Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/6.2.2
6.2.2 Ontvankelijkheid
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233713:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2016, p. 270-275, spreken over ‘rechtsmachtverdeling’.
Zie bijv. HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0527, NJ 1992/687, m.nt. Scheltema (Changoe); HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3059, NJ 2000/87, m.nt. Bloembergen (Groningen/Raatgever).
Zie bijv. Schlössels, Schutgens en Zijlstra 2019, p. 145-146; Schutgens 2009a, p. 23-33. Omgekeerd geldt het beginsel van formele rechtskracht: is van de bestuursrechtelijke rechtsgang geen gebruik gemaakt, dan dient de burgerlijke rechter in beginsel van de rechtsgeldigheid en rechtmatigheid van het besluit uit te gaan. Zie HR 24 januari 1984, ECLI:NL:1984:AG4771, AB 1984/399, m.nt. Van Eijden (Sint Oedenrode/Driessen); HR 16 mei 1986, ECLI:NL:1986:AC9347, AB 1986/573, m.nt. Van der Burg (Heesch/Van de Akker).
Zie kritisch hierover bijv. Schutgens 2017. Zie voor een kritische bespreking van het beginsel van formele rechtskracht bijv. Polak 2019 (meer in algemene zin) en Sanders 2019; Sanders 2018, p. 95-133 (in relatie tot bestuursrechtelijke handhaving en invordering).
Zie bijv. Schutgens 2019, p. 203.
Na te hebben vastgesteld dat hij bevoegd is van het voorliggende geschil kennis te nemen, dient de burgerlijke rechter na te gaan of eiser ontvankelijk is in zijn vorderingen. Daarvoor zal aan diverse voorwaarden moeten worden voldaan. Sterker nog: het burgerlijk procesrecht kent een breed scala aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. De meeste daarvan bieden geen ruimte voor een political question-doctrine. Een belangrijk voorbeeld daarvan zijn de formele voorwaarden waaraan een dagvaarding moet voldoen en de door een procespartij in acht te nemen termijnen. Dergelijke voorwaarden zijn niet bedoeld om bepaalde geschillen principieel aan rechterlijk toezicht te onttrekken, maar gelden voor ieder geschil, ongeacht de politieke gevoeligheid daarvan, en dienen mede de rechtszekerheid en het belang van finaliteit.
Hetzelfde geldt voor de ontvankelijkheidsregels die zien op de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter.1 Zoals eerder in dit hoofdstuk opgemerkt, heeft de wetgever in de vorige eeuw een uitgebreid stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming gecreëerd. Daardoor is het mogelijk om tegen besluiten van de overheid bij de bestuursrechter op te komen. Indachtig de hiervoor geschetste ruime bevoegdheid van de burgerlijke rechter zou dat echter kunnen leiden tot competentiegeschillen. De Hoge Raad heeft daarom in zijn rechtspraak uitgemaakt dat de burgerlijke rechter in beginsel terugtreedt ten gunste van de bestuursrechter, wanneer het betrokken besluit aan de bestuursrechter zou kunnen worden voorgelegd.2 Start een rechtzoekende toch een procedure bij de burgerlijke rechter, dan is hij in beginsel niet-ontvankelijk.3 De Hoge Raad legt deze regel ruim uit bij vorderin-gen gericht tegen algemeen verbindende voorschriften die als zodanig van beroep bij de bestuursrechter zijn uitgesloten: een rechtzoekende zal moeten wachten op een concretiserend besluit van een bestuursorgaan alvorens de relevante achterliggende voorschriften via exceptieve toetsing ter discussie te kunnen stellen.4 Ook hier geldt echter dat deze ontvankelijkheidsregel niet is bedoeld om politiek gevoelige geschillen buiten de deur van de rechter te houden, maar is ontwikkeld om een efficiënte en doelmatige taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter te bevorderen. Sommige auteurs spreken in dit verband treffend over het tegengaan van ‘forumshopping’.5
De voor dit onderzoek meest relevante ontvankelijkheidsvoorwaarde is de voorwaarde dat eiser voldoende belang moet hebben bij zijn vordering. Deze voorwaarde is vergelijkbaar met standing in het Amerikaanse recht. In het vervolg van deze paragraaf richt ik mij daarom op deze voorwaarde, mede in relatie tot zogenoemde ‘algemeen belangacties’.
6.2.2.1 Het vereiste van voldoende belang en algemeen belangacties6.2.2.2 Vergelijking met een political question-doctrine6.2.2.3 Discussie en kritiek