Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/3.2.3
3.2.3 Daderschapsbegrip
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713226:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Böhtlingk omschrijft deze opvatting, maar hangt deze niet zelf aan: Böhtlingk 1954, p. 5, nr. 4. Zie ook: Van 1995, p. 55.
Schut 1963, p. 62.
Schut 1963, p. 47.
Van der Grinten 1957 (2004).
Vgl. Klaassen 1991, p. 224; Verheij 2023/1.4.2.
In oudere literatuur is betoogd dat de grondslag gevonden moet worden in vertegenwoordiging (Asser/Scholten I Personenrecht 1940; Asser/Van der Grinten 2-I 1978, p. 115 e.v.), realiteitsleer (Meijers 1948) of vereenzelvigingsgedachte (Hoekzema 2000). In lijn met andere literatuur (Oldenhuis 2022/72, met verwijzingen) ga ik uit van daderschap als grondslag.
Sieburgh, ERPL 2016, p. 647.
Böhtlingk 1954, p. 7. Böhtlingk schrijft dat er geen aanleiding bestaat om gevallen van daderschap te onderscheiden in werkelijk en fictief daderschap, omdat daderschap een specifiek rechtsbegrip is en in de werkelijkheid van het recht alle daders gelijkelijk reëel zijn.
Deze terminologie wordt ook gehanteerd in: Asser/Sieburgh 6-IV 2019/37a. Zie ook: Sieburgh 2017, p. 495-515.
HR 6 april 1979, ECLI:NL:HR:1979:AH8595, NJ 1980/34, m.nt. C.J.H. Brunner (Kleuterschool Babbel); Hoekzema (2000, p. 183-184) heeft in zijn dissertatie betoogd dat het Babbel-criterium (ook wel ‘vereenzelvigingsleer’ genoemd) verklaard kan worden met het juridisch handelingsbegrip. Zie ook: Westenbroek, Ondernemingsrecht 2016/24, p. 114.
De derde notie is het daderschap. Het daderschapsbegrip hangt nauw samen met het handelingsbegrip. De dader is degene die de handeling verricht of nalaat te verrichten. Aangezien traditioneel werd uitgegaan van een fysiek persoonsbegrip en een fysiek handelingsbegrip, werd de dader omschreven als de ‘fysiek handelende’,1 oftewel ‘een redelijk-zedelijk wezen’.2 Ik citeer Schut:
“Hoewel ook van de gedraging van een dier kan worden gesproken, verdient het aanbeveling om overeenkomstig het algemene spraakgebruik het woord ‘dader’ alleen in verband met de gedraging van een persoon te bezigen.”3
Het toenemend aantal rechtspersonen in de samenleving4 stelde het fysiek daderschapsbegrip ter discussie. De bedrijfsmatige rechtspersoon is immers geen ‘redelijk-zedelijk wezen’ met een eigen wil, dat een handeling kan verrichten. Uitgaande van een fysiek daderschapsbegrip kan een rechtspersoon niet zelf dader zijn van een onrechtmatige daad en daarom niet op grond van art. 6:162 BW aansprakelijk worden gehouden. Art. 6:162 roept immers de schadevergoedingsverplichting voor eigen onrechtmatig handelen in het leven en niet voor het handelen van anderen.5
De oplossing moet gevonden worden in het juridisch daderschapsbegrip.6 De dader is degene die juridisch handelt. Daderschap is, met andere woorden, een normatief begrip.7 Uitgaande van dit juridisch daderschapsbegrip bestaat er geen aanleiding om een onderscheid te maken tussen werkelijk en fictief daderschap.8 De (rechts)persoon die voldoet aan het juridisch daderschapscriterium (oftewel: het juridisch handelingsbegrip) kan aangemerkt worden als dader. De persoon die fysiek, maar niet juridisch, handelt, is de fysiek verrichter of de actor.9
De Hoge Raad heeft in het arrest Kleuterschool Babbel het criterium geformuleerd op basis waarvan geoordeeld kan worden dat een rechtspersoon zelf juridisch handelt: als een gedraging in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als eigen gedraging van de rechtspersoon.10 Dit staat bekend als het ‘Babbel-criterium’. In de volgende paragraaf wordt kort stilgestaan bij de totstandkoming van dit criterium.