Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.3.3
5.3.3 Verpanding van aandelen
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS486220:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Het pandrecht kan immers ook worden ingeroepen tegen latere verkrijgers van de verpande aandelen (dit is het zogenaamde droit de suite of zaaksgevolg).
Dat het stemrecht bij vestiging van een pandrecht op aandelen, tenzij anders wordt overeengekomen, bij de aandeelhouder blijft, is met zoveel woorden bepaald in art. 2:89/198 lid 2 BW.
Rood, WOR, art. 25 lid 1, aant. 4. Op de vraag of overdracht van de aandelen in een structuurvennootschap ook onder het bereik van art. 25 lid 1 en onder a WOR valt (Rood lijkt de mening toegedaan dat dat niet het geval is), zal ik in par. 5.3.5 nader ingaan.
Ik noem onder meer Roest 1996, p. 198; Van het Kaar 1999, p. 59; Veerbeek 2003, p. 30; Rood/Van der Heijden 2004, p. 286; Ritmeester 2007, p. 98-99; Verburg 2007a, p. 170; en Huizink 2009, p. 15 en Rechtspersonen, art. 89, aant. 3.3. Witteveen (2000, p. 34) betwijfelt of bij verkrijging van een pandrecht zeggenschap wordt verkregen. Sanders/Westbroek/Buijn/Storm (2005, p. 518-519) laten de vraag onbeantwoord. Zij volstaan met de constatering dat men in de praktijk maar wat schippert door de ondernemingsraad te raadplegen of te informeren ten tijde van de vestiging van het pandrecht.
De uitzondering in de tweede volzin van beide bepalingen brengt mij niet op andere gedachten. Die strekt er slechts toe te voorkomen dat de bank die het stemrecht op de aan haar verpande aandelen uitoefent op grond van het eerste lid van de betreffende artikelen als moedermaatschappij zou moeten worden aangemerkt. Slechts indien de bank te kennen geeft af te zien van uitoefening van het stemrecht of dat stemrecht in het belang van de aandeelhouder(-pandgever) uitoefent, blijven deze aandelen voor het antwoord op de vraag of er een moeder-dochterband is, bij de aandeelhouderpandgever meetellen (Kamerstukken II 1986-1987, 19 813 nr. 3, p. 11).
Vgl. art. 2:406 jo 2:24a BW.
Art. 15 lid 1 Wet Vpb schrijft voor dat de belastingplichtige (moeder) de juridische en economische eigendom bezit van ten minste 95 procent van de aandelen in het nominaal gestorte kapitaal van de andere belastingplichtige (de dochter). Uit onderdeel 3.2 van het Verzamelbesluit fiscale eenheid (Besluit van 10 december 2010, Stct. 2010, 20684) vloeit voort dat niet aan de bezitseis wordt voldaan als het stemrecht materieel is uitgehold. Dit is onder meer het geval indien het stemrecht naar de pandhouder is overgegaan of indien de moeder formeel het stemrecht behoudt, maar bij bepaalde onderwerpen of beslissingen het stemrecht slechts mag uitoefenen na overleg met of na toestemming van de pandhouder.
Art. 2:198 lid 3 BW bepaalt sinds de invoering van de Wet vereenvoudiging en flexibilisering bvrecht per 1 oktober 2012 met zoveel woorden dat het stemrecht op aandelen in een besloten vennootschap ‘al dan niet onder opschortende voorwaarde’ aan de pandhouder toekomt, indien dat bij de vestiging van het pandrecht of nadien is overeengekomen. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2006-2007, 31 058, nr. 3, p. 59) heeft de wetgever daarmee niet een nieuwe regeling tot stand willen brengen. Beoogd is slechts duidelijkheid te scheppen omtrent de in de praktijk bestaande vraag of het stemrecht op aandelen onder een opschortende voorwaarde kon worden overgedragen.
De debiteur zou met de bank overeen kunnen komen dat het stemrecht overgaat onder de opschortende voorwaarde dat de ondernemingsraad een positief advies geeft. Een tweede opschortende voorwaarde dus. Mij lijkt uitgesloten dat de bank daarmee akkoord gaat. Dat zou namelijk betekenen dat de bank, in geval van een default van haar debiteur, het risico loopt dat zij niet terstond het stemrecht zal kunnen uitoefenen op de aan haar verpande aandelen.
SER Fusiegedragsregels 2000, Commentaar p. 26.
OK 5 augustus 2008, ARO 2008/134 en ROR 2009, nr. 1 (Omniversum).
Uitzondering op deze hoofdregel is in die zin mogelijk dat schuldeiser en schuldenaar bij vestiging van het pandrecht of nadien kunnen overeenkomen dat het pandrecht uitsluitend strekt tot zekerheid van hetgeen die specifieke schuldeiser van de schuldenaar te vorderen heeft (Vgl. HR 16 september 1988, NJ 1989, 10). Het pandrecht krijgt daarmee een persoonlijk karakter. Zie hierover uitgebreider Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-II*(2009), nr. 258.
Met een beroep op HR 20 december 2002, NJ 2003, 142 m.nt. Ma en JOR 2003/33 (Holland Casino) zou men kunnen betogen dat het besluit de vordering over te dragen niet ten doel had de aan het pandrecht te ontlenen zeggenschap over te dragen, en dat dus om die reden geen sprake kan zijn van een adviesplichtig besluit. Dat betoog kan geen stand houden. De overgang van het pandrecht en dus de overgang van de zeggenschap is zo inherent aan de overgang van de vordering, dat men voor toepassing van art. 25 lid 1 en onder a WOR geen onderscheid tussen beide mag maken.
Zeggenschapsrechten in de algemene vergadering kunnen ook overgaan zonder dat de aandelen waaraan die zeggenschap wordt ontleend in andere handen overgaan. De vermogensrechtelijk getinte aanspraken die aan het aandeel kunnen worden ontleend (bijvoorbeeld de aanspraak op uitkering van dividend) en het aan dat aandeel verbonden stemrecht kunnen namelijk van elkaar gescheiden worden. De mogelijkheid daartoe bestaat onder meer bij vestiging van een vruchtgebruik of van een pandrecht op de aandelen. Omdat verpanding in het kader van de financiering van (conglomeraten van) ondernemingen een belangrijke rol speelt, besteed ik in deze paragraaf specifiek aandacht aan de vestiging van een pandrecht op aandelen. Met de vestiging van een dergelijk pandrecht wordt doorgaans beoogd de structuur van de groep en (daarmee) het verhaalbare vermogen van de debiteur intact te houden.1 Minstens zo belangrijk is dat op relatief eenvoudige wijze (delen van) de onderneming van de schuldenaar te gelde kan (kunnen) worden gemaakt, en dat de schuldeiser zich buiten faillissement om kan verhalen op het vermogen van de schuldenaar (57 Fw). Indien ik de mogelijke vervreemding van de onderneming onbesproken laat in de veronderstelling dat op de daartoe behorende bestanddelen óók een zekerheidsrecht rust, dan kunnen met de vestiging van het pandrecht op de aandelen de geschetste vermogensrechtelijk getinte doelen worden gerealiseerd (vgl. art. 3:277 lid 1 BW). Daartoe is niet nodig dat de pandhouder het stemrecht op de aan hem verpande aandelen uitoefent.2 Toch zal de pandhouder in het algemeen bij vestiging van het pandrecht bedingen dat het stemrecht op hem overgaat (art. 2:89/198 lid 3 BW). Rood heeft in een wat verder verleden reeds betoogd dat sprake is van overdracht van de zeggenschap in de zin van art. 25 lid 1 en onder a WOR, indien bij de verpanding van de aandelen in een non-structuurvennootschap wordt overeengekomen dat het stemrecht door de pandhouder mag worden uitgeoefend.3 Nadien hebben diverse schrijvers zich in dezelfde zin uitgelaten.4 Een voor de hand liggende onderbouwing zou de volgende kunnen zijn. De mogelijkheid door middel van uitoefening van het stemrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders de bestuurders te benoemen en te ontslaan, geeft blijk van een doorslaggevende zeggenschap. Het verlies van die doorslaggevende zeggenschap moet worden gekwalificeerd als overdracht van de zeggenschap, zagen we eerder. Het prijsgeven van het stemrecht door de pandgever aan de pandhouder valt daarmee onder het bereik van art. 25 lid 1 en onder a WOR. Een onderbouwing zie ik ook in art. 2:24a lid 4 BW, maar meer nog in het daarop gebaseerde art. 2 lid 4 WEOR, nu daarin stemrechten op verpande aandelen niet aan de pandgever maar aan de pandhouder worden toegerekend, indien deze laatste mag bepalen hoe dat stemrecht wordt uitgeoefend.5
In de meeste gevallen zal de overdracht van het stemrecht een voorwaardelijk karakter hebben. Een schuldeiser voelt er vaak weinig voor zich, indien nog geen verzuim van de debiteur is ingetreden, reeds als aandeelhouder te moeten gaan gedragen, met alle rechten maar ook met alle verplichtingen van dien. Daarnaast kan het zo zijn dat de pandgever er omwille van de mogelijkheid de dochter te consolideren6 of deze op te nemen in een fiscale eenheid7 een belang bij heeft het stemrecht vooralsnog te behouden. Art. 2:89/198 lid 3 BW biedt in dergelijke gevallen de mogelijkheid overeen te komen dat het stemrecht pas op de bank overgaat indien de pandgever in verzuim is, ‘in the event of default’.8 Ook vestiging van een pandrecht op aandelen met een voorwaardelijke overgang van het stemrecht moet worden beschouwd als een overdracht van de zeggenschap in de zin van art. 25 lid 1 en onder a WOR. De overdracht van de zeggenschap bij verpanding van aandelen heeft weliswaar een voorwaardelijk karakter, daar staat tegenover dat op het moment van de ‘default’ geen sprake meer is van een besluit van de ondernemer, laat staan dat een advies van de ondernemingsraad op dat moment nog van enige invloed zal zijn. Men mag er van uitgaan dat de pandhouder, indien de ondernemingsraad pas bij het intreden van een ‘default’ om advies wordt gevraagd met betrekking tot het in het verleden genomen besluit de aandelen te verpanden, zich op het standpunt zal stellen dat dat advies omwille van het bepaalde in 26 lid 5 WOR slotzin de door hem verworven (zeggenschaps)rechten onaangetast laat.9 De vergelijking gaat wel op met de toekenning van een onherroepelijk optierecht op verkrijging van aandelen. Deze kwalificeert voor toepassing van de SER Fusiegedragsregels als overdracht van zeggenschap.10 Ik voel mij in deze opvatting gesterkt door het feit dat schending van het adviesrecht ex art. 25 lid 1 en onder a WOR bij toekenning van een optie op 51% van de aandelen, in een enquêteprocedure een rol speelde bij toewijzing van een verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen.11
Met een adviesrecht aangaande het besluit tot vestiging van een pandrecht ben ik er echter nog niet. Indien bedacht wordt dat pandrechten nevenrechten (art. 3:7 BW) en afhankelijke rechten (art. 6:142 BW) zijn, heeft de overgang van de vordering waaraan het pandrecht verbonden is op grond van de artt. 3:82 resp. 6:142 BW tot gevolg dat ook het pandrecht op de aandelen overgaat.12 Het stemrecht op de verpande aandelen zal, al dan niet onder de opschortende voorwaarde van een ‘default’, door een ander dan de oorspronkelijke pandhouder uitgeoefend gaan worden. Waar de persoon die het stemrecht op de aandelen uitoefent zodanig bepalend is voor de gang van zaken in de onderneming dat een vestiging van pandrecht onder het bereik van art. 25 lid 1 en onder a WOR valt, zou ook de overgang van het pandrecht op de aandelen als nevenrecht of afhankelijk recht adviesplichtig kunnen zijn.13 Wat daartoe nog nodig is, is een besluit van de ondernemer, althans een besluit dat voor toepassing van art. 25 lid 1 en onder a WOR heeft te gelden als een besluit van de ondernemer. Zie daarover uitgebreider par. 5.3.3.1. Op deze plaats volsta ik met de opmerking dat bijvoorbeeld het besluit van de aandeelhouder tot herfinanciering door een andere dan de oorspronkelijke vermogensverstrekker als zodanig zou kunnen gelden. De ondernemingsraad zal dus in dergelijke gevallen voorafgaand aan dat besluit ook op grond van art. 25 lid 1 en onder a WOR om advies gevraagd moeten worden. Naar de letter genomen is óók sprake van overdracht van de zeggenschap indien de vordering niet overgaat, maar indien deze wordt ingelost. Het pandrecht komt dan op grond van art. 3:7 BW te vervallen, en het stemrecht, dat al dan niet voorwaardelijk naar de geldverstrekker was overgegaan, keert terug bij resp. blijft alsnog bij de aandeelhouder. Achteraf kan men, zeker indien het stemrecht tussentijds niet door de pandhouder is uitgeoefend, zeggen dat geen sprake is geweest van overdracht van de zeggenschap naar de pandhouder. Mede in dat licht is een redelijke uitleg van art. 25 lid 1 en onder a WOR dat bij de retro-overdracht naar de aandeelhouder voor de ondernemingsraad geen rol is weggelegd. Tenslotte is er de executie door de pandhouder. Ongeacht de vraag of de pandhouder op dat moment (reeds) de stemrechten op de aandelen kan uitoefenen, wijkt deze executie materieel voor de zeggenschap in de onderneming niet af van de hierboven besproken overdracht van de aandelen door de aandeelhouder. Wat echter ontbreekt is een besluit van de aandeelhouder. Het is in dit geval immers de bank die besluit de aandelen, en dus de zeggenschap, over te dragen. De aandeelhouder staat eigenlijk buitenspel. Hooguit zal hij in die zin een rol spelen dat de executoriale overdracht in het kader van de blokkeringsregeling aan de goedkeuring van een van zijn organen is onderworpen, tenzij de rechter de regeling op verzoek van de pandhouder geheel of gedeeltelijk buiten werking stelt (art. 2:195 lid 7 BW). Aan het slot van de volgende paragraaf zal ik op dit aspect terugkomen.