Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/8.2.3
8.2.3 Neutraliteit van belastingwetgeving
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS497651:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J. Doornebal, De terugkeer uit een BV (FM nr. 55), Deventer: Kluwer 1991, p. 242.
De auteur plaatst hier de volgende noot: ‘In zijn inleiding op de Belastingconsulentendag 1987 merkt E. Aardema over dit onderwerp het volgende op: ‘Meer in het algemeen laat de goede reden tot het creëren van een doorschuifmogelijkheid zich vertalen vanuit de economische rationaliteit van de mobiliteit van de onderneming. Daaraan laat zich mede koppelen het uitgangspunt, dat de keuze voor een bepaalde rechtsvorm fiscaal zo neutraal mogelijk dient te zijn, waartoe dan toch ten minste is te rekenen de randvoorwaarde, dat de overgang van de ene rechtsvorm naar de andere als juridisch omhulsel van de onderneming fiscaal zo onbelemmerd mogelijk dient te kunnen geschieden.’ (E. Aaardema, ‘Doorschuiven van belastingen’, Belastingconsulentendag 1987, p. 16).’
J. Doornebal, De terugkeer uit een BV (FM nr. 55), Deventer: Kluwer 1991, p. 240 verwijst onder andere naar R.A. Musgrave en P.B. Musgrave, Public finance in theory and practice, 1984, p. 225.
Hetgeen Doornebal overigens ook niet suggereert.
En in de inkomstenbelasting, maar die laat ik hier gemakshalve buiten beschouwing.
Betrof het een afsplitsing, dan gold alleen een uitkeringsfictie. De tekst van de voorgestelde bepaling is nimmer officieel gepubliceerd, maar wel opgenomen in F.K. Buijn, R. Nieuwdorp, P.H.M. Simonis, Splitsing van rechtspersonen (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Deventer: Kluwer 1996, p. 221.
Kamerstukken II 1997/98, 28 709, A, p. 4.
De wettelijke vereisten hebben onder andere betrekking op de verzekering van de latere heffing, de bij de splitsende en verkrijgende rechtspersoon toepasselijke winstregimes en de aanwezigheid van aanspraken op voorwaartse verliesverrekening, verminderingen ter voorkoming van dubbele belasting en op de deelnemingsverrekening.
P.H.J. Essers, ‘Evaluatie Wet IB 2001 en de winstsfeer’, WFR 2006, 285.
Kamerstukken II 2001/02, 28 346, nr. 1, p. 28.
Het voornemen om de bij art. 3.65 Wet IB 2001 behorende standaardvoorwaarden te codificeren, heeft de Staatssecretaris van Financiën overigens reeds eerder geuit, zoals bij de invoering van de Wet IB 2001 en de herziening van het regime van de fiscale eenheid. Zie Kamerstukken II 1999/ 2000, 26 854, A, p. 4-5.
In navolging van Doornebal kunnen twee dimensies aan de rechtsvormneutraliteit van de fiscale wetgeving worden onderscheiden, te weten een statistische en een dynamische dimensie. Bij de fiscale behandeling van de omzetting van rechtspersonen gaat het om de dynamische variant. Die omschrijft Doornebal als volgt:1
‘Onder dynamische neutraliteit zal in dit verband worden verstaan dat de fiscale wetgeving geen belemmering mag vormen om de rechtsvorm van een onderneming om te zetten in een andere rechtsvorm. Dit betekent echter niet dat de fiscus bij de wijziging van de rechtsvorm van een onderneming genoegen dient te nemen met claimverlies; het treffen van voorzieningen om dergelijk claimverlies te voorkomen behoeft geenszins strijdig te zijn met dynamische neutraliteit op dit terrein.2’
De dynamische neutraliteit is het complement van de ‘statische neutraliteit van de fiscale wetgeving’ die neerkomt op een rechtsvormneutrale ondernemingswinstbelasting (zie over een rechtsvorm neutrale ondernemingswinstbelasting par. 8.5 hierna). Achtergrond van de fiscale neutraliteit vormt de in de economie ontwikkelde theorie dat belastingheffing economische gedragingen zo min mogelijk moet beïnvloeden op straffe van marktverstoringen als gevolg van inefficiënte allocatie van productiefactoren.3 Doornebal behandelt de dynamische neutraliteit vooral in het kader van een wijziging van de rechtsvorm van een BV in een eenmanszaak, maatschap, vennootschap onder firma of een commanditaire vennootschap en omgekeerd. Mijns inziens is de wenselijkheid van het bestaan van dynamische neutraliteit geenszins beperkt tot deze rechtsvormwijzigingen.4 Voorbeelden van uitwerkingen van de dynamische neutraliteit zijn de geruisloze inbrengfaciliteit van art. 3.65 Wet IB 2001, de geruisloze terugkeerfaciliteit art. 14c Wet VPB 1969 en de juridische fusie en splitsingsfaciliteiten in de Wet IB 2001 en de Wet VPB 1969.5 Ook de Raad van State heeft de dynamische neutraliteit mijns inziens erkend. De Raad van State merkte namelijk in zijn advies bij de fiscale begeleidingswet van de juridische fusie en splitsing het volgende op:6
‘De Raad wijst op de maatschappelijke ontwikkeling om bij de keuze en hernieuwde keuze van de rechtsvorm van ondernemingen zo min mogelijk belemmeringen op te werpen. De hiervoor genoemde (fiscale, JLS) fusierichtlijn is hiervan van een voorbeeld.’
Zoals Doornebal betoogt, betekent de dynamische neutraliteit niet dat de fiscus genoegen dient te nemen met claimverlies. In mijn optiek gaat het in dit verband om het vinden van een evenwicht tussen enerzijds het belang van belastingplichtigen bij een onbelemmerende rechtsvormwijziging en anderzijds het behoud van fiscale claims en sanctiemogelijkheden.
Een dergelijke belangenafweging heeft eind jaren ’90 van de vorige eeuw uitdrukkelijk plaatsgevonden bij de vormgeving van de fiscale begeleiding van de juridische splitsing in de vennootschapsbelasting.7 Aanvankelijk was voorgesteld om aan te sluiten bij de in art. 28a Wet VPB 1969 opgenomen regeling van de omzetting van rechtspersonen. De splitsende rechtspersoon die op de voet van art. 2:334a BW zijn vermogen onder algemene titel doet overgaan en daarna van rechtswege ophoudt te bestaan, werd op grond van het voorgestelde art. 28aa Wet VPB 1969 geacht te zijn geliquideerd en haar vermogen te hebben uitgekeerd aan de deelgerechtigden.8 Vervolgens voorzag de regeling – evenals art. 28a Wet VPB 1969 – erin om op verzoek van de belastingplichtige(n) de gevolgen van de fictieve liquidatie buiten aanmerking te laten. Na kritiek van de Raad van State, die erop neerkwam dat bij een juridische splitsing niet een eindafrekening maar doorschuiving het uitgangspunt zou moeten zijn, is dit voorstel ingetrokken. In de thans geldende regeling van art. 14a Wet VPB 1969, die bij wet van 17 juni 1998, Stb. 1998, 350 met terugwerkende kracht tot en met 1 februari 1998 in werking is getreden en overigens daarna op enkele – hier niet relevante – punten is aangepast, is een nieuw evenwicht gevonden tussen het zoveel mogelijk voorkomen van fiscale belemmeringen aan de ene kant en het behoud van fiscale claims en sancties aan de andere kant.9 Dit evenwicht komt erop neer dat een juridische splitsing weliswaar in beginsel een belastbaar feit is, maar dat de belastingplichtigen – indien aan bepaalde wettelijke vereisten is voldaan – van rechtswege recht hebben op een doorschuiffaciliteit.10 Bovendien wordt de splitsing in de geldende regeling niet gekwalificeerd als een liquidatie van de splitsende rechtspersoon. In plaats daarvan wordt slechts de overgang van het vermogen in het kader van de splitsing aangemerkt als een vervreemding.
Recentelijk is door Essers een nieuw evenwicht bepleit bij de inrichting van de geruisloze inbrengfaciliteit van art. 3.65 Wet IB 2001 en de geruisloze terugkeerfaciliteit art. 14c Wet VPB 1969. Hij merkt op:11
‘Het probleem met de huidige overgangsbepalingen (te weten art. 3.65 Wet IB en art. 14c Wet VPB 1969, JLS) is dat de wetgever ervan uitgaat dat doorschuiving bij verandering van de rechtsvorm de uitzondering op de regel is. De hoofdregel is thans staking en dientengevolge afrekening over de stille en fiscale reserves. Indien men echter uitgaat van de gedachte dat de keuze van de rechtsvorm zo min mogelijk fiscale gevolgen dient te hebben en dat dit a fortiori moet gelden voor een verandering van de rechtsvorm, dan zou men nu juist wel uit moeten gaan van doorschuiven als hoofdregel en staking als uitzondering.’
Een systeem dat overigens in de buurt komt van het door Essers bepleite systeem, heeft de Staatssecretaris van Financiën meer dan vijf jaar geleden zelf geopperd in het kader van een verlaging van de administratieve lasten.12 Het betreft een systeem waarin het verzoek ex art. 3.65 Wet IB 2001 achterwege kan worden gelaten, zodat belastingplichtigen van rechtswege een recht hebben op doorschuiving. In combinatie daarmee worden de standaardvoorwaarden gecodificeerd.13 Sindsdien is echter niets meer van dit plan vernomen.
Wat betreft de beoordeling van de fiscale behandeling van omzetting van rechtspersonen in het licht van de dynamische neutraliteit, rijst – gelet op het bovenstaande – de vraag of art. 28a Wet VPB 1969 voldoende recht doet aan zowel het handhaven van fiscale claims als aan het belang van belastingplichtigen bij een onbelemmerende omzetting.