De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.4.4.1:4.4.1 Het enquêterecht
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/4.4.4.1
4.4.1 Het enquêterecht
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS391220:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 21 juni 1979, NJ 1980, 71, tevens behorende bij OK 21 juni 1979, NJ 1980, 73 m.nt. Maeijer (Verenigde Lucifersfabrieken). Assink spreekt in dit verband van “sociaal wanbeleid” (Assink 2007, p. 416).
Zie hierover verder De Bie Leuveling Tjeenk 2011.
OK 10 december 1981, NJ 1983, 24 m.nt. Maeijer.
OK 23 juni 1983, NJ 1984, 571 m.nt. Maeijer.
HR 11 juli 1984, NJ 1985, 212 m.nt. Maeijer.
OK 29 augustus 1985, NJ 1986, 578.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Ondernemingskamer heeft zich verschillende malen uitgelaten over de omvang van de verplichting tot informatievoorziening aan werknemersvertegenwoordigers in buitenlandse internationale concerns. In die gevallen ging het om door de vakorganisaties ingestelde enquêteprocedures, waarbij werd samengewerkt met de ondernemingsraad. De zaak Batco is daarin een standaarduitspraak.1 In deze enquêteprocedure ging het om een voorgenomen besluit van Batco Nederland, een dochter van het multinationale concern BAT Industries te Londen, tot sluiting van de sigarettenfabriek in Amsterdam. In de eerstefasebeschikking van 5 oktober 1978 had de Ondernemingskamer overwogen dat bij het in te stellen onderzoek niet voorbij kon worden gegaan aan de omstandigheid dat Batco Nederland een volle dochter was van BAT Industries en dat deze vennootschappen een aandelenbelang hadden in Batco Benelux. De onderzoeker stelde vast dat Batco Nederland en Batco Benelux als een organisatorische eenheid moesten worden beschouwd, die bestuurlijk onder leiding stond van één orgaan, de Benelux management board. De beslissingen van die board hadden voor Batco Nederland rechtstreeks gevolgen en konden niet buiten beschouwing blijven.
In de tweedefasebeschikking concludeerde de Ondernemingskamer op basis van het rapport van de onderzoeker dat bedrijfseconomische bezwaren van de vakorganisaties tegen het voornemen de productie in Brussel te concentreren en de fabriek in Amsterdam te sluiten, moesten worden verworpen. Bij de besluitvorming dienden ook de sociale gevolgen daarvan te worden betrokken en met de belangen van alle werknemers in de Benelux moest rekening worden gehouden. De kamer oordeelde dat dit onvoldoende had plaatsgevonden, nu Batco Nederland het overleg met de vakorganisaties en de ondernemingsraad had afgebroken. Dit afbreken werd onjuist bevonden, omdat de toekomst van de fabriek in Amsterdam al jaren regelmatig onderwerp van bespreking was geweest, Batco Nederland door het afleggen van geruststellende verklaringen bij zijn werknemers gerechtvaardigde verwachtingen had gewekt dat de werkgelegenheid in Amsterdam niet verminderd zou worden, en BAT Industries de OECD Guidelines als richtlijn voor zijn beleid had aanvaard, ingevolge waarvan samenspraak met de werknemersvertegenwoordigers diende plaats te vinden.2 Onder die omstandigheden vormde het afbreken van het voorgeschreven overleg met de vakorganisaties en de ondernemingsraad een ernstige verwaarlozing van Batco’s verplichting dit overleg te voeren. Het besluit tot sluiting van de fabriek in Nederland werd vernietigd.
De enquêteprocedure inzake Ford, een wereldwijd automobielconcern, vormde hiervan in zekere zin het spiegelbeeld.3 Hier ging het om een voorgenomen besluit van Ford Nederland, een vennootschap waarvan de aandelen voor 95% in handen waren van Ford Motor Company in Detroit, tot sluiting van de productieafdeling te Amsterdam, waar 1092 personen werkzaam waren. De vakorganisaties stelden zich op het standpunt dat dit besluit redenen opleverde om aan een juist beleid van Ford Nederland te twijfelen, onder meer nu de ondernemingsleiding voorgestelde alternatieven tot herstel van de rentabiliteit van de productieafdeling in Amsterdam had verworpen. De Ondernemingskamer stelde voorop dat het opstellen van prognoses tot de taken van die leiding behoort. De vakorganisaties zouden aannemelijk moeten maken dat Ford Nederland bij het opstellen van zijn prognoses niet verantwoord te werk was gegaan, maar waren daarin niet geslaagd. Evenals in de Batco-zaak had het overleg tussen Ford en de werknemersvertegenwoordigers te wensen overgelaten, maar dat viel mede de vakorganisaties en de ondernemingsraad te verwijten. Daarbij speelde een rol dat deze een tweetal bedrijfsbezettingen hadden gesteund, hetgeen volgens de Ondernemingskamer niet bevorderlijk is geweest voor een open overleg. De stelling van de vakorganisaties dat Ford Nederland onvoldoende informatie had verschaft werd deels verworpen. Ford Nederland had geweigerd de langetermijnplannen voor Europa aan de vakorganisaties en de ondernemingsraad te verstrekken. Zij stelde deze niet te kennen en daarover niet de beschikking te hebben, alsmede dat deze plannen geheime productgegevens bevatten. Ford Nederland had zich bereid verklaard alle concrete vragen te beantwoorden en stelde dat geen concrete vragen waren gesteld waarop geen antwoord was gegeven. Dat dit anders zou zijn was naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet aannemelijk geworden. Ford Nederland had wel onvoldoende duidelijkheid verschaft over de vraag welke strategische beslissing was genomen over de zware vrachtwagens. Aanvankelijk had het bestuur van Ford Nederland gesteld dat deze in een van de Engelse Ford-fabrieken zouden worden gebouwd, maar later stelde het dat Ford besloten had zich op een termijn van enige jaren uit de zware vrachtwagens terug te trekken. Voorts was onduidelijkheid blijven bestaan over de positie van Ford Nederland en over de zeggenschapsverhoudingen binnen het Ford-concern. Ford Nederland had volstaan met de constatering dat het onverbrekelijk deel uitmaakte van het concern en dat dit gegeven van invloed was op zijn besluitvorming. Deze tekortkomingen in de informatievoorziening werden door de Ondernemingskamer van onvoldoende gewicht geacht om tot toewijzing van het enquêteverzoek te komen.
De verklaring voor het verschil in uitkomst tussen Batco en Ford is mijns inziens gelegen in de waardering door de rechter van de houding van de partijen. De beschikkingen zijn daardoor nog steeds actueel. Evenals in het beroepsrecht geeft de rechter in enquête-uitspraken waarin het werknemersbelang bij strategisch beleid centraal staat, een oordeel dat in hoge mate wordt ingekleurd door de redelijkheid. De consequentie daarvan is – enerzijds – dat van de ondernemer een grote overleg- en onderhandelingsbereidheid wordt gevraagd wanneer hij jegens werknemers verwachtingen heeft gewekt of zich niet tijdig heeft uitgelaten over zijn strategische voornemens. In de zaak Batco kwam dit onder meer tot uitdrukking doordat de toekomst van de fabriek al jaren onderwerp was van overleg met de werknemersvertegenwoordigers, zonder dat dit tot een aankondiging van sluiting had geleid, en er bovendien geruststellende verklaringen waren afgelegd over de toekomst van de fabriek.
Anderzijds geldt dat omstandigheden die op het eerste gezicht wellicht voldoende grond voor (een vermoeden van) wanbeleid zouden opleveren, zoals het niet honoreren van gewekte verwachtingen of het onvoldoende verstrekken van informatie, onvoldoende gewicht in de schaal leggen wanneer de houding van werknemersvertegenwoordigers te wensen overlaat. In de zaak Ford werd de vertegenwoordigers aangerekend dat zij het overleg hadden doorkruist door hun steun aan de bedrijfsbezettingen. Daardoor oordeelde de Ondernemingskamer dat het overlegklimaat zodanig was verstoord dat de weigering van Ford Nederland (en – indirect – de concernleiding) om de langetermijnplannen voor Europa te verstrekken werd gesanctioneerd. De ondernemer mocht in dit geval volstaan met een verzoek aan de vakorganisaties om concrete vragen te stellen, terwijl het voor die laatste moeilijk zal zijn geweest deze te formuleren over een langetermijnplan dat zij niet kenden. Ik had mij kunnen voorstellen dat hier wel van Ford verlangd kon worden dat het informatie verschafte over de grondslagen van het Europese langetermijnplan voor zover die implicaties hadden voor de onderneming in Nederland, maar zover wilde de Ondernemingskamer in dit geval niet gaan. De kamer oordeelde wel dat de informatieverstrekking over het strategische besluit inzake de zware vrachtwagens en de zeggenschapsverhoudingen in het concern onvoldoende was, maar dat dit niet tot een vermoeden van wanbeleid leidde. Ik verbind deze oordelen aan de specifieke omstandigheid dat de werknemersvertegenwoordigers steun verleenden aan een van de meest ingrijpende en schadelijke vormen van collectieve actie, de bedrijfsbezetting, die tot tweemaal toe werd georganiseerd. Bij een deugdelijk voortgezet overleg zou het handelen van (de concernleiding van) Ford wel degelijk tot een vermoeden van wanbeleid hebben kunnen leiden, zoals blijkt uit de uitspraak in de zaak Hyster.
In die kwestie verzochten de vakorganisaties tot het houden van een enquête naar het beleid van Hyster Nederland, onderdeel van het in de Verenigde Staten gevestigde concern Hyster Company.4 Het ging om een door de concernleiding genomen en door het bestuur van Hyster Nederland overgenomen besluit tot inkrimping van het personeelsbestand van Hyster Nederland met achtereenvolgens 167 en 68 arbeidsplaatsen, wegens de verplaatsing van de productie van trucks naar Schotland. Doordat de concernleiding aan het bestuur van Hyster Nederland en haar raad van commissarissen onvoldoende informatie had verschaft, waren deze niet aan een zelfstandige beoordeling van het besluit toegekomen. In deze beschikking formuleerde de Ondernemingskamer voor het eerst de leer dat een moedervennootschap aan de dochtervennootschap richtlijnen en aanwijzingen kan geven waaraan die dochter zich door haar afhankelijkheid van de moedervennootschap in het algemeen moeilijk kan onttrekken, doch dat dit de eigen rechten en verplichtingen van de dochter als rechtspersoon naar Nederlands recht onverlet laat. Die verhouding bracht met zich mee dat de moeder gehouden was aan de dochtervennootschap in beginsel al die informatie te (doen) verschaffen die het bestuur van Hyster Nederland redelijkerwijs nodig had voor een behoorlijke vervulling van zijn taak, waaronder het verschaffen van informatie aan de vakorganisaties. Dat betekende niet dat de vakorganisaties de beschikking hadden moeten krijgen over de rapporten inzake het door Hyster Company verrichte onderzoek naar de wereldwijde capaciteit. Wel had Hyster Nederland informatie moeten verschaffen over de grondslagen en de uitkomst van het onderzoek voor zover van belang voor zijn vestiging.
De zojuist genoemde leer van de zelfstandige positie van de Nederlandse rechtspersoon in het buitenlandse internationale concern is door de Ondernemingskamer bevestigd in de zaak Howson-Algraphy.5 In het cassatieberoep tegen die beschikking van de kamer had de ondernemingsraad slechts aangevoerd dat hij er, ondanks een gesloten overeenkomst met de ondernemer, belang bij bleef hebben om te weten wat de Engelse moedermaatschappij nu wel en nu niet mocht doordrukken en of de WOR ook gold voor multinationals als Howson-Algraphy. De Hoge Raad oordeelde dat de ondernemingsraad onvoldoende belang had bij beantwoording van die vraag.
Diezelfde onderneming stond centraal in een enquêteprocedure naar aanleiding van een besluit tot sluiting van het productiebedrijf van de Nederlandse vennootschap Howson-Algraphy Europe te Soest, waarbij 234 werknemers betrokken waren.6 De bezwaren van de vakorganisaties richtten zich tegen het door Howson-Algraphy Europe in de afgelopen ruim tien jaar gevoerde beleid, waarin het Group Strategic Plan 1980-1985 een belangrijke rol speelde. De Ondernemingskamer oordeelde dat de kwaliteit van de informatievoorziening van Howson-Algraphy Europe aan de werknemersvertegenwoordigers te wensen overliet en dat moedervennootschap Howson-Algraphy Ltd. aan Howson-Algraphy Europe zodanige informatie moest verschaffen als die laatste nodig had voor een behoorlijke vervulling van zijn taak, waaronder het tijdig verschaffen van duidelijke informatie aan de vakorganisaties en de ondernemingsraad. Tussen de door Howson-Algraphy Europe verschafte informatie en het Group Strategic Plan bestond een belangrijke discrepantie. In de voorafgaande jaren had Howson-Algraphy Europe, ondanks concrete vragen van de werknemersvertegenwoordigers, onduidelijkheid laten bestaan over de vraag of de productie van offsetplaten te Soest zou worden voortgezet. Uit het Group Strategic Plan bleek dat de concernleiding wel degelijk het voornemen had de productieafdeling in Soest te sluiten. De raad van commissarissen van Howson- Algraphy Europe kende dit strategisch plan, doch had daarvan nooit blijk gegeven. Het zou op zijn weg hebben gelegen om te bevorderen dat tijdig meer duidelijkheid was verschaft. De Ondernemingskamer oordeelde dat dit redenen gaf om aan een juist beleid van Howson-Algraphy Europe te twijfelen. De stelling dat het verzoek van de vakorganisaties voortijdig was gedaan omdat nog niet tot sluiting van het productiebedrijf was besloten werd verworpen, nu de bezwaren van de vakorganisaties zich richtten tegen het gevoerde beleid over de afgelopen tien jaar en niet enkel tegen het besluit tot sluiting.
De zaak Hyster en de laatste beschikking in Howson-Algraphy vormen de basis voor de leer van informatievoorziening in concernverhoudingen. Hierin wordt niet alleen de houding van partijen in het overleg over de strategie meegewogen bij het oordeel over de kwaliteit van het beleid, maar ook de bereidheid van de concernleiding om informatie te verschaffen. Die leer houdt niet in dat de leiding verplicht is inzage te verschaffen in de internationale strategie en er kan niet van haar verlangd worden dat zij het achterliggende strategisch plan aan Nederlandse werknemersvertegenwoordigers beschikbaar stelt. Wel dient zij het bestuur van de dochtervennootschap in staat te stellen aan de Nederlandse medezeggenschapsrechtelijke verplichtingen te voldoen, door het verschaffen van de informatie die daartoe benodigd is. Daartoe hoort in ieder geval het geven van inzicht in de grondslagen en de uitkomsten van strategisch onderzoek voor de Nederlandse onderneming. Wanneer het Nederlandse bestuur of de raad van commissarissen beschikt over kennis van de internationale strategie en voorzien wordt dat die leidt tot belangrijke wijzigingen voor de Nederlandse onderneming, dan dient die kennis tijdig te worden gedeeld en dient daarover – zeker nadat daarnaar concreet is gevraagd – correcte informatie te worden verschaft, op straffe van een rechterlijk oordeel van (een vermoeden van) wanbeleid.
De zaak Howson-Algraphy geeft overigens een goed zicht op het verschil tussen beleid en besluiten. De kwaliteit van het overleg is een thema dat op zichzelf evenzeer in de beroepsprocedure aan de orde kan komen. Het verschil met de enquêteprocedure is dat de vakorganisaties het beleid over een reeks van jaren aan de orde kunnen stellen, zoals ze bij Howson-Algraphy deden: de Ondernemingskamer oordeelde dat zij in hun verzoek ontvankelijk waren omdat het hun ging om een oordeel over het beleid van de afgelopen tien jaar. Zo’n periode komt in het algemeen niet bij de beoordeling van strategische besluiten aan de orde. Tussen beleid en besluiten kan overigens niet altijd een strikte scheiding worden aangebracht. Uit de hiervoor behandelde beschikkingen blijkt dat in de enquêteprocedure ook individuele strategische besluiten centraal kunnen staan. Net zozeer kan in de beroepsprocedure het achterliggende (internationale) strategisch beleid worden meegewogen in het oordeel over een aangevochten besluit.
De zojuist behandelde zaken dateren uit de periode 1980-1985, toen Teulings sprak van een “militante” opstelling van ondernemingsraden. Het aantal uitspraken in geschillen over het beleid van buitenlandse internationale concerns lijkt nadien te zijn teruggevallen. Pas na de eeuwwisseling is hierin – bijvoorbeeld door de hierna te bespreken zaken Corus en Organon – een opleving zichtbaar. Ik zoek de verklaring daarvoor mede in de economische omstandigheden van de betreffende perioden: in tijden van financiële moeilijkheden en reorganisaties lijkt de bereidheid van werknemers groter om van hun rechtsmiddelen gebruik te maken. Dat beeld wordt bevestigd door de jurisprudentie over het gebruik van het beroepsrecht, die ik nu zal behandelen.