Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.3.2
10.3.2 Toets aan het toetsingskader
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491677:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie onderdeel 9.5.
Zie onderdeel 10.3.3 voor mijn aanbevelingen. Tot 2001 waren de splitsingsregels in de Wet VPB 1969 en de Wet IB 1964 alleen van toepassing op splitsingen naar Nederlands civiel recht. Daarnaast werd geëist dat de splitsingspartners in Nederland waren gevestigd. Voor splitsingen die onder het toepassingsbereik van de Fusierichtlijn vielen, gold een aparte regeling. Zie ook onderdeel 4.4.2. In de bijbehorende parlementaire stukken was opgemerkt dat fiscale facilitering onder omstandigheden ook mogelijk was in het geval van splitsingen waarbij rechtspersonen van niet EU-lidstaten waren betrokken. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 3. Bovendien werd ingegaan op een splitsing waaraan een in het buitenland gevestigde rechtspersoon deelnam met een vi in Nederland. Er werd een aanpassing van een bestaande mededeling (V-N 1987, p. 1279, punt 24) in het vooruitzicht gesteld. Daarin zou het volgende worden geregeld. Als de vi als gevolg van de splitsing zou overgaan naar een andere rechtspersoon, kon vennootschapsbelasting achterwege blijven. De betreffende mededeling is echter niet aangepast, maar ingetrokken bij Beleidsbesluit BNB 2006/121, omdat zij verouderd zou zijn. Ik wijs erop dat in die mededeling niet werd geëist dat de splitsingspartners in een EU-lidstaat gevestigd moesten zijn. Op dit punt was het toenmalige beleid dus ruimer dan de huidige wettelijke regeling. Nu geldt immers de vestigingsplaatseis van art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969 jo. art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001. Voor buiten de EU/EER gevestigde rechtspersonen ontbreekt goedkeurend beleid. Tijdens de parlementaire behandeling van de tot 2001 geldende splitsingsregeling is ook aandacht besteed aan in Nederland belastingplichtige houders van aandelen in een splitsende rechtspersoon die is gevestigd in een andere EU-lidstaat of in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft gesloten. Toegezegd werd dat in de uitvoeringssfeer met een welwillende houding zou worden bezien in welke mate fiscale begeleiding zou kunnen worden geboden in gevallen waarin dat andere land fiscale begeleiding gaf. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 11, p. 2 en Kamerstukken I 1997/98, 25 709, nr. 315b, p. 3. Het is (mij) niet duidelijk of deze welwillende houding ook is voorgeschreven onder de huidige regeling voor (potentieel toekomstige) participanten en schuldeisers van een splitser die buiten de EU maar in een verdragsland is gevestigd.
Zie onderdeel 10.2.3.
Deze fiscaaltechnische aanpassingen van de vestigingsplaatseis dienen alleen te worden doorgevoerd ingeval de wetgever de vestigingsplaatseis handhaaft. In onderdeel 10.3.3 pleit ik voor het schrappen van de vestigingsplaatseis.
Met ingang van 2010 is het toepassingsbereik van deze splitsingsregels uitgebreid naar EER-landen. Zie onderdeel 4.4.2.
In onderdeel 10.2.2 is het begrip splitsing getoetst. Op die plaats is ook ingegaan op de term ‘vennootschap’. Daarom zijn veel aspecten van de kwalificerende rechtsvormeis al in dat onderdeel behandeld.
Een entiteit die niet is opgesomd in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn, komt niet in aanmerking voor de Fusierichtlijnvoordelen. Vgl. HvJ EG, C-247/08 (Gaz de France), V-N 2009/59.16, punt 44, over het begrip vennootschap in de Moeder-dochterrichtlijn. Deze beperking van de werkingssfeer van een richtlijn is volgens het Hof van Justitie niet strijdig met de vrijheid van vestiging (punt 61) en ook niet met het vrije verkeer van kapitaal (punt 62). Dit neemt overigens niet weg dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat hun nationale rechtsregels in overeenstemming zijn met de verkeersvrijheden (punt 59 en 60). Gelet op HvJ EU, C-458/18 (GVC Services (Bulgaria)), V-N 2020/17.12, is dit vaste rechtspraak. Uit laatstgenoemd arrest blijkt dat dit ook geldt voor landen die entiteiten niet opsommen, maar gebruik maken van een generieke formulering.
Art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969 luidt namelijk als volgt (cursiveringen zijn door mij aangebracht): “Het tweede tot en met het tiende lid vinden slechts toepassing indien de splitsende en de verkrijgende rechtspersonen in Nederland zijn gevestigd, of (...) in een lidstaat van de Europese Unie of (…) Europese Economische Ruimte.” Vgl. ook de tekst in art. 3.56, lid 2 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001.
Zie onderdeel 10.2.3. Die conclusie werkt door naar dit onderdeel. Zie ook de fiscaaltechnische toets hiervóór.
Dat is vanzelfsprekend niet in strijd met de Fusierichtlijn. Voor een uitgebreide analyse van de rechtsvormeis van art. 3, onderdeel a, Fusierichtlijn verwijs ik naar Boulogne 2016, onderdeel 1.03, p. 23-51.
Zie HvJ EG, C-247/08 (Gaz de France), V-N 2009/59.16, punt 59 en 60. Vgl. ook HvJ EG, C-303/07 (Aberdeen), V-N 2009/31.11, waarin het Hof van Justitie besliste dat Finland geen bronbelasting mocht inhouden op een uitkering aan een Luxemburgse SICAV-moedervennootschap, omdat Finland een dergelijke inhouding ook achterwege liet bij een uitkering aan een vergelijkbare Finse moedervennootschap. Het maakte daarbij niet uit dat de Luxemburgse SICAV-vennootschap niet was genoemd de bijlage van de moeder-dochterrichtlijn met kwalificerende rechtsvormen (punt 76). Vgl. daarnaast HvJ EG, C-521/07 (Commissie tegen Nederland), V-N 2009/28.11, waarin het Hof van Justitie tot de slotsom kwam dat de voormalige inhoudingsvrijstelling in de Nederlandse dividendbelasting in strijd was met de vrijheid van kapitaalverkeer als bedoeld in art. 40 EER-Overeenkomst, omdat aan dividend ontvangende vennootschappen uit IJsland en Noorwegen zwaardere eisen werden gesteld.
Ik schrijf bewust mogelijk, want dit is afhankelijk van het antwoord op de vraag of een bepaalde visie van de Nederlandse wetgever juist is. Zie hierna.
Zie de analyse in onderdeel 10.2.2 en de daar gemaakte verwijzingen.
In dat geval kan evenmin sprake zijn van een rechtsvorm die vergelijkbaar is met de rechtsvormen die voor Nederland in die bijlage zijn genoemd. Dat is relevant voor naar buitenlands recht opgerichte entiteiten die vergelijkbaar zijn met naar Nederlands recht opgerichte verenigingen en stichtingen. Als dergelijke entiteiten niet zijn genoemd in Bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn en buiten Nederland zijn gevestigd, kunnen zij (én hun schuldeisers en leden) geen gebruik maken van fiscale facilitering in Nederland.
In dezelfde zin Van den Broek 2012, onderdeel 8.2.4.2.3, p. 432-433.
Ook de wetgever is deze mening (inmiddels) toegedaan. Zie onderdeel 10.2.2.
Zie art. 54, eerste alinea, VWEU respectievelijk art. 34, eerste alinea, EER-Overeenkomst.
Zie bijvoorbeeld HR BNB 1993/193.
Deze vraag speelt ook met betrekking tot art. 3, onderdeel b, Fusierichtlijn zelf. Aangezien dit onderzoek is gericht op nationale splitsingsbepalingen, ga ik daar niet op in. Zie daarover Kollruss, European Taxation 2015/9 en Kollruss, Intertax 2015/8-9. Deze auteur besteedt ook aandacht aan de Duitse implementatie van art. 3, onderdeel b, Fusierichtlijn.
Zie art. 49 jo. 54 VWEU en art. 31 jo. 34 EER-Overeenkomst. De statutaire zetel, hoofdbestuur en hoofdvestiging van een vennootschap worden op gelijke voet geplaatst als element van aanknoping. Zie HvJ EG, C-210/06 (Cartesio), V-N 2009/6.22, punt 106. Een vennootschap die niet in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat is opgericht, kan zich niet beroepen op de vrijheid van vestiging. Zie HvJ EU, C-47/12 (Kronos International Inc.), NTFR 2014/2326, punt 46.
Kollruss, Interatax 2015/8-9, onderdeel 2.2, wijst in dit verband op HvJ EU, C-80/12 (Felixstowe Dock and Railway Company), NTFR 2014/1268, punt 40. Het Hof van Justitie expliciteerde in die zaak dat de hoedanigheid van vennootschap van de Unie ex artikel 54 VWEU gebaseerd is op de plaats van de maatschappelijke zetel en de rechtsorde waarin de vennootschap is opgericht. De bedoelde hoedanigheid is niet gebaseerd op de nationaliteit van haar aandeelhouders. Hiermee werd de controletheorie verworpen. Zie hierover onder meer Weber, Cursus Belastingrecht EBR, onderdeel 5.0.2.B.a (bijgewerkt 16-3-2021). Met ‘maatschappelijke zetel’ doelt het Hof van Justitie volgens mij op de drie alternatieve criteria in art. 54 VWEU, te weten statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging.
Vgl. HvJ EG, C-470/04 (N.), BNB 2007/22. Zie voor een uitgebreide analyse bijvoorbeeld Smit 2012, hoofdstuk 9, onderdeel 2.3.1, p. 739-741.
HvJ EG, C-196/04 (Cadbury Schweppes), BNB 2007/54, punt 54 en de daar gemaakte verwijzingen, waaronder die naar HvJ EG, C-221/89 (Factortame II), NJ 1994/43, punt 20. Zie ook Weber 2003, onderdeel 2.2.5, p. 43-49.
In HvJ EU, C-292/16 (A Oy), V-N 2017/60.13, punt 23, oordeelde het Hof van Justitie dat rechtshandelingen die onder de Fusierichtlijn vallen, een bijzondere wijze van uitoefening van de vrijheid van vestiging vormen. Dat is in lijn met eerdere rechtspraak. Zie HvJ EG, C-411/03 (Sevic), V-N 2006/7.27, punt 19, HvJ EU, C-123/11 (A Oy), V-N 2013/13.16, punt 24 en HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 28. Zie ook onderdeel 2.10.
Ik onderken dat de vrijheid van vestiging geen uitstraling heeft naar Australië omdat dit een derde-land is. Het punt is echter dat sprake is van een belemmering van een splitsing die plaatsvindt tussen (in dit geval) twee vennootschappen die zijn opgericht naar het recht van EU-lidstaten.
Deze rechtvaardigingsgrond is bijvoorbeeld aanvaard in HvJ EU, C-337/08 (X Holding), BNB 2010/166 over het Nederlandse fiscale-eenheidsregime in de vennootschapsbelasting.
Dit is een aanname. Mocht geen sprake zijn van een vi, dan is fiscale facilitering sowieso onmogelijk. Dan moet de splitsende rechtspersoon namelijk afrekenen over de splitsingswinst die samenhangt met de vermogensbestanddelen die het bereik van de Nederlandse vennootschapsbelasting verlaten. Zie onderdeel 11.6.2. Ook in de Fusierichtlijn is de lidstaat van de inbrengende vennootschap (splitsende rechtspersoon) slechts verplicht af te zien van acute vennootschapsbelastingheffing voor zover de vermogensbestanddelen (activa en passiva) gaan behoren tot een vi van de ontvangende vennootschap (verkrijgende rechtspersoon) in de lidstaat van de inbrengende vennootschap (splitsende rechtspersoon). Zie art. 4, lid 1 en lid 2, onderdeel b, Fusierichtlijn.
Zie art. 7, paragraaf 1, tweede volzin, OMV. Zie ook art. 7, paragraaf 1, Belastingverdrag Nederland-Australië 1976 en art. 7, paragraaf 1, Belastingverdrag Nederland-Duitsland 2012. Zie ook Kollruss, Intertax 2015/8-9, onderdeel 4.2.
Vgl. ook Kollruss, Intertax 2015/8-9, onderdeel 4.2.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG, C-28/95 (Leur-Bloem), BNB 1998/32, punt 40, HvJ EU, C-14/16 (Euro Park Service), V-N 2017/17.12, punt 55 en 56 en HvJ EU, C-6/16 (Eqiom en Enka), BNB 2018/55, punt 32.
Kollruss, European Taxation 2015/9 en Intertax 2015/8-9 concludeerde eerder al hetzelfde met betrekking tot art. 3, onderdeel b, Fusierichtlijn en nationale belastingregels die op die leest zijn geschoeid.
Van den Broek 2012, onderdeel 8.2.4.2.2, p. 432 gaat aan dit onderscheid voorbij.
Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nrs. 1-2, p. 2 en het daarin voorgestelde art. 14b, lid 4, ten derde, Wet IB 1964.
Dat blijkt ook uit de toelichting in Kamerstukken II 1991/92, 22 338, nr. 3, p. 2.
Boulogne in: Boulogne & Pieterse 2012, onderdeel 4.4, p. 47.
Zie bijvoorbeeld Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 3.7.4, p. 42-44 en Van den Broek 2012, onderdeel 6.2.1.4.4, p. 163-167 en de door deze auteurs gemaakte literatuurverwijzingen.
Zie HvJ EU, C-448/15 (Wereldhave Belgium), BNB 2017/145. Het ging in die zaak over de onderworpenheidseis van (nu) art. 2, onderdeel a, ten derde, Moeder-dochterrichtlijn. Die eis komt inhoudelijk overeen met art. 3, onderdeel c, Fusierichtlijn. Hoewel de doelstelling van de Moeder-dochterrichtlijn een andere is dan die van de Fusierichtlijn, lijkt het aannemelijk dat het Hof van Justitie de - woordelijk vrijwel identieke - onderworpenheidstoets in beide richtlijnen hetzelfde zal uitleggen. Zie ook Vermeulen, noot in FED 2017/77, punt 9 en Van den Broek, NDFR Deel EBR, commentaar op de Fusierichtlijn, onderdeel 3.3 (bijgewerkt 29-3-2021).
Ingeval niet alle aan de splitsing deelnemende rechtspersonen een FBI zijn, is de wettelijke doorschuifregeling (art. 14a, lid 2, Wet VPB 1969) niet toepasbaar. Zie onderdeel 11.3.2. De splitsing kan in dergelijke gevallen echter fiscaal gefaciliteerd tot stand komen op verzoek (art. 14a, lid 3, Wet VPB 1969). Zie ook het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 7.2 (zuivere splitsing) en het Beleidsbesluit NLF 2021/1058, onderdeel 7.2 (afsplitsing).
Gelet op de analyse van het tweede element van de vestigingsplaatseis hiervóór, dient Nederland die mogelijkheid zelfs te bieden aan buiten de EU/EER gevestigde lichamen/FBI’s, mits dat vennootschappen zijn als bedoeld in art. 54 VWEU respectievelijk art. 34 EER-Overeenkomst. Zie Vermeulen 2012, onderdeel 3.2.1.2.1, p. 84-86 over de mogelijkheid van buiten Nederland gevestigde FBI’s.
Van den Broek 2012, onderdeel 8.2.4.2.4, p. 433.
Fiscaal-theoretische toets
De vestigingsplaatseis zorgt ervoor dat de fiscale begeleidingsmogelijkheden van splitsingen geografisch beperkt zijn. Mede gegeven de globalisering in het algemeen en de internationalisering van het bedrijfsleven in het bijzonder, is zo’n beperking naar mijn mening een gemiste kans. Ook splitsingen met buiten Nederland en de EU/EER gevestigde splitsingspartners kunnen namelijk wenselijk zijn. Een voorbeeld is een splitsing tussen twee naar Nederlands recht opgerichte rechtspersonen waarvan er één op grond van het toepasselijke belastingverdrag wordt geacht te zijn gevestigd in Japan. In dergelijke gevallen is er gelet op de fiscaal-theoretische toets geen ruimte voor vennootschapsbelemmeringen, mits belastingclaims gewaarborgd zijn en geen sprake is van oneigenlijk gebruik.1 De vestigingsplaatseis conflicteert daarom met de fiscaal-theoretische toets.2
Fiscaaltechnische toets
Met betrekking tot de huidige vestigingsplaatseis lopen de termen rechtspersoon en vennootschap enigszins door elkaar en dat komt de duidelijkheid van de splitsingsregels niet ten goede. In art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969, art. 3.56, lid 2 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 wordt namelijk de term rechtspersoon (en de meervoudsvorm rechtspersonen) gehanteerd, terwijl in art. 3.55, lid 5, Wet VPB 1969 het begrip vennootschap centraal staat. Dit laatste is overigens verklaarbaar omdat in art. 3.55 Wet IB 2001 primair een regeling voor aandelenfusies is getroffen. De aandelenfusiefaciliteit is op grond van art. 3.55, lid 2, Wet IB 2001 alleen van toepassing wanneer – ontdaan van nuances – een vennootschap aandelen verwerft in een andere vennootschap. Ook in de Fusierichtlijn wordt de term vennootschap gebruikt. Eerder in dit hoofdstuk is al de aanbeveling gedaan om de term rechtspersoon in diverse wettelijke bepalingen te vervangen door de term entiteit.3 In lijn daarmee dient aan art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969, art. 3.56, lid 2 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 te worden toegevoegd dat voor het begrip vennootschap in art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 moet worden gelezen: entiteit.4
Toets aan hoger recht
De vestigingsplaatseis vertoont grote gelijkenissen met de definitie van ‘vennootschap van een lidstaat’ in art. 3 Fusierichtlijn. Dat is begrijpelijk. Sinds 2001 geldt in de Wet IB 2001 en Wet VPB 1969 een gelijke behandeling voor zuiver nationale splitsingen en grensoverschrijdende splitsingssituaties in EU-verband die binnen de werkingssfeer van de Fusierichtlijn vallen.5 Hierna worden de drie elementen van de nationale vestigingsplaatseis afzonderlijk getoetst aan het EU-recht.
Element 1: kwalificerende rechtsvorm6
Splitsingspartners die buiten Nederland zijn gevestigd, dienen een rechtsvorm te hebben die (i) is opgenomen in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn of (ii) vergelijkbaar is met een van de rechtsvormen die voor Nederland zijn opgenomen in die bijlage.7 Met de verwijzing naar de bijlage van de Fusierichtlijn sluit Nederland in de basis aan bij art. 3, onderdeel a, Fusierichtlijn.8 Art. 14a, lid 11, Wet VPB 1969, art. 3.56, lid 2 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 eisen echter dat de splitsingspartners rechtspersonen zijn.9 Niet alle vennootschappen die zijn opgenomen in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn zijn rechtspersonen. Hiervóór is al geconcludeerd dat de term rechtspersoon dient te worden vervangen door entiteit.10
Ten opzichte van art. 3, onderdeel a, Fusierichtlijn is de nationale rechtsvormeis minder streng.11 Als de rechtsvorm van de splitser of verkrijger(s) namelijk niet voorkomt in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn, is fiscale facilitering toch mogelijk als die splitsingspartner een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een rechtsvorm die voor Nederland in die bijlage staat. Deze uitbreiding is noodzakelijk gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie. De omstandigheid dat een bepaalde rechtsvorm niet is opgenomen in een bijlage bij een richtlijn, ontslaat lidstaten namelijk niet van de verplichting ervoor te zorgen dat nationale rechtsregels in overeenstemming zijn met het primaire EU-recht.12 Toch is de nationale regeling mijns inziens mogelijk13 niet geheel in overeenstemming met het primaire EU-recht.
In bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn worden stichtingen en verenigingen namelijk niet expliciet genoemd. Hoewel deze rechtspersonen/lichamen mijns inziens onder de restcategorie vallen, is dat volgens de wetgever niet het geval.14 Stichtingen en verenigingen die in Nederland zijn gevestigd en ook hun schuldeisers en leden,15 ondervinden hier geen last van. Zij vallen zonder twijfel onder het toepassingsbereik van de splitsingsfaciliteiten in de Wet VPB 1969 en Wet IB 2001 omdat stichtingen en verenigingen rechtspersonen zijn. Vanwege de feitelijke vestigingsplaats in Nederland hoeven zij niet te voldoen aan de eisen van art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001, waaronder de rechtsvormeis. De vraag rijst of hetzelfde geldt als deze stichtingen, verenigingen buiten Nederland, maar in de EU/EER zijn gevestigd. Wordt de visie van de wetgever gevolgd, dan is dat opmerkelijk genoeg niet het geval. Volgens de wetgever maken stichtingen en verenigingen namelijk geen deel uit van bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn.16 Dit leidt tot de curieuze slotsom dat in Nederland gevestigde stichtingen en verenigingen en ook hun schuldeisers en leden in de basis wel gebruik kunnen maken van de fiscale splitsingsfaciliteiten, terwijl buiten Nederland gevestigde stichtingen en verenigingen én hun schuldeisers en leden dat niet kunnen, althans als de visie van de wetgever wordt gevolgd. Mijns inziens is hier sprake van een verschil in behandeling van objectief vergelijkbare gevallen.17 Ik zie geen dwingende reden van algemeen belang die deze beperking van de vrijheid van vestiging (art. 49 jo. 54 VWEU) zou kunnen rechtvaardigen. Fiscale facilitering op de voet van art. 14a, lid 2 en lid 3, Wet VPB 1969, art. 3.56, lid 2 en art. 4.41, lid 2, Wet IB 2001 is namelijk in de basis mogelijk als splitsingspartners buiten Nederland, maar in de EU/EER zijn gevestigd. Het valt niet in te zien waarom de toegang tot de genoemde splitsingsfaciliteiten geweigerd zou mogen worden, uitsluitend omdat een stichting of een vereniging buiten Nederland maar in de EU/EER is gevestigd. De splitsingsfaciliteiten bevatten immers, los van de vestigingsplaatseis, regels voor claimhandhaving en tegen oneigenlijk gebruik. Deze regels werken ook als stichtingen en verenigingen buiten Nederland zijn gevestigd. Bij dit alles wijs ik erop dat stichtingen, verenigingen zijn aan te merken als vennootschappen in de zin van art. 54, tweede alinea, VWEU en art. 34, tweede alinea, EER-Overeenkomst.18 Onder vennootschappen wordt namelijk verstaan: maatschappen naar burgerlijk recht of handelsrecht, de coöperatieve verenigingen of vennootschappen daaronder begrepen, en de overige rechtspersonen naar publiek- of privaatrecht, met uitzondering van vennootschappen die geen winst beogen. Dit betekent dat zij een beroep kunnen doen op de vrijheid van vestiging als zij in overeenstemming met de wetgeving van een EU-lidstaat of een EER-land zijn opgericht en hun statutaire zetel, hoofdbestuur of hoofdvestiging binnen de EU/EER hebben.19
Element 2: niet op grond van een belastingverdrag buiten de EU/EER gevestigd
De splitsingspartners die buiten Nederland zijn gevestigd, mogen niet volgens een door hun vestigingsstaat met een derde staat gesloten belastingverdrag worden geacht te zijn gevestigd buiten de EU/EER. Is dat wel het geval, dan is fiscale begeleiding voor alle betrokkenen bij de splitsing niet mogelijk.20 Voor het antwoord op de vraag of aan deze eis is voldaan, dient mijns inziens een tweestappenplan te worden gevolgd.
Bij de eerste stap moet worden vastgesteld dat alle splitsingspartners in een EU-lidstaat of EER-land zijn gevestigd. In de Fusierichtlijn is niet voorgeschreven op basis van welke criteria de fiscale vestigingsplaats moet worden vastgesteld. Volgens het Nederlandse fiscale recht wordt de vestigingsplaats van een lichaam op grond van art. 4, lid 1, AWR als hoofdregel beoordeeld naar de omstandigheden.21 Vastgesteld moet worden waar de werkelijke leiding van het lichaam zich bevindt. Als uitgangspunt geldt dat de werkelijke leiding van een lichaam berust bij het bestuur en dat de vestigingsplaats van het lichaam overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Indien de werkelijke leiding door een ander dan het bestuur wordt uitgeoefend, kan er aanleiding zijn om de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent, als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken.22 Een lichaam kan op grond van deze beoordeling buiten de EU gevestigd zijn, dus in een derde land. Tegelijkertijd kan dat lichaam volgens de fiscale wetgeving van een andere lidstaat van de EU in die lidstaat zijn gevestigd, bijvoorbeeld omdat de betreffende lidstaat aansluit bij het land van oprichting en het lichaam volgens het lokale civiele recht is opgericht. Voor dit soort gevallen bepaalt art. 4, lid 3, AWR als uitzondering op genoemde hoofdregel dat een lichaam toch wordt geacht te zijn gevestigd in een EU-lidstaat. Hiermee is voorkomen dat het Nederlandse nationale fiscale recht de reikwijdte van de EU-Fusierichtlijn ondermijnt.23 Bij de tweede stap moet worden vastgesteld dat alle splitsingspartners niet worden geacht te zijn gevestigd buiten de EU/EER volgens een door hun vestigingsstaat met een derde staat gesloten belastingverdrag. Het nationale fiscale recht conflicteert met deze twee stappen niet met art. 3, onderdeel b, Fusierichtlijn. De Nederlandse regeling is zelfs ruimer dan de Fusierichtlijn. De splitsingspartners mogen namelijk ook gevestigd zijn in een EER-land.
De vraag rijst echter of het tweede element in alle gevallen in overeenstemming is met het primaire EU-recht.24 Vennootschappen die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat zijn opgericht en die hun statutaire zetel óf hun hoofdbestuur óf hun hoofdvestiging binnen de EU (of EER) hebben, worden namelijk beschermd door de vrijheid van vestiging.25 Dit is niet anders als de fiscale vestigingsplaats van zo’n vennootschap zich buiten de EU (en EER) bevindt. Het Hof van Justitie lijkt op dit punt namelijk strikt bij de formulering in art. 54 VWEU te blijven.26 Zelfs een vennootschap die in overeenstemming met de wetgeving van een lidstaat is opgericht en uitsluitend haar statutaire zetel binnen de EU heeft, valt in de basis onder het toepassingsbereik van de vrijheid van vestiging.27 Tegelijkertijd is vereist dat deze vennootschap daadwerkelijk een economische activiteit voor onbepaalde tijd uitoefent door middel van een duurzame vestiging in een andere lidstaat.28 Ook als een splitsingspartner volgens een belastingverdrag buiten de EU/EER is gevestigd, kan de splitsing een grensoverschrijdende economische activiteit binnen de EU (of EER) zijn in de vorm van een vestigingshandeling.29 Een voorbeeld is een splitsing tussen een naar Nederlands recht opgerichte en in Nederland gevestigde splitsende rechtspersoon en een naar Duits civiel recht opgerichte verkrijgende rechtspersoon die – stel – op basis van het belastingverdrag tussen Duitsland en Australië wordt geacht te zijn gevestigd in Australië. Als gevolg van de splitsing drijft de naar Duits recht opgerichte verkrijger een onderneming door middel van een vi in Nederland. Deze splitsing kan niet fiscaal gefaciliteerd plaatsvinden ex art. 14a Wet VPB 1969 omdat de Duitse rechtspersoon volgens genoemd belastingverdrag buiten de EU/EER is gevestigd.30 In dit soort situaties is mijns inziens sprake van een belemmering van de vrijheid van vestiging.31 Fiscale begeleiding van de splitsing staat namelijk wel open ingeval – kort gezegd – de feitelijke vestigingsplaats van alle splitsingspartners zich in Nederland bevindt. De vervolgvraag is of deze belemmering kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang. Een potentiële rechtvaardigingsgrond zou kunnen zijn dat de belemmerende maatregel voorkomt dat de evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten in het geding komt.32 Naar mijn mening gaat dit slechts op als de fiscale vestigingsplaats van een lichaam buiten de EU/EER tot gevolg heeft dat de heffingsbevoegdheid tussen de betrokken EU-lidstaten wijziging ondergaat. Indien belastingverdragen wat betreft de verdeling van heffingsbevoegdheid over ondernemingswinsten OMV-conform zijn, is dat niet het geval. Vertaald naar het voorbeeld: de naar Duits recht opgerichte verkrijgende rechtspersoon drijft als gevolg van de splitsing in Nederland een onderneming door middel van een vi.33 Nederland mag heffen over deze vi-resultaten.34 Maar zelfs al zou deze rechtvaardigingsgrond legitiem zijn, dan is de categorische uitsluiting van splitsingspartners die buiten de EU/EER zijn gevestigd naar mijn mening disproportioneel. Een minder vergaande maatregel is voorhanden, namelijk het voorschrijven van fiscale afrekening voor zover vermogensbestanddelen de Nederlandse heffingssfeer verlaten.35 Een andere mogelijke dwingende reden van algemeen belang zou de bestrijding van belastingontwijking kunnen zijn. Ik acht een beroep op die rechtvaardigingsgrond in deze context echter niet kansrijk.36 Het enkele feit dat één of meer splitsingspartners zijn gevestigd buiten de EU/EER betekent namelijk nog niet dat de splitsing daarom een misbruikachtergrond heeft. Het detecteren van misbruik vereist dat alle relevante feiten en omstandigheden van het geval in de beschouwing worden betrokken.37 Het op voorhand onmogelijk maken van fiscale facilitering van een splitsing omdat niet alle splitsingspartners binnen de EU (of EER) zijn gevestigd, is niet geschikt om potentieel misbruik te bestrijden. Bovendien is zo’n benadering disproportioneel. Afsluitend is mijn conclusie dat de onderhavige eis in strijd is met de vrijheid van vestiging.38
Element 3: onderworpenheidseis
De buiten Nederland gevestigde splitsingspartners dienen zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld in hun vestigingsstaat te zijn onderworpen aan de lokale belasting naar de winst als bedoeld in bijlage 1, deel B van de Fusierichtlijn of aan een andere in die staat geheven belasting naar de winst.39 Hoewel deze onderworpenheidseis grote gelijkenissen vertoont met art. 3, onderdeel c, Fusierichtlijn, springt een verschil in het oog. De nationale regeling eist namelijk onderworpenheid in de vestigingsstaat, terwijl in de Fusierichtlijn onderworpenheid wordt geëist van een belasting die voorkomt in bijlage 1, deel B van die richtlijn.40 Dit onderscheid was al aanwezig toen de Nederlandse wetgever de Fusierichtlijn met ingang van 1 januari 1992 in de nationale belastingwetten implementeerde.41 De nationale wetgever interpreteert de tekst van de Fusierichtlijn dus zodanig dat sprake moet zijn van onderworpenheid in de lidstaat van vestiging.42 In de meeste gevallen zal een rechtspersoon of vennootschap in zijn vestigingsland onderworpen zijn aan een belasting naar de winst, zodat in die gevallen geen spanning bestaat tussen de nationale wettekst en art. 3, onderdeel c, Fusierichtlijn, maar dat hoeft niet zo te zijn. Boulogne heeft dit verduidelijkt met een voorbeeld van een juridische fusie tussen een in Nederland gevestigde verdwijnende rechtspersoon en een in Luxemburg gevestigde verkrijgende SA die voldoet aan het Luxemburgse SICAV-regime.43 Op grond van art. 14b, lid 8, Wet VPB 1969 jo. art. 3.55, lid 5, ten derde, Wet IB 2001 komt deze juridische fusie niet in aanmerking voor fiscale facilitering aangezien de SA in Luxemburg door toepassing van het SICAV-regime is vrijgesteld van belastingheffing.44 Volgens Boulogne dient deze juridische fusie echter wel fiscaal begeleid te worden mits de Luxemburgse SA in Nederland buitenlands belastingplichtige wordt op de voet van art. 3 Wet VPB 1969. Ik ben het daarmee eens. Als Nederland in situaties als in dit voorbeeld fiscale facilitering weigert, is dat naar mijn mening in strijd met de Fusierichtlijn. Dat geldt ook als sprake is van een splitsing in plaats van een juridische fusie.
Volgens de wetgever voldoet een fiscale beleggingsinstelling (FBI) niet aan de onderworpenheidseis.45 Dit heeft vele pennen in beweging gebracht,46 maar de visie van de wetgever lijkt door het Hof van Justitie bevestigd.47 De vraag rijst of dit voor de toepassing van de splitsingsregeling van art. 14a Wet VPB 1969 wel zo relevant is. Een in Nederland gevestigde FBI kan immers een fiscaal begeleide splitsing tot stand brengen.48 Op basis van de vrijheid van vestiging is Nederland mijns inziens verplicht dezelfde mogelijkheid te bieden aan een buiten Nederland, maar in de EU/EER gevestigde FBI.49
Slotopmerkingen
Afsluitend vraag ik nog aandacht voor rechtspersonen met een dubbele vestigingsplaats (dual residents). Van den Broek heeft met betrekking tot de identieke vestigingsplaatseis in de juridische-fusieregeling50 terecht geconstateerd dat een naar het recht van de Verenigde Staten (VS) opgerichte, maar in Nederland gevestigde rechtspersoon in de basis fiscaal gefaciliteerd juridisch kan fuseren met een in Nederland gevestigde BV. Vervolgens merkt Van den Broek op dat zo’n fiscaal begeleide juridische fusie niet mogelijk is als die VS-rechtspersoon is gevestigd in een andere EU-lidstaat. De reden zou zijn dat dan niet is voldaan aan art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001.51 Hij licht niet toe waarom in dit voorbeeld niet aan die bepaling zou zijn voldaan. Hoewel de VS-rechtspersoon geen rechtsvorm heeft die voorkomt op bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn, kan sprake zijn van een rechtsvorm die vergelijkbaar is met de voor Nederland in die bijlage vermelde rechtsvormen, bijvoorbeeld een NV of BV (element 1). Daarnaast kan de VS-rechtspersoon onderworpen zijn aan een belasting naar de winst in de EU-lidstaat van vestiging (element 3). Er is dan voldaan aan art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001, tenzij de VS-rechtspersoon volgens het belastingverdrag tussen de VS en de EU-lidstaat wordt geacht te zijn gevestigd buiten de EU/EER (element 2). Mogelijk dat Van den Broek meent dat de buiten Nederland maar in de EU gevestigde VS-rechtspersoon geen kwalificerende rechtsvorm heeft. Vóór 2010 was dat juist omdat een buiten Nederland gevestigde rechtspersoon destijds een rechtsvorm moest hebben die is genoemd in bijlage 1, deel A van de Fusierichtlijn. In die bijlage gaat het – afgezien van de SE en SCE – over vennootschappen naar het recht van EU-lidstaten. Vanaf 2010 is het ook voldoende als de vennootschap een rechtsvorm heeft die vergelijkbaar is met een van de rechtsvormen die voor Nederland in bedoelde bijlage staan.52 Ik lees in art. 3.55, lid 5, Wet IB 2001 niet dat het daarbij moet gaan om een vennootschap (die is opgericht) naar het recht van een EU-lidstaat of een EER-land.