Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/3.2.1
3.2.1 (Rechts)persoonlijkheidsbegrip
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713170:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook de klassieke rechtspersoonlijkheidstheorieën zoals de fictieleer en de orgaanleer geven blijk van ‘individu-gericht denken’, aldus: Loth 1988, p. 234-235.
Asser/Scholten Rechtspersoon 1940, p. 65-66.
Asser/Scholten Rechtspersoon 1940, p. 66.
Asser/Scholten Rechtspersoon 1940, p. 68. Zie ook: Böhtlingk 1954, p. 7, nr. 8. Loth ziet de fictieleer als voorbeeld van het wegdefiniëren van de rechtspersoon: Loth 1988, p. 238.
Meijers 1948, p. 171, 191-192. Meijers spreekt over de rechtspersoon als ‘realiteit’. Zie over de realiteitsleer ook nader: Loth 1988, p. 237.
Vgl. Asser/Scholten I Personenrecht 1929, p. 557. Loth spreekt over ‘theoretisch reductionisme’ en noemt de orgaanleer als voorbeeld waar de rechtspersoon wordt gemodelleerd naar voorbeeld van de mens: Loth 1988, p. 238.
Meijers 1948, p. 183; Loth 1988, p. 30, 266; Hoekzema 2000, p. 170. Anders: Böhtlingk 1954, p. 7, nr. 8, die als kern van persoonlijkheid ziet: het vermogen om daden te stellen.
Vgl. Asser/Scholten Rechtspersoon 1940, p. 68: “In het positieve recht is de mensch subject van privaatrecht, heeft hij bevoegdheid. Als zoodanig houdt de stelling een aanwijzing in van de plaats van den mensch in het systeem van het recht, wordt uitdrukking gegeven aan een rechtscategorie.”
Loth 1988, p. 264 e.v.
Loth 1988, p. 264-265. Vgl. Sieburgh, ERPL 2016, p. 648. Vgl. Loth 2016.
Loth 1988, p. 265.
Loth (1988, p. 247) noemt dit ‘conglomeraat’.
Loth 1988, p. 265-266.
Voor privaatrechtelijke rechtspersonen is dit expliciet opgenomen in art. 2:3 BW. Voor natuurlijke personen blijkt dit impliciet uit de rechten en plichten die voortvloeien uit de wet. Overigens is volgens Kroeze steeds meer sprake van een ‘pragmatische benadering van de toekenning van rechtspersoonlijkheid’: Kroeze, RM Themis 2022/1, p. 1-3.
Hoekzema 2000, p. 170.
Meijers 1948, p. 183, 191-192. Zie ook: Van Vught 2019, p. 248.
De eerste notie is de persoonlijkheid. Dit begrip associeert men al snel met het ‘zijn van mens’. De Van Dale geeft als eerste definitie van ‘persoon’ niet voor niets ‘individu, mens’. Ook bij een zuiver taalkundige lezing van het juridische begrip ‘persoonlijkheid’ komt de individuele mens als eerste in gedachten.1 Zoals Scholten in 1940 in zijn bewerking van de Asser schreef: “In beginsel alleen mensen zijn personen.”2 Persoonlijkheid staat volgens hem gelijk aan het hebben van een “geestelijk, lichamelijk wezen – dat denkt en gevoelt, handelt en oordeelt, dat wetenschap heeft en een geweten.”3 Deze definitie zorgt voor problemen indien de aangesproken partij geen mens is, maar een rechtspersoon. Rechtspersonen ontberen immers een fysiek lichaam en geestelijke capaciteiten. Door vast te houden aan het fysieke persoonsbegrip, wordt de rechtspersoon genegeerd.4 Het fysieke persoonsbegrip moet onder het huidige recht worden verworpen. Een rechtspersoon kan producten op de markt brengen, contracten sluiten en mededelingen doen.5 Het is een misvatting om de rechtspersoon te modelleren naar voorbeeld van de mens.6 In het (juridisch) persoonsbegrip liggen dus niet (ook) de fysieke en geestelijke eigenschappen van de mens besloten. Persoonlijkheid is in juridische zin alleen ‘het kunnen zijn van rechtssubject’.7
Het voorgaande betekent dat ‘persoon’ een juridisch begrip is en dat het losstaat van de fysieke en taalkundige invulling. Persoon is degene die door het recht wordt ‘aangewezen’8 als drager van rechten en plichten. Loth noemt dit ‘aanwijzingsproces’: ‘personificatie’.9 Hieronder verstaat hij het getrapte proces van abstrahering, waarbij afgestapt wordt van de persoonlijke kenmerken van de actor. Personificatie treedt volgens hem op bij zowel natuurlijke personen als bij rechtspersonen. De eerste ‘trede’ van dit proces behelst de abstrahering van de individuele mens van vlees en bloed tot een gemiddelde mens, oftewel een maatmens.10 De tweede ‘trede’ is de personificatie van deze gemiddelde mens tot (juridisch) ‘natuurlijk persoon’. Volgens Loth wordt deze stap nooit expliciet gezet, omdat de noties ‘gemiddelde mens’ en ‘natuurlijk persoon’ samenvallen.11 De personificatie van rechtspersonen geschiedt op vergelijkbare wijze. Ik citeer Loth, die spreekt over ‘collectiviteiten’. Hieronder verstaat hij een groep personen met een eigen identiteit en zelfredzaamheid, zoals een rechtspersoon.12
“De personificatie van collectiviteiten kan, evenals die van de mens, worden gezien als een proces van abstractie. De abstractie gaat hier echter veel verder en is daardoor tegelijkertijd beter zichtbaar maar moeilijker te begrijpen. Collectiviteiten, corporaties en organisaties zijn hier te beschouwen als prejuridische eenheden of conglomeraten. De erkenning als persoon in het recht is weliswaar constitutief voor de (rechts)persoonlijkheid, maar niet voor de collectiviteit als zodanig. Het recht sluit hier aan bij een maatschappelijke realiteit, en transformeert deze in een juridische realiteit.”13
De erkenning als persoon in het recht, dat hier ook wel personificatieproces wordt genoemd, vindt zijn grondslag in de wet.14 Uiteindelijk is de rechtssubjectiviteit doorslaggevend voor het daderschap.15 Hoewel het personificatieproces vergelijkbaar is bij de verschillende rechtssubjecten, is het resultaat van dit proces evenwel verschillend. Dit verschil is te verklaren door de ‘persoon’ te zien als een vat vol belangen. Zoals Meijers in 1948 terecht opmerkte, heeft een mens andere belangen dan een rechtspersoon.16 Sommige belangen van de rechtspersoon vallen niet (geheel) samen met de belangen van de individuen binnen de onderneming. De persoon van het individu en de persoon van de rechtspersoon zijn theoretisch te onderscheiden.