Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5.6:2.4.5.6 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke rechterlijke uitspraak
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.4.5.6
2.4.5.6 Invloed jurisprudentie EHRM op eis onherroepelijke rechterlijke uitspraak
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859097:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 1 december 2009, ECLI:NL:XX:2009:BL6889, NJ 2010/206, m.nt. Perrick (Velcea et Mazare/Roemenië.
Zie over vergeving nader H4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 2.2.3.5 is aan de hand van de uitspraak de Roemeense erflater duidelijk geworden dat niet onder alle omstandigheden de eis van een onherroepelijke veroordeling mag worden gesteld.1 Voor de toepassing van artikel 4:3 lid 1 sub c BW heeft deze uitspraak mijns inziens geen consequenties. Op basis van deze bepaling is het immers reeds mogelijk de lasterlijke beschuldiging door de civiele rechter te laten vaststellen, welke procedure ook gevoerd kan worden tegen de erfgenamen van de dader.
De spiegelbeeldige situatie kan zich ook voordoen, inhoudende dat de erflater is overleden voordat een rechterlijke uitspraak is gevolgd. De erfgenamen van de erflater kunnen een civiele procedure voortzetten of starten. De civiele uitspraak zal de erfgenamen niet baten, indien blijkt dat de erflater de gedraging heeft vergeven.2