Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.8.1.2
7.8.1.2 Hoofdzakelijkheidscriterium
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633747:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1992/47, r.o. 5.3.
Hoge Raad 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1992/47, r.o. 5.4. en 5.5.
Zie annotatie van Van Leijenhorst bij Hoge Raad 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1992/47.
Hoge Raad 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1992/47, r.o. 5.5. Zie Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 220d Gemw, aant. 5.8.3. met een overzicht van jurisprudentie hierover.
Hof Arnhem 21 september 1979, nr. 72/1978, BNB 1981/55; Kamerstukken II 1990/91, 21591, nr. 10, p. 15.
Hof Arnhem-Leeuwarden 9 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1246, r.o. 4.4. constateert dat partijen het gedifferentieerde gebruik van het onderhavige gebouw hebben berekend op basis van oppervlaktes en is van oordeel dat dit een passende maatstaf is.
Van den Ban 2009, p. 106.
Kruimel in zijn annotatie bij Rechtbank Arnhem 3 juni 2010, BB 2010/1051.
Hoge Raad 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1992/47, r.o. 5.2.-5.5.
Het gaat om de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen: Handelingen II 1991/92, 21591, 24 oktober 1991, p. 15-810.
Hof Arnhem 28 september 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814, r.o. 4.
M. Tydeman-Yousef 2005/6617, par 4.
Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 220d Gemw, aant. 6.8.1.
Hof Den Haag 28 oktober 2015, nr. 14/01399, ECLI:NL:GHDHA:2015:2996, r.o. 6.6.; zie ook Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 220d Gemw, aant. 5.8.3.
Het hoofdzakelijkheidsvereiste heeft volgens de Hoge Raad een kwantitatieve invulling en moet niet opgevat worden als synoniem voor ‘in de eerste plaats bedoeld voor’.1 De kwantitatieve invulling houdt in dat de onroerende zaak voor ten minste 70 procent moet worden gebruikt voor openbare eredienst of openbare bezinningssamenkomsten.2 De vraag rijst aan de hand van welk criterium het 70%-vereiste moet worden toegepast: oppervlakte, inhoud, waarde of gebruiksduur.3 De Hoge Raad heeft de toepassing van het 70%-vereiste op de inhoud van de ruimten in kubieke meters gesanctioneerd en dit wordt veelal in de jurisprudentie gevolgd.4 Dat de inhoudsmaat de voorkeur verdient boven de oppervlaktemaat, is omdat door de grotere aantallen personen in grote ruimten een grotere plafondhoogte noodzakelijk is.5 Soms past de rechter het hoofdzakelijkheidscriterium toe op de oppervlakte.6 Omdat de regelgeving geen dwingende bepaling bevat, staat volgens Van den Ban de vrijebewijsleer toe ook andere reële maatstaven te hanteren, zoals oppervlakte of gebruiksduur.7 Kruimel bepleit gebruiksduur naar rato van de inhoud.8
Volgens de Hoge Raad is de feitelijke en niet de juridische bestemming van belang.9 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze feitelijke bestemming moet worden beoordeeld aan de hand van de feitelijke omstandigheden, zoals de aard, de bouw, het uiterlijk en de inrichting van het gebouw, waarbij het gaat om een zekere duurzaamheid van het nagestreefde gebruik van het gebouw.10 Een object dat naar aard en indeling niet bestemd zou zijn voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten kan door het feitelijke gebruik wel onder de eredienstuitzondering vallen. Zo oordeelde Hof Arnhem dat in een voormalig schoolgebouw gehouden openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard (in de klaslokalen) en openbare erediensten (in de gymnastiekzaal) onder de eredienstuitzondering vielen.11 Zoals ik in 2005 reeds heb opgemerkt, sluit de invulling van het bestemmingsvereiste als feitelijke in plaats van oorspronkelijke bestemming beter aan bij de realiteit.12 Zo worden traditionele kerkgebouwen steeds meer voor andere doeleinden dan de openbare eredienst aangewend en andersom dienen – veelal bij minderheidsreligies – onroerende zaken die naar aard en indeling niet bestemd zouden zijn voor de openbare eredienst wel als zodanig.
Bij gebouwen voor openbare bezinningssamenkomsten kan uit de aard van het gebouw veelal niet de bestemming worden afgeleid. Een doorlopend gebruik van het gebouw ten behoeve van openbare bezinningssamenkomsten rechtvaardigt wel de conclusie dat het daarvoor bestemd is.13 Wordt een onroerende zaak zowel voor openbare eredienst als voor openbare bezinningssamenkomsten gebruikt, dan worden voor de beoordeling of voldaan is aan het hoofdzakelijkheidscriterium beide activiteiten samengevoegd. Dit valt af te leiden uit de wettekst (art. 220d, lid 1, onderdeel c Gmw), waarin openbare erediensten en openbare bezinningssamenkomsten voor de uitzondering naast elkaar worden genoemd zodat de eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten in gelijke mate van de uitzondering kunnen profiteren als die van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor openbare erediensten.14