Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/8.4.2.1
8.4.2.1 Betalingen uit hoofde van aansprakelijkheid of borgtocht
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS458975:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Volgens de memorie van toelichting zou een redelijke wetstoepassing dit reeds met zich brengen, maar is dit om proceduretechnische redenen nadrukkelijk in de wet opgenomen. Nadrukkelijk is niet beoogd af te wijken van de jurisprudentie die zich op het gebied van de aftrekbare kosten en de persoonlijke verplichtingen heeft gevormd, Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 62.
De bepaling van art. 20c, veertiende lid, Wet IB ziet dus op de situatie waarin de betaling door de directeur-aandeelhouder in de sfeer van de dienstbetrekking moet worden geplaatst. Zie bijvoorbeeld HR 6 december 1989, BNB 1990/53. Hiermee ziet deze bepaling dus nadrukkelijk op een andere situatie dan waarop art. 20b, eerste lid, onderdeel d. Wet IB betrekking heeft (zie hoofdstuk 6, onderdeel 6.2.5).
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 62.
Door de verwijzing naar de persoonlijke verplichtingen wordt tevens de situatie gedekt waarin de eventuele rente niet in aftrek kon worden gebracht vanwege de eveneens per 1 januari 1997 in de Wet IB opgenomen beperking van de consumptieve renteaftrek. Voorzover de rente uit hoofde van de aansprakelijkstelling niet in aftrek kan worden gebracht, blijft de verkrijgingsprijs van de (regres)vordering in stand.
In art. 20c, veertiende lid, Wet IB is een regeling opgenomen die bepaalt dat de verkrijgingsprijs van een schuldvordering, voor zover de schuldvordering is ontstaan door betalingen welke als aftrekbare kosten dan wel als persoonlijke verplichtingen in aanmerking konden worden genomen, wordt verminderd met die betalingen.1 Deze bepaling ziet met name op betalingen die een directeur/aandeelhouder uit hoofde van de zgn. Wet bestuurdersaansprakelijkheid moet doen, nu dergelijke betalingen in beginsel onder de aftrekbare kosten van dienstbetrekking vallen. Tegenover deze betalingen verkrijgt de directeur/aandeelhouder een (regres)vordering jegens de vennootschap die dan ingevolge art. 20c, veertiende lid, Wet IB een verkrijgingsprijs van ƒ nihil heeft. Op deze wijze wordt voorkomen dat dezelfde betaling tweemaal voor de belastingheffing in aanmerking wordt genomen, nl. eenmaal als aftrekbare kosten resp. persoonlijke verplichtingen en andermaal als verkrijgingsprijs. Met name kan hierdoor geen verlies uit aanmerkelijk belang ontstaan als de (regres)vordering waardeloos ^- hetgeen in dergelijke situaties veelal het geval zal zijn - blijkt te zijn. Tevens ziet deze bepaling op betalingen uit hoofde van borgtocht die onder de aftrekbare kosten van dienstbetrekking vallen alsmede op betalingen van belastingplichtigen ter behoud van hun dienstbetrekking bij een andere vennootschap.2
De vermelding van de persoonlijke verplichtingen in art. 20c, veertiende lid, Wet IB moet blijkens de memorie van toelichting worden gezien tegen de achtergrond waarin de aansprakelijkgestelde een betaling ter zake van de aansprakelijkstelling niet prompt voldoet en daardoor een rente wordt verschuldigd.3 Ook voor deze rente ontstaat een (regres)vordering op de vennootschap, waarvan de verkrijgingsprijs dus eveneens wordt verlaagd met het bedrag van de betaling dat op de voet van art. 45 Wet IB in mindering kon worden gebracht.4