Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.2.3:12.2.3 Stappen in de bewijsbeslissing
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.2.3
12.2.3 Stappen in de bewijsbeslissing
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het tweede hoofdstuk volgt dat de rechter, om te kunnen komen tot een positieve bewijsbeslissing, zowel de kwaliteit van de individuele bewijsstukken als alle bewijsstukken tezamen dient te analyseren. Om analytische doeleinden is het (mogelijk) nuttig om de verschillende stappen in het proces van bewijzen te onderscheiden. Geredeneerd vanuit het individuele bewijsstuk, in dit verband de getuigenverklaring, kan de rechter zich de volgende vragen stellen.
Stap 1:
Is de getuigenverklaring relevant voor de te nemen beslissing? En zo ja: welk onderdeel?1
Stap 2:
Berust dat onderdeel op eigen waarneming en ondervinding en voldoet het daarmee aan het gestelde in artikel 342 lid 1?
Stap 3:
In welke mate mag aan de verklaring als geheel en het voor het bewijs relevante onderdeel in het bijzonder, gerechtvaardigd geloof worden gehecht? In juridische termen: is de verklaring (voldoende) betrouwbaar?
Stap 4:
Welke bewijswaarde moet aan (het voor het bewijs relevante onderdeel van) de verklaring worden toegekend?
Stap 5:
Is in het licht van de wettelijke bewijsminima en de jurisprudentie van het EHRM aangaande het uitoefenen van het ondervragingsrecht – naast de betreffende getuigenverklaring – voldoende bijkomend bewijsmateriaal voorhanden is om te kunnen komen tot een bewezenverklaring?2
Stap 6:
Staat op basis van het beschikbare bewijsmateriaal en (mede) bezien vanuit de a priori waarschijnlijkheid buiten twijfel vast dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan?
Duidelijk moge zijn dat in de praktijk geen rechter deze stappen expliciet zo hanteert. Het voorgaande stappenschema laat wel zien dat het bij bewijzen op basis van getuigenverklaringen gaat om een complex proces waarin juridische en methodologische vragen met elkaar verweven zijn. Het is ook niet gezegd dat de stappen in deze volgorde (moeten) worden gehanteerd. Het ligt echter voor de hand om eerst naar de relevantie van de verklaring te kijken en dan verder te gaan met toetsen. Immers, als de verklaring niet relevant is voor enig te nemen beslissing, dan kan de rechter zich de moeite van een nadere beoordeling besparen.
De eerste drie stappen zijn in § 10.4.1 besproken. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet alle stappen even nadrukkelijk zijn genormeerd: vanzelfsprekend moet de rechter de relevantie en geloofwaardigheid van de getuigenverklaring vaststellen (stap 1 en 3), maar daaromtrent is in de wet niet of nauwelijks iets geregeld. Het is in elk geval goed om te constateren dat een intrinsieke toets van de inhoud van de getuigenverklaring mogelijk is, los van de te bewijzen hypothese (stap 2 en 3). In dit hoofdstuk is ervoor gekozen de toetsing van de inhoud van de getuigenverklaring (stap 3) en het gebruik van de getuigenverklaring voor de bewijsbeslissing afzonderlijk te bespreken (stap 4 en 5). Hierna wordt eerst ingegaan op de intrinsieke toets van de inhoud van de getuigenverklaring en daarna komen de eisen aan bod die worden gesteld aan de inhoud in relatie tot de te bewijzen hypothese in de tenlastelegging. We zullen zien dat de toetsing en het gebruik in elkaar overlopen en in de praktijk niet duidelijk van elkaar worden onderscheiden.
Bij de laatste stap wordt in dit hoofdstuk niet uitdrukkelijk stilgestaan. In dit verband volstaat op te merken dat de rechter er met de vaststelling dat aan alle juridische (minimum)normen is voldaan, nog niet is. Hij dient tevens overtuigd te zijn van het feit dat de verdachte het strafbare feit heeft begaan. De schuld van de verdachte aan hetgeen hem is ten laste gelegd dient buiten redelijke twijfel vast te staan. Hierbij dient ook de in § 2.4.3 besproken a priori waarschijnlijkheid (prior odds) te worden betrokken. Een voorbeeld om dit te illustreren. Er is een gewapende overval gepleegd op een tankstation in Rotterdam door een persoon met een bivakmuts, waarbij camerabeelden zijn gemaakt. Aan de hand van de enigszins wazige camerabeelden die worden getoond op het internet wordt een persoon herkend door een familielid als zijnde de dader. Er wordt nader onderzoek verricht wat verder niet meer oplevert dan dat de verdachte in Rotterdam woont, geen alibi heeft voor het moment van de overval en een zwart fleecejack in zijn kast heeft hangen dat lijkt op de jas die op de beelden is te zien. De bewijswaarde van de herkenning zou dan weliswaar hoog kunnen zijn, maar de prior odds zijn heel laag. Het aanvullend bewijsmateriaal draagt voorts maar in geringe mate bij aan het bewijs dat de verdachte het feit heeft gepleegd. Juist vanwege deze lage prior odds kan (methodologisch bezien) niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat de verdachte de overval heeft gepleegd, ondanks de herkenning door het familielid. Dit zou heel anders zijn als men op een andere manier bij de verdachte was uitgekomen en daarná een herkenning zou plaatsvinden.