Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.4.1
5.3.2.4.1 Frankrijk
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946205:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verrest & Mevis 2018, p. 164.
Brienen & Hoegen 2000, p. 321-322; Stevens e.a. 2016 en Verrest & Mevis 2018, p. 171.
Verrest & Mevis 2018, p. 171-172 en 174.
Brienen & Hoegen 2000, p. 318-321 en Verrest & Mevis 2018, p. 174.
Verrest & Mevis 2018, p. 223.
Dit is mogelijk in geval van een contravention en een délit, maar niet in het geval van een crime.
Verrest & Mevis 2018, p. 175.
Verrest & Mevis 2018, p. 174-175.
Deze kritiek heeft reeds geleid tot wettelijke aanscherpingen van de regeling. Zo moet tegenwoordig een borgsom worden betaald bij een burgerlijke partijstelling en zijn de eisen voor ontvankelijkheid van een klacht met burgerlijke partijstelling aangescherpt. Zie respectievelijk art. 88 CPP en art. 85 lid 2 CPP.
Verrest & Mevis 2018, p. 176.
Brienen & Hoegen 2000, p. 318.
Het Franse strafprocesrecht is geënt op twee verschillende vervolgingsrechten, namelijk dat van het openbaar ministerie (de action publique) en dat van het slachtoffer (de action civile). Daarbij richt het openbaar ministerie zich op rechtshandhaving ten behoeve van de samenleving, terwijl private (financiële) genoegdoening centraal staat bij het vervolgingsrecht van het slachtoffer.1 De uitvoering van de daadwerkelijke vervolging blijft echter in handen van de openbaar aanklager, die in Frankrijk – als procureur de la République – is belast met de opsporing en vervolging van strafbare feiten.2
In art. 40 lid 1 van de Code de Procédure Pénale (CPP) is bepaald onder welke omstandigheden de openbaar aanklager kan kiezen voor vervolging, een alternatieve afdoening of een sepot. Als de openbaar aanklager besluit te seponeren, kan de aangever op grond van art. 40 lid 3 CPP een bezwaarschrift tegen die beslissing indienen bij de procureur-generaal. Dat kan ertoe leiden dat alsnog de vervolging wordt bevolen.3 Een aangever heeft daarmee – ondanks dat geen sprake is van rechterlijke toetsing van de vervolgingsbeslissing – wel een mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie.
Daarnaast kan het slachtoffer op drie manieren gebruikmaken van het aan hemzelf toebedeelde vervolgingsrecht.4 Het slachtoffer kan ten eerste aangifte doen en op die wijze vervolging door het openbaar ministerie uitlokken, waarna het slachtoffer zich in die zaak voegt. Het slachtoffer kan ook een klacht met burgerlijke partijstelling voorleggen aan de onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter besluit vervolgens op basis van een gerechtelijk vooronderzoek of de verdachte (verder) wordt vervolgd.5 Tot slot kan het slachtoffer onder bepaalde omstandigheden een verdachte ter zake lichtere strafbare feiten zelfstandig dagen voor de strafrechter door middel van een citation directe. 6Verrest wijst er echter op dat deze laatste mogelijkheid in de praktijk nauwelijks wordt benut en dat de mogelijkheid tot rauwelijks dagvaarden alleen bij smaad en laster een rol lijkt te spelen.7
Het slachtoffer maakt dus vooral gebruik van de mogelijkheid om als burgerlijke partij op te treden in een vervolging die van het openbaar ministerie uitgaat. Het slachtoffer heeft in dat geval ook rechten waarmee (het verloop van) de vervolging kan worden beïnvloed. Niet alleen kan worden verzocht om onderzoekshandelingen te verrichten en om stukken aan het dossier toe te voegen. De burgerlijke partij kan ook vooraf reageren op de voorgenomen beslissing van de onderzoeksrechter over verdere vervolging en kan achteraf beroep instellen tegen een onwelgevallige vervolgingsbeslissing van de onderzoeksrechter. Daarnaast kan het slachtoffer in de latere fase van berechting als burgerlijke partij beroep instellen tegen uitspraken van de zittingsrechter die nadelig voor hem zijn met het oog op het verkrijgen van schadevergoeding. 8
Er is volgens Verrest de nodige kritiek in Frankrijk op de sterke invloed die slachtoffers (met name) via de burgerlijke partijstelling kunnen hebben op de vervolging. Daarbij speelt de vertragende werking op het strafproces een grote rol. Voorts wordt gewezen op mogelijk misbruik van de bevoegdheden, waarbij bijvoorbeeld zakelijke geschillen via burgerlijke partijstellingen in het strafrecht worden getrokken. 9Een meer fundamenteel bezwaar tegen de sterke positie voor het slachtoffer is dat de uitoefening van het recht tot schadeverhaal niet in alle gevallen centraal lijkt te staan bij de burgerlijke partijstelling. De hiervoor omschreven verregaande bevoegdheidstoedeling leidt er immers toe dat het slachtoffer ook welbewust de publiekrechtelijk geënte vervolging die van het openbaar ministerie uitgaat inhoudelijk kan beïnvloeden.10
Met het oog op de invloed die slachtoffers hebben op de vervolging verdient tot slot opmerking dat het Franse recht net als Nederland klachtdelicten kent waarbij een klacht van het slachtoffer noodzakelijk is om de dader te kunnen vervolgen. Dit betreft in Frankrijk op dit moment onder meer laster, belediging en de publicatie van privégesprekken of -afbeeldingen zonder toestemming van de betrokkene.11