Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/1.7.5
1.7.5 Vertrouwensbeginsel, verwachtingen en vertrouwen
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661339:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Van Steenbergen 2013; Goslinga e.a. 2019. Brenninkmeijer 2019, par. 4.4. Zie ook Damen 2018, par. 2.1 over de begrippen vertrouwen en betrouwbaarheid.
Zie de definitie van vertrouwen (contra legem) van Van Leijenhorst in het commentaar bij BNB 2002/45: ‘(…) vertrouwen, wordt daarmee bedoeld het vertrouwen van de contribuabele dat te zijnen aanzien een met de wet strijdige rechtstoepassing zal worden gevolgd (hierna ook: vertrouwen contra legem). Het spreekt vanzelf dat deze rechtstoepassing tevens gunstiger is voor de contribuabele dan strikte toepassing van de wet. Immers, is zij ongunstiger, dan heeft de contribuabele recht op de in dat geval voor hem gunstigere strikte wetstoepassing.’
Op het vertrouwensbeginsel ga ik verderop nader in (paragraaf 4.2). De begrippen verwachtingen en vertrouwen zijn tot nu toe veel gebruikt maar nog niet gedefinieerd. Als ik spreek over door voorlichting gewekte verwachtingen of gewektvertrouwen bedoel ik dat bij de burger op basis van die uiting een bepaald beeld (verwachting) is ontstaan over de manier waarop de Belastingdienst zal handelen. Het begrip vertrouwen is geen exclusief juridisch begrip, integendeel.1 Ik gebruik het begrip hier evenwel in zijn juridische betekenis. Als ik spreek over vertrouwen bedoel ik daarmee het vertrouwen bij de burger dat de Belastingdienst ten opzichte van hem de gewekte verwachtingen over zijn gedragslijn nakomt.2 Daarbij zal het in het kader van een beroep op het vertrouwensbeginsel steeds gaan om vertrouwen dat een gunstigere rechtstoepassing in het vooruitzicht stelt dan uit een strikte toepassing van de wet volgt. In de fiscale literatuur wordt dit doorgaans aangeduid met het begrip contra legem vertrouwen of verwachtingen (paragraaf 4.2.3.3). Daarbij speelt het dwingende karakter van het belastingrecht mee: belastingaanslagen zijn gebonden beschikkingen waarbij de inspecteur geen beleidsvrijheid heeft (paragraaf 2.2.2).
Bij gewekt vertrouwen hoeft het evenwel niet steeds te gaan om verwachtingen die in strijd zijn met de wet of het recht. Zo kan de wet meerdere interpretaties toelaten en kan voorkomen dat in (vertrouwenwekkende) voorlichting de ene interpretatie wordt gehanteerd, terwijl de inspecteur een andere interpretatie toepast. Dan gaan de bij de burger gewekte verwachtingen weliswaar over een voor hem gunstigere wetstoepassing, maar van strijd met de wet is op zich geen sprake. Zo bezien is het begrip contra legem dus een versimpeling van de werkelijkheid. In de context van dit onderzoek zal het bij een beroep op het vertrouwensbeginsel steeds gaan om een situatie waarin de uiting van de Belastingdienst een rechtstoepassing in het vooruitzicht stelt die op de een of andere manier voor de burger gunstiger is dan uit de wet volgt. Niet elke verwachting komt in het recht in aanmerking voor bescherming, het vertrouwen moet wel op goede gronden berusten (paragraaf 4.2.1). Met gerechtvaardigde verwachtingen bedoel ik verwachtingen die juridisch bezien in aanmerking komen voor bescherming, hetgeen in het belastingrecht meebrengt dat die verwachtingen (moeten) worden gehonoreerd (paragraaf 4.2.3.3).