR 20 juni 2014, V-N 2014/31.5 (totaalsaldo: ƒ 123.046, voldoende bewijs).
HR 31 januari 2014, V-N 2014/9.5 (zie de slotzin van r.o. 3.2) en HR 24 januari 2014, V-N 2014/8.9 (geen aanzienlijk saldo, tegoed (net iets) minder dan ƒ 100.000). Zie ook HR 11 april 2014, V-N 2014/20.5.
HR 27 september 2013, V-N 2013/48.4 (saldo van ƒ 50.361 en dus niet onder verwijzing naar de bewijsregels uit BNB 2013/207).
HR 24 januari 2014, V-N 2014/8.9. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 29 november 2016, V-N 2017/11.18.7 (r.o. 4.26) waarin de inspecteur vermoedelijk om deze reden eieren voor zijn geld koos.
Zie HR 12 september 2014, V-N 2014/50.4, BNB 2014/236, waarin het saldo slechts ƒ 85.000 bedroeg, maar op grond van (uiteindelijk) overgelegde bankafschriften wel vaststond dat dit saldo reeds vanaf juli 1990 aanwezig was.
De feitelijke doorwerking bleef in de berechte casus echter beperkt, omdat het geschil zich niet verder uitstrekte dan tot en met het jaar 1995.
Zie de Conclusie van A-G Niessen van 30 mei 2013, V-N 2013/34.13, alsmede Rosier 2013.
Noot bij HR 28 juni 2013, BNB 2013/207, punt 5.
Rosier 2013.
Zie HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.8.2-3.8.4: het is – anders dan in het eerste jaar terug in het verleden – dan kennelijk niet meer ‘onwaarschijnlijk dat in het geheel geen inkomsten zijn genoten’.
In dezelfde zin: Rosier 2013. Vgl. ook het commentaar van Jansen bij het arrest HR 15 april 2011 in NTFR 2011/946 (punt 16), die opmerkt dat het bewijs voor het jaar 1994 en de direct aansluitende jaren relatief eenvoudig zal zijn, maar dat voor verder gelegen jaren op den duur de twijfel in het voordeel van de belastingplichtige kan gaan werken (waardoor wél in de heffing betrokken jaren niet beboet kunnen worden).
Zie art. 5.5 en art. 5.2 lid 1 Wet IB 2001. Dat het (tevens en nog steeds) van algemene bekendheid is dat een bank rente pleegt te vergoeden, heeft aan belang ingeboet nu onder de huidige wetgeving nog slechts een forfaitair rendement wordt belast. Wel kan dit feit van algemene bekendheid de inspecteur helpen bij het geleidelijk verhogen van de rendementsgrondslag.
Dat deze langjarige doorwerking niet denkbeeldig is, moge blijken uit de zaak die heeft geleid tot HR 12 mei 2023, V-N 2023/24.21.5 (art. 81 Wet RO), waarin het ging over een in 2019 genomen informatiebeschikking, betreffende de jaren 2016 en 2017, ten aanzien van iemand die op 31 januari 1994 KBLux-rekeninghouder was.
Deze redenering zou zelfs na het overlijden van de belastingplichtige kunnen worden doorgetrokken naar zijn erfgenamen.
Zie bijvoorbeeld Rb ’s-Gravenhage 28 mei 2013, V-N 2013/39.12 (heffing in belastingjaar 2008) en Hof Amsterdam 5 maart 2015, V-N 2015/27.8 (waarin de stelling dat van een op 31 januari 1994 aanwezig saldo van € 95.000 in 2009 niets meer resteert, zonder nadere bewijsvoering werd verworpen). Zie voorts, in het licht van de gegrondheid van een informatiebeschikking, en ten aanzien van beleggingen in obligaties en beleggingsfondsen bij de Bank zonder Naam (Van Lanschot): Hof Den Haag 28 januari 2015, V-N 2015/24.4 (saldo uit 1996, belastingjaren 2009 en 2010). In dezelfde zin, in KBLux-zaken: Hof Den Haag 10 juni 2015, V-N 2015/40.6 (termijndeposito, belastingjaar 2010) en Hof Amsterdam 5 maart 2015, V-N 2015/27.7 (saldo uit 1994, belastingjaren 2009 en 2010).
Deze lezing lijkt ook in strijd te zijn met een eerder arrest van de Hoge Raad (in de sfeer van de heffing) inzake de extrapolatie na de opheffing van een KBLux-rekening, zie HR 9 maart 2012, V-N 2012/15.8.
Denk aan op onfortuinlijke wijze geïnvesteerde of uitgeleende maar nooit terugbetaalde sommen, het belopen van gokschulden, het falen van een gestarte onderneming, diefstal en oplichting, of eenvoudige spilzucht. Zie ook (met vergelijkbare voorbeelden): Conclusie A-G Niessen bij HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44, par. 8.34.
Ook A-G Niessen is van mening dat het op de weg van de feitenrechter ligt om te beoordelen waar het omslagpunt ligt, zie zijn Conclusie van 30 mei 2013, V-N 2013/34.13.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.8.2: ‘Uitgaande van een niet-ontzenuwd vermoeden als bedoeld in 3.7.1 dat de belastingplichtige op 1 januari 1994 een aanzienlijk saldo aanhield (…)’. In r.o. 3.8.4 grijpt de Hoge Raad echter wel terug op de vaststaande feiten (waaronder de fiche per 31 januari 1994).
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.4 onder (iii). Zie daaromtrent nader paragraaf 10.2.5.1.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.8.4.
HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.8.5. Vgl. ook Conclusie A-G Niessen bij HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44 (par. 8.34), die terecht opmerkt dat ook een plotselinge vermogenstoename allerlei plausibele oorzaken kan hebben.
Volgens HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.8.5 vloeit dat voort uit ‘het hiervoor overwogene’. Van de voorafgaande rechtsoverwegingen komt naar mijn mening alleen r.o. 3.8.4 in aanmerking, waarin de Hoge Raad overweegt dat het bewijs dan te zeer op veronderstellingen zou zijn gebaseerd en zou neerkomen op een met de onschuldpresumptie strijdige omkering van de bewijslast.
In het licht van de richtlijnen van de Hoge Raad op dit punt, zou het oordeel uit Hof Amsterdam 29 maart 2012, NTFR 2012/1309 vermoedelijk geen stand meer houden voor wat betreft de jaren vóór 1993 (zie met name r.o. 5.5.1.3). Het Hof lijkt zich namelijk juist wél gebaseerd te hebben op bij de Belastingdienst bekende inkomens- en vermogensgegevens.
HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, waarover nader in paragraaf 13.3.
Zie HR 8 april 2022, BNB 2022/68, V-N 2022/17.10, r.o. 3.2 (voetnoot 2), waarin het KBLux-arrest HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 wordt aangehaald.
Beperking van de reikwijdte: KBLux-achtige zaken en aanzienlijke saldi
Uit de bewoordingen van het arrest BNB 2013/207 valt naar mijn mening af te leiden dat de Hoge Raad de in de vorige paragraaf weergegeven richtlijnen heeft willen beperken tot KBLux-zaken, waarin er in feite geen ander direct bewijs voorhanden was dan de microfiche met een banksaldo per 31 januari 1994.1 Vermoedelijk zijn de richtlijnen ook van toepassing in vergelijkbare gevallen, dat wil zeggen in gevallen waarin er sprake is van verzwegen vermogen dat is gestald op een buitenlandse bankrekening, waarvan het aanzienlijke saldo slechts op enig moment in de tijd vaststaat (KBLux-achtige zaken). Vanwege de specifieke feitelijke situatie en het gewicht dat daar blijkens de rechtsoverwegingen aan is toegekend, heeft het arrest BNB 2013/207 naar mijn inschatting echter geen verdergaande, algemeen geldende strekking. De conclusie uit BNB 2011/207 is dus nog steeds juist: het uitgangspunt is dat er voor elk jaar afzonderlijk voldoende bewijs moet zijn van zowel het begaan van het kale beboetbare feit als van de schuldgradatie.
Specifiek voor wat betreft de KBLux-zaken heeft de Hoge Raad het benodigde aanvullende bewijs2 geconcretiseerd aan de hand van een tweetal feiten van algemene bekendheid, waaronder het feit dat een eenmaal aanwezig ‘aanzienlijk’ tegoed op een bankrekening niet zomaar pleegt te verdwijnen. De Hoge Raad heeft in een iets later gewezen KBLux-arrest aangegeven dat sprake is van een ‘aanzienlijk’ tegoed bij een saldo van in totaal meer dan € 45.378 (het equivalent van ƒ 100.000).3 Nadien is ook duidelijk geworden dat dit bedrag als harde ondergrens moet worden aangemerkt.4 Dat betekent dus dat in gevallen waarin het saldo minder heeft bedragen dan ƒ 100.000, moet worden teruggegrepen op het algemene uitgangspunt van BNB 2011/207.5 Beschikt de inspecteur in die gevallen niet over aanvullende bewijsmiddelen, maar alleen over de microfiche en een daarop gebaseerd vermoeden, dan moeten de boetes worden vernietigd.6 Beschikt de inspecteur wél over aanvullende bewijsmiddelen, dan kan daarmee voldoende bewijs worden geleverd.7
Onbeperkte toekomstige werking?
De Hoge Raad heeft gelet op de bewoordingen van BNB 2013/207 in wezen geaccepteerd dat uit een op enig moment aanwezig aanzienlijk banksaldo voor wat betreft de toekomst onbeperkt vermoedens kunnen worden afgeleid.8 Naar mijn mening vloeit het vermoeden dat ook in latere jaren nog eenzelfde saldo heeft bestaan, op den duur echter niet meer redelijkerwijs voort uit het bewezen vaststaande feit (het saldo op 31 januari 1994). Het verband met dat saldo en de vruchten daarvan wordt in de loop van de tijd eenvoudigweg zwakker. Ook A-G Niessen en Rosier menen dat de bewijskracht steeds verder afneemt.9 Pechler heeft de geleidelijke afzwakking van het vermoeden eveneens gesignaleerd, maar heeft geen moeite met de ruime formulering van de Hoge Raad.10
Rosier heeft ook gewezen op het opvallende contrast met de doorwerking naar het verleden, die de Hoge Raad juist wél in de tijd heeft beperkt.11 Dat contrast is inderdaad groot: reeds vanaf (ruim) een jaar terug in het verleden acht de Hoge Raad het, vanwege de onschuldpresumptie, niet langer acceptabel om het vermoeden te blijven afleiden.12 De onzekerheid omtrent het moment van ontstaan van het saldo is kennelijk van groter gewicht dan de onzekerheid omtrent het in stand houden of juist tenietgaan ervan. Naar mijn mening is dat in het licht van de onschuldpresumptie echter niet juist. Waar het om gaat is dat de onzekerheid niet voor rekening mag komen van de boeteling, omdat de onschuldpresumptie hem steeds het voordeel van de twijfel gunt.13
Ter illustratie: als ik de overwegingen van de Hoge Raad goed begrijp, kan de inspecteur ook over (bijvoorbeeld) 2018 nog een boete aan de belastingplichtige uit BNB 2013/207 opleggen, door te bewijzen dat hij op 31 januari 1994 rekeninghouder was van een KBLux-rekening met daarop meer dan € 45.378 en dat zijn vermogen op de peildatum 1 januari 2018 groter was dan het heffingvrije vermogen.14 Voor het afleiden van een vermoeden van het begaan van het beboetbare feit over 2018 is het vervolgens immers voldoende om erop te wijzen dat het van algemene bekendheid is dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen pleegt te verdwijnen. Aldus zou dan het bewijs zijn geleverd dat het saldo, maar liefst 24 jaar na het enige moment waarop het bestaan en de omvang van dat saldo ooit is vastgesteld, nog steeds tot het vermogen van de belastingplichtige behoort.15 Wanneer het arrest letterlijk wordt genomen, komt het er dus op neer, dat eenieder die op enig moment in zijn leven over een aanzienlijk vermogen beschikt, geacht wordt dat vermogen ook de rest van zijn leven te blijven bezitten.16 Voor wat betreft de heffing is een dergelijke, vergaande extrapolatie in de lagere rechtspraak inderdaad geaccepteerd.17 Naar mijn mening is dat voor wat betreft de boete niet mogelijk, omdat de bewijslast daardoor effectief wordt omgedraaid. Dat is in strijd met de onschuldpresumptie.18 Het lijkt mij in dit kader bovendien juist van algemene bekendheid dat er een gerede kans bestaat dat een bepaald saldo in de loop van een kwart eeuw wordt besteed of weggeschonken.19 Uit het feit dat de Hoge Raad geen vast eindpunt voor de toekomst heeft geformuleerd, zou ook kunnen worden afgeleid dat hij dit punt wenst over te laten aan de rechtspraktijk.20 Dit lijkt mij dan ook de juiste interpretatie.
Voortbouwen op eerder afgeleide vermoedens ten aanzien van het verleden?
De Hoge Raad lijkt in BNB 2013/207 ten aanzien van het verleden te hebben voortgebouwd op een reeds afgeleid vermoeden. In plaats van consequent aan te blijven sluiten bij het saldo per 31 januari 1994, construeerde de Hoge Raad het vermoeden voor het jaar 1993 namelijk aan de hand van het saldo per 1 januari 1994.21 Het bestaan van dat saldo was op zijn beurt echter als vermoeden afgeleid van het saldo per 31 januari 1994. Op het eerste oog is deze bewijsconstructie opvallend: deze is namelijk in strijd met het eerdere oordeel van de Hoge Raad op dit punt. In BNB 2011/207 had de Hoge Raad, zowel voor eerdere als voor latere momenten in de tijd, immers een uitdrukkelijk verbod geformuleerd op het voortbouwen op vermoedens.22 Ik houd het er echter op dat er sprake is geweest van een slip of the pen.
Bewijslevering ten aanzien van het verleden (t-2 en verder)
De Hoge Raad heeft overwogen dat de doorwerking naar perioden langer dan ruim een jaar in het verleden ‘te zeer op veronderstellingen zou zijn gebaseerd’.23 Deze grens is naar mijn smaak uiterst arbitrair. De Hoge Raad heeft ook niet nader gemotiveerd waarom het afleiden van een vermoeden tot op meer dan een heel jaar terug in de tijd nog wél kan. Wel heeft de Hoge Raad voor perioden die verder terug in de tijd zijn gelegen, alvast bepaald dat de inspecteur niet kan volstaan met de vaststelling dat het per 31 januari 1994 aanwezige saldo niet kan worden verklaard uit bij de Belastingdienst bekende inkomens- en vermogensgegevens over de periode daarvóór.24 Over het antwoord op de vraag waarom die vaststelling onvoldoende zou zijn, is de Hoge Raad niet glashelder geweest.25 De inspecteur zal dus met aanvullend bewijs moeten komen, zoals een verklaring omtrent het moment van openen van de rekening of bankafschriften.26
Bewijs ‘beyond reasonable doubt’?
De KBLux-arresten en het arrest BNB 2013/207 zijn gewezen geruime tijd voordat de Hoge Raad (in zijn arrest van 8 april 2022) uitdrukkelijk heeft overwogen dat de inspecteur de centrale stellingen ‘beyond reasonable doubt’ moet bewijzen.27 Het is niet geheel duidelijk of de Hoge Raad deze zware bewijsgradatie ten tijde van de KBLux-arresten in het achterhoofd heeft gehad. Het is denkbaar dat de Hoge Raad in de KBLux-zaken het bewijs van het kale beboetbare feit slechts aannemelijk heeft geacht. In dat geval zou de Hoge Raad in KBLux-achtige gevallen thans tot een ander bewijsoordeel kunnen komen.
Dat zou reeds ten aanzien van het bewijs van het begaan van het kale beboetbare feit in het basisjaar kunnen gebeuren: de combinatie van één enkel direct bewijsmiddel met een tweetal feiten van algemene bekendheid is wellicht onvoldoende om de zware bewijsgradatie te halen. Ook als het bewijs voor wat betreft dat basisjaar wel ‘beyond reasonable doubt’ zou zijn geleverd, is het maar de vraag of dat vervolgens ook geldt voor de eerdere en (met name) latere jaren. Het is echter evengoed mogelijk dat de Hoge Raad nog steeds (voor alle jaren) tot precies dezelfde conclusie zou komen. In het arrest van 8 april 2022 verwees de Hoge Raad namelijk naar één van de KBLux-arresten, zonder ook maar iets over (de betekenis of het gewicht van) vermoedens op te merken.28 Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat het bewijs van het kale beboetbare feit in de KBLux-arresten ‘beyond reasonable doubt’ was geleverd.