Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/6.2.1
6.2.1 (Contant) dividend
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452943:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad formuleerde het in HR 18 februari 1959, BNB 1959/124 als volgt: 'dat het kenmerk van een als opbrengst van een aandeel in aanmerking komende uitkering in het algemeen is, dat daaraan ten grondslag ligt een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder als gevolg waarvan aan het vermogen van de vennootschap enig geldsbedrag of andere waarde, gedekt door de daarin aanwezige winst, ten gunste van de aandeelhouder wordt onttrokken.' Vgl. tevens HR 24 september 1980, BNB 1980/332.
De rechtspraak heeft laten zien dat vermomde resp. verkapte dividenduitdelingen zich in vele gedaanten kunnen voordoen. Zonder volledig te zijn noem ik onder meer HR 3 april 1985, BNB 1985/168, HR 15 mei 1985, BNB 1985/271, HR 20 januari 1988, BNB 1991/175 (na verwijzing HR 24 april 1991, BNB 1991/183) en HR 11 december 1991, BNB 1992/63 (na verwijzing HR 17 augustus 1994, BNB 1995/1), inzake dividenduitkeringen vermomd als een te hoog salaris, tantième, pensioen of VUT voor de directeur-aandeelhouder; HR 18 maart 1987, BNB 1987/245 en HR 8 juni 1988, BNB 1988/213 inzake een als dividenduitkering in aanmerking te nemen te lage resp. te hoge huurprijs; HR 24 februari 1988, BNB 1988/202 en Hof Amsterdam 30 januari 1998, V-N 1998, blz. 1153 e.v. inzake (deels) als dividenduitkering in aanmerking te nemen afkoopsommen van pensioen; HR 25 juni 1986, BNB 1986/225 inzake een als vermomd dividend te beschouwen borgtochtvergoeding; HR 14 april 1993, BNB 1993/238, HR 9 augustus 1996, BNB 1996/333, HR 19 februari 1997, BNB 1997/124 en HR 8 juni 1997, BNB 1997/295 inzake koop-/verkooptrans-acties met betrekking tot activa, in het bijzonder onroerende zaken, tussen aandeelhouder en vennootschap; HR 9 september 1992, BNB 1992/339 en HR 11 februari 1998, BNB 1998/98 inzake de als geldlening vermomde uitdelingen van winst; HR 5 februari 1997, BNB 1997/217 inzake een mogelijk te lage rentevoet op een aan een aandeelhouder verstrekte geldlening.
Vgl. onder meer HR 1 november 1989, BNB 1990/63-64, HR 9 december 1992, BNB 1993/68 (OAMF), HR 12 januari 1994, BNB 1994/182 en HR 30 november 1994, BNB 1995/32.
Voor een uitgebreidere behandeling van het begrip 'dividend' verwijs ik naar J.C.K.W. Bartel, Inkomstenbelastingaspecten van de opbrengst van (beurs)aandelen, Fiscale monografie nr. 29, 3e druk, blz. 33 e.v., Kluwer, Deventer, 1999; H.J. Hofstra/L.G.M. Stevens, Inkomstenbelasting, Fiscale hand- en studieboeken nr. 2, blz. 491 e.v., 5e druk. Kluwer, Deventer, 1998; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.3.3.C.e, Gouda Quint, Deventer.
Wel rijst dan de vraag wanneer nog sprake is van meegekocht dividend en wanneer niet meer. Jn de sfeer van de deelnemingsvrijstelling van art. 13 Wet Vpb. is op dit terrein inmiddels de nodige jurisprudentie gewezen. Ik wijs onder meer op HR 27 april 1960, BNB 1960/223, HR 25 januari 1961, BNB 1961/101, HR 10 oktober 1973, BNB 1974/1, HR 24 september 1975, BNB 1976/184 en HR 5 december 1984, BNB 1986/351.
In dezelfde zin H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.5.B, Gouda Quint, Deventer. Zie tevens T.A. Gladpootjes, Het nieuwe aanmerkelijkbelangregime. Fiscaal Actueel, Kluwer, Deventer, tweede druk, 1997, blz. 31 die terecht opmerkt dat de toekomstige aanmerkelijkbelangwinst in zoverre lager is, zodat zijns inziens geen sprake is van overkill.
In art. 20b Wet IB is de belastingheffing ter zake van het contante dividend dat aan de aanmerkelijkbelanghouder ter beschikking wordt gesteld, niet genoemd. De belastingheffing ter zake van 'normale' (contante) dividenduitkeringen moet derhalve worden gebaseerd op het algemene art. 20a, eerste lid, onderdeel a, Wet IB. Dit was overigens ook het geval in het tot 1 januari 1997 geldende aandelenregime. Onder dit regime diende de belastingheffing ter zake van dividenduitkeringen eveneens te worden gebaseerd op het algemene art. 24 Wet IB. Het begrip 'dividend' is verder ongewijzigd gebleven, zodat hieronder niet alleen het contante dividend doch tevens de materiële dividenden, de zgn. vermomde resp. verkapte winstuitdelingen, moet worden verstaan. 12 Tevens vallen hieronder de op grond van het leerstuk van de winstanticipatie belaste dividenden die nog niet door in de vennootschap aanwezige winst worden gedekt, doch binnen afzienbare tijd wel.3 In dit opzicht heeft het nieuwe regime geen wijziging ten opzichte van het oude regime gebracht. Essentieel is dat er een vermogensverschuiving plaatsvindt van de vennootschap naar de aandeelhouder en beide personen zich van deze vermogensverschuiving bewust zijn.4
De vraag kan worden gesteld of, gelet op de karakterwijziging van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling in meer subjectieve richting, belastingheffing over (alle) dividenduitkeringen onverkort had moeten worden gehandhaafd. In dit systeem vindt belastingheffing immers ook plaats als het (contante) dividend wordt uitgekeerd, terwijl de aanmerkelijkbelangaandelen kort tevoren door de aandeelhouder zijn verworven. De uitreiking van het dividend kan dan veel meer worden gezien als een (gedeeltelijke) teruggaaf van de door de aandeelhouder verrichte investering dan als een (subjectieve) verrijking van de aandeelhouder. En in het nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime is juist de subjectieve verrijking van de aanmerkelijkbelanghouder meer maatgevend voor de belastingheffing. Desalniettemin worden dividenduitkeringen onverkort in de belastingheffing betrokken, ongeacht of sprake is van een subjectieve verrijking van de aandeelhouder of niet. Mijns inziens had beter het systeem zoals dat geldt in de winstsfeer, kunnen worden geïntroduceerd in het nieuwe aanmerkelijkbelangregime, in welk systeem een dergelijke kort na de verwerving van de aanmerkelijkbelangaandelen plaatsvindende dividenduitkering wordt aangemerkt als een zgn. meegekocht dividend. Het meegekochte dividend wordt dan als een (gedeeltelijke) teruggaaf van de verkrijgingsprijs beschouwd en blijft aldus onbelast. Wel dient dit gepaard te gaan met een vermindering van de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen met een gelijk bedrag.5 Het onverkort belasten van (alle) dividenduitkeringen, d.w.z. tevens de zgn. meegekochte dividenden, is nog een rudiment uit het objectieve systeem waarin elke vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder als een dividenduitkering wordt gezien.6