Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/7.8.1.3
7.8.1.3 Eredienst of bezinningssamenkomst
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633812:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hoge Raad 7 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9982 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1980, 177.
Groenewegen, Makkinga & Van der Burg 2017, par. 3.4.5. en 4.6.2., digitale versie laatst geraadpleegd op 29 november 2021.
Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1901, r.o. 2.2.
Hoge Raad 7 mei 1980, ECLI:NL:HR:1980:AW9982 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), BNB 1980, 177.
Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1901, r.o. 2.1., 2.2. en 2.3.2.
Van Kooten 2017, p. 467, noemt ook kerkelijke crèches als een activiteit die het vereiste nauwe verband met een eredienst heeft.
J.L.W. Broeksteeg 2014, p. 311.
Hof Arnhem 14 juli 2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192, r.o. 4.5.
Kortmann 2012, p. 434; Van Kooten 2017, p. 467.
Groenewegen, Makkinga & Van der Burg 2017, par. 4.6.2., digitale versie laatst geraadpleegd op 29 november 2021. Zie ook Vakstudie Lokale belastingen en milieuheffingen, art. 220d Gemw, aant. 6.7.1.
Rechtbank Rotterdam 25 november 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:8599, r.o. 2.2.
Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:HR:2016:1920.
Hof Den Haag 20 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:547.
Hof Den Haag 20 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:547, r.o. 5.2.
Hof Den Haag 20 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:547, r.o. 5.5.
Rechtbank Rotterdam 16 februari 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:7357, r.o. 3.4. Deze overweging van de rechtbank is ook opgenomen in Hof Den Haag 20 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:547, r.o. 3.
Kamerstukken II, 1992/93, 23 217, nr.3, p. 4, onder de kop ‘de artikelen 222 tot en met 227d’, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, p. 27.
EHRM25 februari 1982, Campbell and Cosans v. Verenigd Koninkrijk, r.o. 36; EHRM 7 juli 2011, Bayatyan v. Armenië, r.o. 110.
Het begrip eredienst moet volgens de Hoge Raad opgevat worden naar het algemeen geldende spraakgebruik.1 Volgens Groenewegen, Makkinga & Van der Burg is een eredienst ‘een gezamenlijke verering van een of meer opperwezens, die met enige liturgie gepaard gaat’.2
Niet alle bijeenkomsten van geloofsgemeenschappen vallen onder dit begrip. Een eredienst in een christelijke context is volgens de Hoge Raad ‘een kerkdienst ter gezamenlijke verering van God’.3 Op grond van de wetsgeschiedenis brengt het karakter van de onroerendzaakbelastingen (objectieve en zakelijke belastingen die gebaseerd zijn op het profijtbeginsel in ruime zin) mee dat de uitzonderingen niet ruim moeten worden uitgelegd.4 Hoewel ‘eredienst’ ruimer kan worden opgevat dan alleen kerkdienst, moeten de activiteiten wel een nauw verband met de eredienst hebben. Zo vallen volgens de Hoge Raad wel onder dit begrip jeugd- en kinderdiensten waarbij wordt getracht aan de jeugd de Bijbelse boodschap door te geven en de christelijke beginselen bij te brengen.5 Daarentegen vormen vergaderingen van de kerkenraad, de kerkvoogdij en van kerkelijke commissies, cantorij, diaconie alsook het catechisatieonderwijs, kerkelijk jeugdwerk en de koorrepetities naar het algemeen geldende spraakgebruik geen eredienst, aldus de Hoge Raad. Naar het oordeel van de Hoge Raad gold er dan ook geen eredienstuitzondering voor een gebouw dat – tijdens de openbare eredienst in het tegenoverliggende kerkgebouw – gebruikt werd als crèche en voor onder meer zondagsschool, jeugdclubs, catechisaties, Bijbelstudiebijeenkomsten en mannenkring.6 Kerkdiensten, jeugd- en kindernevendiensten hebben blijkbaar dus een nauw verband met de eredienst, maar ondersteunende activiteiten als kerkenraadsvergaderingen en kerkelijk jeugd- en vormingswerk niet.7 Broeksteeg noemt verder de caritas als voorbeeld van activiteiten die het vereiste nauwe verband met de eredienst ontberen.8 Hof Arnhem besliste dat doordeweekse bijeenkomsten waarbij godsdienstige verering vooropstaat en die dienen ter bezinning en verdieping op de (zondagse) eredienst ook als eredienst kwalificeren.9 Het is niet altijd op voorhand duidelijk of een bepaalde activiteit kwalificeert als eredienst. Zoals uit hoofdstuk 4 Mensenrechtelijk en constitutioneel perspectief bleek, moet de overheid op grond van het beginsel van de interpretatieve terughoudendheid bij twijfel waar mogelijk ruimte geven aan de subjectieve kwalificatie die het individu of de collectiviteit toekent aan de activiteit.10
Bij de term bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard moet volgens Groenewegen, Makkinga & Van der Burg gedacht worden aan ‘bijeenkomsten ter beleving van en bezinning op de levensovertuiging die ten grondslag ligt aan genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag die geen geloofsgemeenschappen zijn en door die genootschappen zijn georganiseerd’.11 Voorbeelden daarvan zijn de bijeenkomsten van het Humanistisch Verbond en van de Vrijmetselarij. Bij deze bijeenkomsten moet de gezamenlijke beleving van en bezinning op de levensbeschouwing centraal staan. Rechtbank Rotterdam oordeelde dat religieuze activiteiten die niet kwalificeren als een openbare eredienst (zoals Bijbelklassen, tienerclubs, catechisatie, bijeenkomsten van de mannen- en vrouwenvereniging), niet alsnog onder openbare bezinningsbeenkomsten kunnen worden geschaard.12 De Hoge Raad heeft deze uitspraak bekrachtigd.13
De eredienstuitzondering staat in principe ook open voor gebouwen waar spiritualiteit wordt beoefend. Ook daarvoor is doorslaggevend dat er sprake is van een gezamenlijke beleving van en bezinning op de levensbeschouwing (in dit geval een spirituele levensbeschouwing). Zo besliste Hof Den Haag dat de eredienstuitzondering niet van toepassing is op activiteiten met een spiritueel karakter die gericht zijn op persoonlijke groei en bezinning, maar een levensbeschouwing als grondslag ontberen.14 Belanghebbende exploiteerde een spiritueel centrum waar Biodanza, Zen Aikikai, Shiatsu-massage, Tai-chi en spirituele zang plaatsvonden. Het hof oordeelde dat aan die spirituele activiteiten niet een meeromvattende levensovertuiging ten grondslag ligt, zodat er geen sprake kan zijn van een openbare bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard.15 Dat deze activiteiten voor sommige deelnemers daaraan deels een spiritueel karakter hebben, brengt naar het oordeel van het hof nog niet mee dat sprake is van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard in de zin van de eredienstuitzondering. Volgens het hof was dit oordeel geen ongeoorloofde vorm van discriminatie op basis van levensovertuiging, omdat de betreffende activiteiten feitelijk niet gelijk zijn te stellen aan openbare erediensten of openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard.16 De rechtbank had in deze zaak ook laten meewegen dat er geen sprake was van een geestelijk genootschap omdat een formele structuur, een samenstel van principes, regels of tradities met een historische inbedding en herkenbaarheid ontbraken.17 Uit de wetsgeschiedenis18 blijkt immers dat hoewel het woord genootschap in de huidige wettekst (art. 220, lid 1, aanhef en onder c Gemw) ontbreekt, de wetgever bij de eredienstuitzondering voor ogen had dat het moet gaan om kerkelijke genootschappen of geestelijke genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag, aldus de rechtbank.
De redenering van het hof dat aan de spirituele activiteiten een meeromvattende levensovertuiging ten grondslag moet liggen, kan ik volgen. In dit kader kunnen de vier minimumeisen die het EHRM aan een ‘overtuiging’ stelt voor een geslaagd beroep op de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging een belangrijke rol spelen. Volgens de jurisprudentie van het EHRM over de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging verwijzen (religieuze) ‘beliefs’ en ‘convictions’ naar opvattingen met ‘a certain level of cogency, seriousness, cohesion and importance’19 Hof Den Haag heeft echter in de eerder genoemde zaak niet aan deze EHRM-vereisten getoetst maar alleen geoordeeld dat ‘aan de activiteiten die voor (sommige van) de deelnemers (deels) een spiritueel karakter hadden, geen meeromvattende levensovertuiging ten grondslag lag’.
Zoals uit hoofdstuk 2 Begrippen bleek, is spiritualiteit lastig te omlijnen en zijn spirituele initiatieven zelden geformaliseerd. Spiritualiteit is een verzamelnaam voor een breed scala aan interesses waarbij een spirituele krachtbron, een alles doordringende kosmische energie, de persoonlijke innerlijke ervaring, zelfontplooiing, de ontdekking en ontwikkeling van persoonlijke vermogens centraal staan. Hoewel de wettekst geen formele organisatie of structuur eist voor een geslaagd beroep op de eredienstuitzondering, blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de eredienstuitzondering bedoeld heeft voor kerkgenootschappen of geestelijke genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag. Het helpt dus als de belanghebbende voor gebouwen waar spiritualiteit wordt beoefend, een meeromvattende levensbeschouwing aannemelijk kan maken. Dit kan bijvoorbeeld door te verwijzen naar een samenstel van principes, filosofieën en tradities die ten grondslag liggen aan de spirituele activiteiten waardoor deze activiteiten verder gaan dan slechts een individuele zelfontplooiing.