Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/3.6.1
3.6.1 De relevante wetgeving, standaarden en initiatieven voor mensenrechten en het bedrijfsleven in het algemeen
prof. mr. dr. K. Arts, prof. mr. M.W. Scheltema , datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
prof. mr. dr. K. Arts, prof. mr. M.W. Scheltema
- JCDI
JCDI:ADS378812:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld S. Bijlmakers, Corporate Social Responsibility, Human Rights and the Law, London: Routledge 2019, p. 30; S. Deva, Regulating Corporate Human Rights Violations: Humanizing Business, London: Routledge, 2012, p. 148-150; N. Bernaz, Business and Human Rights, History, Law and Policy, Bridging the Accountability Gap, London: Routledge, 2017, p. 92-104.
‘ISO 26000:2010 – Guidance on Social Responsibility’, www.iso.org/ iso/home/standards/iso26000.htm.
Zie respectievelijk www.equator-principles.com, www.ifc.org/wps/ wcm/connect/Topics_ Ext_Content/IFC_External_Corporate_Site/IFC+Sustainability/Our+Approach/Risk +Management/Performance+Standards en www.voluntaryprinciples.org.
Dat is op andere terreinen met dergelijke standaarden al gebeurd. Zie bijvoorbeeld in de verzekeringsbranche HR 18 april 2014, ECLI:NL: HR:2014:942, NJ 2015/20 (Achmea/Rijnberg) en daarover ook M-C Menting, Industry Codes of Conduct in a Multi-Layered Dutch Private Law, doctoral thesis, Tilburg University, 2016, i.h.b. chapter 6.
UNGP, p. 1 en zie voor bedrijven ook UNGP 11. In UNGP 12 wordt aangegeven wat onder mensenrechten wordt verstaan.
Deze verplichting geldt volgens UNGP 14 voor alle bedrijven, maar de te nemen maatregelen en te verwachten inspanningen kunnen volgens UNGP 17 wel variëren al naargelang de grootte van de onderneming, de ernst van het risico en de aard en context van de activiteit.
Zie daarover bijvoorbeeld Bijlmakers, loc. cit. n. 109, p. 102-119.
Zie ook het Commentary op de Guidelines, p. 41, www.oecd.org/daf/ inv/mne/48004323.pdf.
Zie de Guidelines onder V.
Zie de Guidelines, p. 30 en 33-35. De procedure bij deze NCPs is overigens niet overal gelijk. De Nederlandse NCP tracht de klacht eerst met partijen op te lossen en brengt vervolgens een final statement uit dat aangeeft op welke wijze een oplossing is gevonden. Indien dat niet het geval is, geeft de NCP aan of, en in welke mate, de NCP meent dat het bedrijf de OECD Guidelines heeft nageleefd. Ook doet de NCP mogelijke aanbevelingen voor toekomstig handelen van het bedrijf. Zowel de Nederlandse als Engelse NCPs maken soms ook gebruik van (externe) mediators om een oplossing tussen partijen te bereiken (bijvoorbeeld omtrent financiële compensatie waarin de NCP niet kan voorzien). Zie bijvoorbeeld de final statement van de Nederlandse NCP ten aanzien van de klacht van de werknemers van Bralima tegen Bralima en Heineken van 18 augustus 2017, www.business-humanrights.org/sites/default/files/documents/Final-statement-Former-emloyees- of-Bralima-vs.-Bralima-and-Heineken.pdf, p. 3.
Te vinden op www.legislation.gov.uk/ukpga/2015/30/contents/enacted. In die rapportage kan volgens artikel 54(5) melding worden gemaakt van beleid op dit terrein, uitgevoerde due diligence, of handelsketens waarin die risico’s zich voordoen, en van maatregelen die zijn genomen. Ook dient de rapportage volgens artikel 54(6)(a) door bepaalde organen binnen bedrijven (zoals de raad van bestuur) te worden goedgekeurd. Indien het bedrijf een website heeft moet de rapportage op grond van artikel 54(7) daarop worden geplaatst. Vergelijkbare regelgeving is ook ingevoerd in New South Wales in Australië (zie www.legislation.nsw.gov. au/#/view/act/2018/30/full) en wordt ook op federaal niveau overwogen. Zie www.aph.gov.au/Parliamentary_Business/Bills_Legislation/Bills_Search_Results/Result?bId=r6148.
Een toelichting kan worden gevonden op www.sec.gov/spotlight/ dodd-frank/speccorpdisclosure.shtml. Zie verder over dit artikel bijvoorbeeld www.globalwitness.org/en-gb/archive/dodd-frank-acts-section- 1502-conflict-minerals/.
In de Amerikaanse rechtspraak is de wijze waarop de SEC uitvoering gaf aan dit artikel ongrondwettelijk bevonden en is een wet tot intrekking van dit artikel inmiddels in het Huis van Afgevaardigden aangenomen. Zie bijvoorbeeld www.lexology.com/library/detail.aspx?g=d27d2d5f-df96- 4506-8302-4b2958cb92a4.
Met name dit voorschrift is in de rechtspraak ongrondwettelijk bevonden en inmiddels door de SEC ingetrokken. Zie www.lexology. com/library/detail.aspx?g=d27d2d5f-df96-4506-8302-4b2958cb92a4.
De California Transparency in Supply Chains Act 2010 is te vinden op https://oag.ca.gov/SB657. De verplichting bestaat volgens artikel 1714.43 van de Civil Code (dat door middel van deze wet is ingevoegd) voor bedrijven met een wereldwijde omzet van meer dan $ 100 miljoen. Volgens artikel 1714.43(c) gaat het onder meer om een rapportage over het vaststellen van mensenhandel en slavernijrisico’s, het houden van audits, het vragen van bewijs door leveranciers, maatregelen tegen degenen die de standaarden niet halen, en training van verantwoordelijk personeel en leidinggevenden.
Artikel L.225-102-4 van de Wet op de Handel en Industrie bepaalt dat een bedrijf waarvan het hoofdkwartier is gevestigd in Frans grondgebied, of dat tenminste 5.000 werknemers in dienst heeft in het eigen bedrijf in Frankrijk, of 10.000 bij het eigen bedrijf en directe of indirecte dochterondernemingen (ook buiten Frankrijk), verplicht is om een effectief human rights due diligence (vigilance) plan op te stellen voor zichzelf en de activiteiten die het ontplooit, alsmede voor dochterondernemingen of bedrijven waarover het de controle heeft. Het plan moet redelijkerwijs te vergen maatregelen inhouden voor risico-identificatie, het voorkomen van ernstige mensenrechtenschendingen en schendingen van fundamentele vrijheden, lichamelijk letsel, milieuschade, alsmede gezondheidsrisico’s die direct of indirect worden veroorzaakt door de activiteiten van het bedrijf en bedrijven die het controleert, of door subcontractanten en leveranciers waarmee een bestendige contractuele relatie bestaat. Het plan moet derhalve (i) risico’s identificeren, classificeren en mitigeren; (ii) in procedures voorzien om op regelmatige basis, in overeenstemming met de vastgestelde risico’s, de prestaties van dochterondernemingen, subcontractanten of leveranciers met wie een bestendige contractuele relatie bestaat te evalueren; (iii) voorzien in adequate en proportionele maatregelen om risico’s te beheersen en om zwaardere mensenrechtenschendingen te voorkomen, (iv) voorzien in een waarschuwingsmechanisme dat gebruikmaakt van rapporten over bestaande risico’s en dat wordt ontwikkeld in samenwerking met vertegenwoordigers van vakbonden binnen het bedrijf, en (v) voorzien in een controlemechanisme dat de effectiviteit van de genomen maatregelen bewaakt. ;ie voor deze wet www. senat.fr/leg/ppl14-376.html en voor een Engelse vertaling https://business- humanrights.org/en/france-natl-assembly-adopts-law-imposing-due-diligence-on-multinationals-to-prevent-serious-human-rights-abuses-in-their- supply-chains#c152577.
Zie met name de artikelen 4 en 5 en Kamerstukken I 2016/17, 34506, A. Het voorstel is nog aanhangig in de Eerste Kamer maar de kans is groot dat dit niet zal worden aangenomen.
Zie www.parlament.ch/press-releases/Pages/mm-rk-s-2017-11-14. aspx?lang=1036 en, voor een onofficiële Engelse vertaling, www.bhrinlaw.org/180508-swiss-parliament-counter-proposal_unofficial_en-translation_updated.pdf. Zie over het eerdere volksinitiatief bijvoorbeeld N. Bueno, ‘The Swiss Popular Initiative on Responsible Business: From Responsibility to Liability’, in: L.F.H. Enneking et al. (eds), Accountability and International Business Operations: Providing Justice for Corporate Violations of Human Rights and Environmental Standards, Routledge 2018, https://papers.ssrn.com/sol3/papers.cfm?abstract_id=3125672; G. Geisser, Die Konzernverantwortungsinitiative, Aktuelle Juristische Praxis, nr. 8, 2017, p. 943 e.v. Daarnaast kent Zwitserland al een wet die in artikel 9 private beveiligingsbedrijven (en subcontractanten), ook bij operaties in het buitenland, verplicht om mensenrechten in acht te nemen. Zie www. admin.ch/opc/en/classified-compilation/20122320/201509010000/935.41. pdf.
Richtlijn 2014/95/EU, te vinden op https://eur-lex.europa.eu/legal- content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:32014L0095&from=NL. Deze richtlijn is geïmplementeerd in artikel 2:391 lid 5 BW (Stb. 2016, 352).
Verordening EU 2017/821, https://publications.europa.eu/en/publication-detail/-/publication/8b0e378b-3c59-11e7-a08e-01aa75ed71a1/language-en/format-PDFA1A. Deze verordening is gebaseerd op de OECD Due Diligence Guidance for Responsible Supply Chains of Minerals from Conflict-Affected and High-Risk Areas, www.oecd.org/corporate/mne/GuidanceEdition2.pdf.
Het zogenaamde Legally Binding Instrument to Regulate, in International Human rights Law, the Activities of Transnational Corporations and other Business Enterprises, waarvan recentelijk de zero draft is gepresenteerd. Zie daarover www.ohchr.org/en/hrbodies/hrc/wgtranscorp/ pages/igwgontnc.aspx.
De Duitse regering heeft bijvoorbeeld in zijn Nationale Actieplan uit 2016 aangekondigd dat, indien per 2020 niet 50% van de bedrijven met 500 of meer werknemers een human rights due diligence beleid heeft ontwikkeld en geïmplementeerd, zal worden bezien of een verplichting daartoe zal worden vastgesteld. Zie www.business-humanrights.org/en/3- entry-points-to-implement-the-german-national-action-plan. Duitse ngo’s hebben ook al een voorstel voor een dergelijke wet gedaan. Zie https:// germanwatch.org/sites/germanwatch.org/files/publication/18575.pdf. Inmiddels heeft het Duitse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking ook een concepttekst voor een dergelijke wet voorbereid. Zie www. business-humanrights.org/en/german-development-ministry-drafts-law-on- mandatory-human-rights-due-diligence-for-german-companies?utm_source=Business+%26+Human+Rights+Resource+Centre+Updates&utm_campaign=4e993dfd36 EMAIL_CAMPAIGN_2019_02_11_02_39&utm_medium=email&utm_term=0_c0049647eb- 4e993dfd36-182123857&mc_cid=4e993dfd36&mc_eid=444999a51a.
Dat neemt overigens niet weg dat deze staten blijkens (de niet bindende) Recommendation 20 van de Raad van Ministers van de Raad van Europa uit 2016 ervoor dienen te zorgen dat bedrijven op hun grondgebied human rights due diligence toepassen in hun bedrijfsvoering en waardeketens. Zie daarover bijvoorbeeld Bijlmakers 2019, p. 90.
Zie voor het kledingconvenant www.ser.nl/-/media/ser/downloads/ overige-publicaties/2016/convenant-duurzame-kleding-textiel.pdf en voor het convenant in de bankensector www.ser.nl/nl/publicaties/overige/2010- 2019/2016/dutch-banking-sector-agreement.aspx.
Zie art. 5.4 leden 8 en 9 van het kledingconvenant.
Het is niet vanzelfsprekend dat internationale mensenrechtennormen ook gelden voor bedrijven, en in het bijzonder voor (de invloed die) hun activiteiten (hebben) buiten het land waarin zij zijn gevestigd.1 In eerste instantie zijn mensenrechten immers ontworpen voor overheden die mensenrechten moeten respecteren en bewaken, zij het dat sommige mensenrechten ook horizontale werking kunnen hebben in verhoudingen tussen niet-statelijke actoren. Daaruit vloeien echter geen specifieke normen voort die betrekking hebben op de wijze waarop bedrijven mensenrechten moeten respecteren in hun gehele (transnationale) bedrijfsvoering. Uit mensenrechtenverdragen (of de Grondwet) voortvloeiende verplichtingen gelden immers in beginsel niet (rechtstreeks) in deze zin voor bedrijven.
Wel bestaan er gezaghebbende internationale raamwerken waarin (als zodanig voor bedrijven niet bindende) richtlijnen zijn opgenomen over hoe bedrijven dienen om te gaan met mensenrechten. De belangrijkste algemene kaders zijn de United Nations Guiding Principles on Business and Human Rights (UNGP),2 de OECD Guidelines for Multinational Enterprises3 en de ISO 26000 Social Responsibility Guidance Standard.4 Daarnaast bestaan meer sectorspecifieke raamwerken zoals de Equator Principles en de IFC Environmental and Social Performance Standards in de financiële sector, en de Voluntary Principles on Security and Human Rights in de olie- en gasindustrie.5 Deze niet-bindende raamwerken kunnen zeker betekenis hebben, als richtinggevende standaarden en ook als in handelsketens of bijvoorbeeld in projectfinancierings-, lenings- of exportkredietovereenkomsten is opgenomen dat een partij de in die raam werken vastgelegde standaarden dient na te leven. Daarnaast is niet uitgesloten dat deze raamwerken door rechters zullen worden gebruikt om open normen, zoals de maatschappelijke zorgvuldigheid en de redelijkheid en billijkheid, in te vullen.6 Ook daardoor kunnen deze raamwerken de facto bindend worden.
De UNGP zijn gebaseerd op drie pijlers: (i) de verplichting van staten om mensenrechten te beschermen; (ii) de verplichting van bedrijven om mensenrechten te respecteren; en (iii) het voorzien in effectieve remedies bij mensenrechtenschendingen.7 Het respecteren van mensenrechten door bedrijven betekent volgens UNGP 13 en 17 dat, waar zij mensenrechtenschendingen kunnen veroorzaken of daaraan kunnen bijdragen (cause or contribute), bedrijven die dienen te vermijden. Als dergelijke schendingen zich toch voordoen dienen deze geadresseerd te worden. Tevens moeten bedrijven volgens de UNGP mensenrechtenschendingen trachten te voorkomen of te mitigeren in gevallen waarin deze, bijvoorbeeld in handelsketens, aan hun activiteiten zijn gelieerd (directly linked) zelfs als zij daaraan niet rechtstreeks hebben bijgedragen.8 In dit verband stelt UNGP 15 dat bedrijven een proces moeten inrichten om mensenrechtenschendingen te identificeren, te voorkomen, te mitigeren en verantwoording af te leggen over hoe zij met mensenrechtenschendingen omgaan (human rights due diligence9). Ook dienen bedrijven volgens UNPG 15 procedures in te richten die remedies bij mensenrechtenschendingen mogelijk maken als zij die hebben veroorzaakt of daaraan hebben bijgedragen (caused or contributed). Deze uitgangspunten worden verder uitgewerkt in UNGP 17-24. Zo zal een eventuele prioritering van het nemen van maatregelen volgens UNGP 24 afhankelijk moeten worden gemaakt van de ernst van de mogelijke mensenrechtenschending(en) (zowel naar aard als aantal betrokken personen) en de onmogelijkheid de gevolgen terug te draaien. De OECD Guidelines for Multinational Enterprises bevatten op het terrein van mensenrechten vergelijkbare normen,10 maar zijn ruimer bijvoorbeeld omdat zij ook betrekking hebben op het toebrengen van schade aan het milieu (ook als geen sprake is van een mensenrechtenschending).11 Daarnaast bevatten de OECD Guidelines de verplichting voor de OESO-lidstaten om een zogenaamd National Contact Point (NCP) in te richten dat implementatie van de Guidelines promoot. Tevens kunnen bij de NCP klachten omtrent niet-naleving van de Guidelines door in dat land gevestigde bedrijven worden ingediend.12
Tot op heden bestaat er nog maar mondjesmaat (bindende) regelgeving over de mensenrechtenverantwoordelijkheid van bedrijven. Wel zijn er in een aantal landen en in de Europese Unie (EU) (op deelterreinen) wetgevingsinitiatieven ontplooid. Deze bevatten meestal een rapportageverplichting voor bedrijven omtrent de risico’s op mensenrechtenschendingen die zich in hun bedrijfsvoering (en in hun handelsketens) voordoen en de maatregelen die worden genomen om die schendingen tegen te gaan en op te lossen; dan wel een due diligence verplichting die is gebaseerd op de human rights due diligence zoals beschreven in de UNGP. Zo bepaalt artikel 54 van de Modern Slavery Act13 van het Verenigd Koninkrijk dat bedrijven die goederen verkopen of diensten verlenen (boven een bepaalde omzetdrempel) moeten rapporteren over de stappen die zijn genomen om slavernij en mensenhandel in hun eigen bedrijf en handelsketens in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten te voorkomen (dan wel een verklaring af te leggen dat geen actie is ondernomen op dit terrein). In de Verenigde Staten bepaalt artikel 1502 van de Dodd Frank Act14 dat op de Amerikaanse beursgenoteerde ondernemingen het bij de US Securities and Exchange Commission (SEC) moeten melden als zij (zeldzame) aardmetalen (waaronder tin, goud en wolfraam) uit conflictgebieden in de Democratische Republiek Congo of aangrenzende landen gebruiken.15 Bovendien moeten zij aangeven welke maatregelen worden genomen om mensenrechtenschendingen te voorkomen indien die worden geconstateerd, en hun rapporten daarover op hun website publiceren.16 Verder kent de Verenigde Staten wetgeving die het invoeren van producten gemaakt met kinderarbeid verbiedt en kent Californië een wet die bedrijven verplicht op hun website te rapporteren over slavernij en mensenhandel in hun handelsketens ten aanzien van door hen verkochte zaken.17 Daarnaast heeft Frankrijk een wettelijk voorschrift geïmplementeerd dat grote bedrijven (ook voor hun activiteiten buiten de Franse landsgrenzen) verplicht om een zogenaamde mensenrechten due dilligence die verband houdt met mensenrechten en arbeidsomstandigheden in te voeren.18 Ook de Nederlandse Tweede Kamer heeft een wetsvoorstel aangenomen dat een dergelijke verplichting in verband met kinderarbeid per 1 januari 2020 zou invoeren voor Nederlandse bedrijven die goederen verkopen of diensten aanbieden.19 Het is echter onzeker of deze wet door de Eerste Kamer zal worden aangenomen. Ten slotte is in Zwitserland een wetsvoorstel aan het parlement voorgelegd, in reactie op een eerder volksinitiatief, waarin eveneens een human rights due diligence-verplichting wordt vastgelegd.20
Ook op Europees niveau is het nodige gaande. Zo moeten grote ondernemingen in Europa sinds 1 januari 2017 rapporteren over (onder meer) hun beleid ten aanzien van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) en eventuele mensenrechtenschendingen waarmee zij in hun bedrijfsvoering zijn geconfronteerd, alsmede wat zij hieraan hebben gedaan.21 Daarnaast is een verordening vastgesteld die betrekking heeft op conflictmineralen en geldt voor degenen die dergelijke mineralen invoeren in de EU. Deze verordening wordt van kracht per 1 januari 2021 en bevat, kort gezegd, ook een human rights due diligence-verplichting.22
In dat verband is voorts relevant dat er momenteel onderhandelingen plaatsvinden over een mondiaal verdrag dat het reguleren van, en aansprakelijkheid voor, mensenrechtenschendingen door internationaal opererende ondernemingen (buiten het land van hun zetel) beoogt.23
In sommige landen, zoals Nederland en Duitsland, wordt echter (voorlopig nog)24 vooral ingezet op vrijwillige alternatieven.25 Zo heeft Nederland 13 risicosectoren opgeroepen om convenanten te sluiten over de wijze waarop de marktpartijen in deze sectoren met internationale MVO- en/of Business and Human Rights (BHR) thema’s omgaan. Dergelijke convenanten bestaan bijvoorbeeld in de kleding- en bankensector.26 De implementatie van het bankenconvenant wordt door een externe toezichtscommissie gecontroleerd en beide convenanten voorzien in (al dan niet bindende) klachtenmechanismen. In het kledingconvenant is de mogelijkheid tot arbitrage opgenomen als uitspraken van de geschillencommissie in geschillen tussen het secretariaat van het convenant en een aangesloten bedrijf (in de visie van het secretariaat) niet worden nageleefd.27