Afscheid van de klassieke procedure?
Einde inhoudsopgave
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/II.6.7:II.6.7 Finaliteit
Afscheid van de klassieke procedure (NJV 2017-1) 2017/II.6.7
II.6.7 Finaliteit
Documentgegevens:
B.J. van Ettekoven en A.T. Marseille, datum 08-06-2017
- Datum
08-06-2017
- Auteur
B.J. van Ettekoven en A.T. Marseille
- JCDI
JCDI:ADS297025:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ch.W. Backes e.a. ‘Vier jaar bestuurlijke lus – successtory of teleurstelling’, JBplus 2014, p. 207-225, 2014, A.T. Marseille & D. Sietses, ‘De finaliseringsslag in het bestuursrecht’, NJB 2013, p. 606-613, A.T. Marseille & P.T.G. Huisman, ‘Toepas-sing van de bestuurlijke lus door rechtbanken’, NTB 2014/19, p. 148-156.
o.a. Van Ettekoven, Bouwrecht I & II.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wetgever heeft de bestuursrechter vanaf 2010 voorzien van extra mogelijkheden om aan finale geschilbeslechting te doen, zoals de introductie van de bestuurlijke lus (artikel 8:51a e.v.) en de verruiming van de bevoegdheid van de gebreken in besluiten te passeren (artikel 6:22 Awb). Daarnaast heeft de wetgever de bestuursrechter opgeroepen om alles uit de kast te halen om het hem voorgelegde geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten (artikel 8:41a Awb), ook via het instandlaten van de rechtsgevolgen en het – zo mogelijk – zelf in de zaak voorzien. Uit de rechtspraak en de literatuur blijkt dat de bestuursrechter gebruik maakt van al deze mogelijkheden,1 soms zelf iets te enthousiast.2 Dat niet alle pogingen tot finale geschilbeslechting succesvol zijn is ‘part of the game’. De inzet van de bestuurlijke lus heeft niet steeds het gewenste effect, met name als (ook) de herstelpoging de rechterlijke toets niet kan doorstaan.
Meer nog dan op het punt van snelheid constateren gebruikers vooruitgang op het punt van finaliteit. Iedereen die we er naar vroegen was positief over wat bestuursrechters hebben bereikt. Wel komt de vraag op of rechters in elke zaak moeten streven naar de finale beslechting van het geschil tussen partijen.
Een advocaat: ‘Dat geschillen vaker finaal worden beslecht, is vaak een voordeel, maar niet altijd. Wel vanuit het gezichtspunt van de overheid, maar niet altijd voor een burger die beroep heeft ingesteld. Bestuursorganen gaan tegenwoordig meer gerust naar een zitting, want als hun besluit iets mankeert, dan valt er nog van alles te herstellen met een bestuurlijke lus. Voor een burger die het besluit van tafel wil, ligt het anders. Die heeft er soms meer baat bij dat de zaak na de vernietiging weer teruggaat naar het bestuur, want dan kan het nog alle kanten op.’
Moeten rechters rekening houden met de wensen van partijen?
Een rechter: ‘Ik realiseer me dat een partij er juist belang bij kan hebben dat ik de bestuurlijke lus niet toepas. Daarom is het goed om van partijen te horen hoe zij er over denken. Maar als een partij daarover zelf geen reserves uit, ben ik niet geneigd het wel of niet toepassen van de bestuurlijke lus aan de orde te stellen.’ En wat als beide partijen zeggen dat ze niet willen dat de bestuurlijke lus wordt toegepast? Dezelfde rechter: ‘Dan heb ik zoiets van: overtuig mij er maar van waarom ik het niet zou moeten doen.’
Onze conclusie is dat de bestuursrechter op het aspect finaliteit op zich doet wat van hem mag worden verwacht. Ongetwijfeld kan het finaliteitsinstrumentarium nog beter, meer doordacht en meer gericht worden ingezet, mogelijk met betere aanwijzingen voor hetgeen van het bestuursorgaan wordt verwacht, maar de grenzen zijn in zicht. Daarbij geldt dat extra investeringen in finaliteit kunnen leiden tot een verlenging van de rechtsstrijd, wat niet steeds door alle partijen wordt gewaardeerd en uiteraard ten koste gaat van de doorlooptijd in de procedure bij de bestuursrechter.