Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.3.5.2
6.3.5.2 Het Nederlandse onafhankelijkheidsvereiste
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS388605:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 7, p. 8.
Dat het bestuur zich bij de uitoefening van zijn taak dient te richten naar het belang van de vennootschap werd ook reeds voor de inwerkingtreding van de Wet bestuur en toezicht aangenomen. Vgl. Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 394. De Wet bestuur en toezicht heeft deze norm gecodificeerd.
Dit geldt op grond van art. 2:132 lid 3 BW niet voor bestuurders van een beurs-NV.
HR 14 september 2007, NJ 2007/612, JOR 2007/239 m.nt. Bartman (Versatel III).
Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 394.
Kamerstukken II 2001/02, 28 179, nr. 3, p. 9. Deze compatibiliteitseis geldt niet voor een vennootschap die geen structuurvennootschap is. De wetgever achtte het vooral bij de structuurvennootschap - in het licht van de extra bevoegdheden die aan de toezichthouders worden toegekend - voor werknemers en vakbondsvertegenwoordigers moeilijk zich tegenover de werknemers als deelbelang onafhankelijk op te stellen.
Kamerstukken II 2006/07, 30 929, nr. 7, p. 20-21. Deze oplossing verdient geen schoonheidsprijs. Het zou mijn voorkeur hebben deze afwijking - voor zover gewenst en bedoeld - expliciet in de wet te verankeren.
Iedere lidstaat bepaalt zelf op welke wijze het aan de werknemers uit zijn lidstaat toegekende medezeggenschapsrecht wordt uitgeoefend. In Nederland geschiedt de uitoefening van het medezeggenschapsrecht op dezelfde wijze als de verkiezing van de Nederlandse BOG-leden. Voor het passief kiesrecht is met name aan afgevaardigden van (centrale) ondernemingsraden gedacht.1 Het Duitse en Belgische recht hanteren eenzelfde benadering. De kans is aldus groot dat een werknemer zitting krijgt in het bestuur dan wel de raad van commissarissen van een Nederlandse vennootschap. Interessant is de vraag hoe deze uitkomst zich verhoudt tot een belangrijk principe uit ons Nederlandse vennootschapsrecht: het principe dat bestuurders en commissarissen in voldoende mate onafhankelijk dienen te zijn ten opzichte van de deelbelangen van de vennootschap. Bestuurders en commissarissen dienen zich bij de vervulling van hun taak te richten naar het belang van de vennootschap en de door haar in stand gehouden onderneming. Voor commissarissen volgt deze norm uit art. 2:140/ 250 BW. Sinds 1 januari 2013 is in art. 2:129/239 lid 5 BW wettelijk vastgelegd dat de norm eveneens voor bestuurders geldt.2
Vooropgesteld moet worden dat de eis tot onafhankelijkheid er niet aan in de weg staat dat een bestuurder of commissaris voortkomt uit een specifieke groep binnen de vennootschap. Ook aandeelhouders kunnen in het bestuur en de raad van commissarissen zitting nemen. Bovendien is een (uitvoerend) bestuurder werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst en daarmee een werknemer van de vennootschap.3 Wel heeft de Hoge Raad bepaald dat de verbondenheid met een deelbelang – zoals het werknemersbelang – de verplichting het vennootschappelijk belang te dienen, onverlet laat.4 Indien het orgaan bij de besluitvorming het vennootschapeplijke belang niet in acht neemt, is het besluit genomen in strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW en via de band van art. 2:15 (b) BW vernietigbaar.5
Bij een structuurvennootschap doet zich wel een conflict voor. Art. 2:160/270 BW sluit bepaalde personen van de benoeming tot niet-uitvoerende bestuurder dan wel commissaris van een structuurvennootschap uit. Deze bepaling kent een verbod om werknemers en vakbondsvertegenwoordigers als toezichthouder aan te stellen. Achterliggende gedachte is dat deze personen niet worden geacht voldoende vrij te staan tegenover de leiding van de vennootschap en haar personeel. Het verbod voorkomt representatie en daarmee wellicht ook polarisatie in het niet-uitvoerende bestuur dan wel de raad van commissarissen.6
Ik vermoed dat de Nederlandse wetgever zich niet heeft gerealiseerd dat een grensoverschrijdend medezeggenschapsysteem met de compatibiliteitseis in strijd kan komen. Wet noch parlementaire geschiedenis besteedt aan dit onderwerp aandacht. In lijn met de opmerkingen van de Minister van Justitie over de afwijking van de dwingendrechtelijke benoemingsbepalingen uit boek 2 BW kan worden gesteld dat ook bij de kring van benoembare personen art. 2:333k lid 5 BW voldoende legitimatie biedt tot afwijking van de dwingendrechtelijke compatibiliteitseis.7
Hiermee ontstaat wel een onderscheid tussen structuurvennootschappen. Voor dit onderscheid bestaat geen rechtvaardiging. Het enkele gegeven dat de structuurvennootschap het resultaat is van een grensoverschrijdende fusie acht ik onvoldoende. Waarom zouden in een uit de fusie ontstane vennootschap met een grensoverschrijdend medezeggenschapssysteem werknemers in het niet-uitvoerende bestuur of de raad van commissarissen zitting kunnen nemen, terwijl dat niet mogelijk is in situaties waar geen grensoverschrijdende fusie heeft plaatsgevonden? De compatibiliteitseis wordt ofwel zo belangrijk gevonden dat hij ook in grensoverschrijdende situaties wordt gehandhaafd ofwel voor alle structuurvennootschappen afgeschaft. Zou ik een voorkeur moeten uitspreken, dan gaat die uit naar een handhaving van het compatibiliteitsvereiste. Het vennootschapsrecht legt de nadruk op de onafhankelijkheid van de toezichthouder in relatie tot zijn in de wet verankerde taak. Zijn taak binnen de structuurregeling – met name de bijzondere bevoegdheden die aan de toezichthouders worden toegekend – brengt met zich dat iedere schijn van belangenverstrengeling moet worden voorkomen.