Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.2.3:6.2.3 Nogmaals Urgenda
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.2.3
6.2.3 Nogmaals Urgenda
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233611:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag 24 juni 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:7145, AB 2015/336, m.nt. Backes, r.o. 4.98.
Idem, r.o. 4.6.
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006, AB 2020/24, m.nt. Backes en Van der Veen.
Zie r.o. 5.9.2.
Vgl. ook Van Gestel en Loth 2019.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De vraag is ten slotte hoe de Urgenda-zaak zich tot de voorgaande bevindingen verhoudt. Indachtig de principiële keuze van de Hoge Raad voor de objectum litis-leer valt op zichzelf moeilijk in te zien hoe de rechter zich onbevoegd had kunnen verklaren. Eisers hadden in dit geval een beroep gedaan op het leerstuk van de onrechtmatige daad. Concreet meenden zij dat de Staat onrechtmatig handelde door na te laten maatregelen te treffen die de negatieve gevolgen van klimaatverandering tegen zouden gaan. Inherent aan de objectum litis-leer is dat met deze insteek van de vordering de bevoegdheid van de burgerlijke rechter is gegeven. Of zoals de Haagse rechtbank het verwoordde:
‘In algemene zin valt de vordering, gegeven de daarvoor […] aangevoerde gronden, niet buiten het hier voor de rechter afgebakende domein. Het gaat in de kern om rechtsbescherming en om een in dat kader vereiste ‘rechtstoetsing’. Dit neemt niet weg dat toewijzing van een of meer onderdelen van de vordering ook politieke consequenties kan hebben en in zoverre de politieke besluitvorming kan doorkruisen. Maar dat is in een rechtsstaat inherent aan de rol van de rechter ten opzichte van overheidsorganen. Zo vormt ook de mogelijkheid – en in deze zaak zelfs de zekerheid – dat de kwestie ook en vooral onderwerp van politieke besluitvorming is, geen grond om de rechter te beperken in zijn opdracht en bevoegdheid om een rechtsgeschil te beslechten.’1
Op deze overweging valt mijns inziens weinig af te dingen.
Evenmin bestond reden om eisers niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Zoals beschreven, heeft de wetgever bij de vaststelling van artikel 3:305a BW uitdrukkelijk aanvaard dat belangenorganisaties voor uiteenlopende belangen kunnen opkomen en de drempels voor het instellen van dergelijke acties bewust heel laag willen leggen. Daarbij benadrukte de wetgever dat dit ook geldt voor algemene, meer ideëel getinte belangen die mensen zich vanuit een bepaalde overtuiging hebben aangetrokken, zoals milieubelangen. Concreet ging het in Urgenda om een algemeen belangactie voor het belang van burgers op een goed leefklimaat. De rechtbank stelde terecht vast dat de vorderingen aldus behoorden tot het soort vorderingen dat de wetgever toelaatbaar heeft geacht en uitdrukkelijk mogelijk heeft willen maken.2
Het gerechtshof en de Hoge Raad hebben dit oordeel onderschreven.3 Na te hebben vastgesteld dat de Staat gehouden is passende maatregelen te nemen om de negatieve gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan, overwoog de Hoge Raad, mede onder verwijzing naar het De Nieuwe Meer-arrest en het SGP-arrest:
‘Urgenda kan als belangenorganisatie die in dit geding op de voet van art. 3:305a BW opkomt voor de belangen van de ingezetenen van Nederland […] een beroep doen op deze verplichting. De hierbij aan de orde zijnde belangen van die ingezetenen zijn immers voldoende gelijksoortig en lenen zich dan ook voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming […] wordt bevorderd. Juist bij milieubelangen zoals de onderhavige is rechtsbescherming door een dergelijke bundeling van belangen bij uitstek efficiënt en effectief.’4
Urgenda is hiermee een schoolvoorbeeld van een algemeen belangactie van het type dat de wetgever met artikel 3:305a BW uitdrukkelijk mogelijk heeft willen maken en illustreert de zeer ruime toegang tot de Nederlandse rechter.5