Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/7.3.d
7.3.d Toegangsweigeringsvoorwaarden: onvoldoende belang bij beroep I
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS607110:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.1, zie bijv. HR 3 november 1999, NJ 2000, 144 (nietigverklaring dagvaarding); HR 13 juni 2006, NJ 2006, 367 (nietigverklaring oproeping hoger beroep); HR 19 maart 1996, NJ 1996/481 (niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging); HR 18 februari 1997, NJ 1997/ 411 (niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging); HR 2 oktober 2007, NJ 2007/545 (niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging).
HR 15 maart 2016, ECLI:289; HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, r.o. 2.4.1.
HR 16 mei 2006, NJ 2007/312, m.nt. De Jong (cassatie verdachte tegen vrijspraak); HR 16 november 2010, ECLI:BN0007 (cassatie verdachte tegen vrijspraak); HR 22 februari 2002, NJ 2003/557 (cassatie OM enkel tegen beslissing vordering benadeelde partij).
Zie hierover Van Dorst 2015, p. 62-65.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, r.o. 2.4.2.
Zie voor een verdeling in twee subcriteria Van Kempen in zijn noot onder HR 7 juni 2016, NJ 2016/430.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.2; zie bijv. HR 19 maart 2013, NJ 2013/246, m.nt. Bleichrodt (herstel); HR 17 december 2013, r.o. 2.5, NJ 2014/301, m.nt. Van Kempen (herstel); HR 8 juli 2014, ECLI:1610 (beklag); HR 5 januari 2016, ECLI:15 (herstel); HR 8 maart 2016, ECLI:251 (herstel).
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, zie bijv. HR 28 januari 2014, NJ 2014/ 289 en HR 3 februari 2015, NJ 2015/134; HR 22 maart 2016, ECLI:465; HR 20 september 2014, NJ 2014/450; HR 20 november 2012, ECLI:BY0198; HR 12 mei 2015, ECLI:1238; HR 1 september 2015, ECLI:2460; HR 29 maart 2016, ECLI:516.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.4.3, zie bijv. HR 7 juni 2016, ECLI:1113 en HR 8 juli 2014, ECLI:1695; HR 12 februari 2013, ECLI:BZ1897; in dit verband lijkt ook van belang of het nadeel nog voortduurt of reeds is hersteld, bijvoorbeeld door teruggave van inbeslaggenomen goederen, zie HR 15 maart 2016, ECLI:289; in dit verband wordt ook van āprocesbelangā gesproken, zie hierover de conclusie van A-G Silvis voor HR 9 oktober 2012, ECLI:BX5516.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.5.1-2.5.3; zie bijv. HR 2 april 2013, NJ 2013/383, m.nt. Reijntjes; HR 11 juni 2013, NJ 2013/577, m.nt. Van Kempen.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, r.o. 2.4.3, zie bijv. HR 3 maart 2015, ECLI:510; HR 9 juni 2015, ECLI:1505; HR 16 juni 2015, ECLI:1653; HR 8 december 2015, ECLI:3486; HR 4 november 2014, NJ 2015/136; HR 9 december 2014, NJ 2015/29; HR 21 maart 2017, NJ 2017/153; zie gelet op de conclusie ook HR 14 oktober 2014, ECLI:2946.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, zie bijv. HR 8 juli 2014, ECLI:1611 (voorlopige hechtenis); HR 1 juli 2014, NJ 2014/441, m.nt. Borgers (getuigen); HR 8 september 2015, NJ 2015/417, m.nt. Schalken (getuigen); HR 15 november 2016, ECLI:2592 (voeging dossierstukken); zie verder paragraaf 7.4c.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, r.o. 2.4.3.
HR 7 juni 2016, NJ 2016/430, r.o. 2.1.
HR 11 september 2012, NJ 2013/241, NJ 2013/242, NJ 2013/243, NJ 2013/244, r.o. 2.2.2.
Toegang tot cassatie kan volgens artikel 80a RO voorts worden geweigerd indien de partij die het cassatieberoep instelt (klaarblijkelijk) onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep. In de rechtspraak van de Hoge Raad valt dit criterium uiteen in twee subcategorieƫn.
Ten eerste bestaat onvoldoende belang bij het beroep als het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing die degene die het beroep heeft ingesteld niet belast. De overzichtsarresten van 11 september 2012 wijzen op het beroep van een verdachte tegen de nietigverklaring van de dagvaarding of tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.1 Daaraan is als voorbeeld toegevoegd het beroep van de verdachte dat strekte tot teruggave van in beslag genomen goederen die intussen waren teruggegeven.2 De lijst met voorbeelden is waarschijnlijk niet compleet,3 maar hier is van belang dat deze beroepen reeds vóór invoering van artikel 80a RO niet-ontvankelijk werden verklaard op grond van de ongeschreven eis van belang bij het beroep.4 Het betreft hier dus geen uitbreiding van de bestaande voorwaarden voor toegang tot cassatie, maar bevestiging van vaste doch ongeschreven praktijk.
Of onvoldoende belang bestaat bij het beroep in de zin van artikel 80a RO komt in de rechtspraak ten tweede en vooral aan op de vraag of de insteller van het beroep āin wezen niet voldoende rechtens te respecteren belang had bij vernietiging van de bestreden uitspraak en bij een eventuele nieuwe behandeling na de terug- of verwijzing van de zaakā.5 In deze subcategorie valt een bonte verzameling gevallen, die niet gemakkelijk in subregels zijn samen te vatten.6
Relevante subcriteria of factoren lijken onder meer of een bestreden beslissing via andere wegen dan cassatie in feite valt te corrigeren, zoals via beklag tegen beslag of een hersteluitspraak (subsidiariteit).7 Relevant is ook of de verdediging in feitelijke instantie actief genoeg is geweest en bijvoorbeeld verweer heeft gevoerd, verzoeken heeft herhaald of nader heeft onderbouwd of zich niet tegenstrijdig met eerdere verweren of verzoeken heeft uitgelaten (rechtsverwerking).8 Verder is van belang of de door de geschonden regel beschermde belangen wel daadwerkelijk zijn geschaad (nadeel).9 Daarnaast telt of bij gebreken in de bewijsvoering de aard en ernst van het bewezenverklaarde of de toereikendheid of redengevendheid van de bewijsmotivering wezenlijk aantasten,10 alsook of wijziging van de kwalificatie of een andere berekening van het strafmaximum na terugwijzing vermoedelijk een andere straf zal opleveren (wezenlijk of significant andere uitkomst/straf; proportionaliteit).11 Voorts kan relevant zijn of de insteller van het beroep in de schriftuur zijn belang bij het beroep toelicht, in het bijzonder bij cassatieklachten over getuigenverzoeken, voeging van dossierstukken, of fouten van de feitenrechter bij de kwalificatie van het strafbare feit (toelichting belang).12
Of onderverdeling in de genoemde hulpcriteria echt bruikbaar is, is niet zeker. De Hoge Raad benadrukt namelijk dat toepasselijkheid van de belangmaatstaf sterk afhangt van de omstandigheden van het geval en breekt de belangmaatstaf niet zelf op in subcriteria. In het bijzonder de opname in het overzichtsarrest van 7 juni 2016 van uitgebreide citaten uit voorgaande uitspraken illustreert dit.13 De rubricering van zaken in het overzichtsarrest van 7 juni 2016 ākan niet anders dan grof zijn omdat de grenzen vaak niet scherp te trekken zijnā, aldus de Hoge Raad zelf.14 Hier is vooral relevant dat de maatstaf van onvoldoende belang bij het beroep gevallen omvat waarin de bestreden uitspraak gewoonlijk werd vernietigd en zelf werd rechtgedaan dan wel werd terug- of verwezen naar de feitenrechter. Daar komt de Hoge Raad ook uitdrukkelijk voor uit.15