Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/6.2.4
6.2.4 Teruggaven gestort kapitaal
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS452941:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor de inhoud van het begrip 'hetgeen op aandelen is gestort' uitgebreider hoofdstuk 3, onderdeel 3.2.1.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 52.
In zoverre heeft het Besluit van 22 februari 1995. nr. DB94/796M, V-N 1995, blz. 1025, in welk besluit de staatssecretaris van Financiën het informele kapitaal voor art. 25, eerste lid, onderdeel e, Wet IB, art. 29, eerste en tweede lid, Wet IB, art. 31, derde en vierde lid, Wet IB, art. 39, vierde lid, laatste volzin, (oud) Wet IB en art. 44 Wet IB uitdrukkelijk wordt gerekend tot het op aandelen gestorte kapitaal, ook onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling zijn belang behouden. Voor de volledigheid merk ik op dat dit Besluit door HR 30 oktober 1996, BNB 1996/411 is achterhaald voorzover het de toepassing van art. 44 Wet IB betreft.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 52.
Blijkens HR 23 december 1981, BNB 1982/73 is art. 44 Wet IB eveneens van toepassing, indien de aandelenruil 'over de kas' loopt. Uit HR 30 oktober 1996, BNB 1996/411 blijkt dat art. 44 Wet IB niet van toepassing is op een informele kapitaalinbreng, aangezien alsdan geen sprake is van een (formele) storting van aandelen op aandelen, zoals de letterlijke tekst van art. 44 Wet IB eist.
In beginsel geldt dit op dezelfde wijze in de bron 'winst uit onderneming', doch art. 44 Wet IB is ook in deze (winst)sfeer - mijns inziens ten onrechte overigens - van toepassing.
In deze zin tevens de staatssecretaris van Financiën in zijn Besluit van 29 september 1997, nr. DB97/2742M, V-N 1997, blz. 4101 e.v. (vraag B.l).
Zie tevens mijn: 49 vragen en antwoorden over het aanmerkelijk belang. Fiscaal Actueel, blz 19-21, Kluwer, Deventer, 1998. Vgl. voorts onder meer R.P.C.W.M. Brandsma, 'Besmet' kapitaal. Fiscale monografie nr. 82, blz. 44 e.v., Kluwer, Deventer, 1997; dezelfde, De reikwijdte van art. 44 Wet IB 1964 voor de aanmerkelijkbelanghouder na de herziening van het aanmerkelijkbelangregime, WFR 1997/6236, blz. 347 e.v.; R.P.C. Cornelisse/AJ. Van Soelen, Wetsontwerp herziening aanmerkelijkbelangregime, consumptieve rente en vermogensbelasting (VIII), blz. 2815-2816, FED 1996/791; J.E.A.M. van Dijck in zijn noot onder HR 30 oktober 1996, BNB 1996/411; H.G.M. Dijstelbloem, De NV, januari 1997, blz. 30 in zijn bespreking van HR 30 oktober 1996, BNB 1996/411; T.A. Gladpootjes, Het wetsvoorstel aanmerkelijk belang tot wet verheven, WFR 1997/6228, blz. 45-46. H. Marseille/R.J. de Vries daarentegen menen dat de toepassing van art. 44 Wet IB in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling in strijd komt met doel en strekking ervan, H. Marseille/R.J. de Vries, De werking van art. 44 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en het nieuwe aanmerkelijkbelangregime, blz. 3148-3151, FED 1996/878.
De teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort wordt in beginsel aangemerkt als een regulier voordeel, voorzover deze niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen en tevoren de algemene vergadering van aandeelhouders tot deze teruggaaf heeft besloten en de nominale waarde van de desbetreffende aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Deze bepaling is ontleend aan het voor niet-aanmerkelijkbelanghouders nog steeds geldende art. 29, tweede lid, Wet IB met dit verschil dat de toevoeging 'indien en voor zover er zuivere winst is' is vervangen door 'voor zover deze niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs van de desbetreffende aandelen'. In dit laatste ziet men het meer subjectieve karakter van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling terug. In art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB ligt aldus besloten dat tot het bedrag van de (subjectieve) verkrijgingsprijs onbelast op de aandelen kan worden terugbetaald, mits het gestorte kapitaal daartoe toereikend is en aan de formele vereisten - algemene vergadering van aandeelhouders en statutenwijziging - is voldaan. Art. 20c, dertiende lid, Wet IB bepaalt vervolgens dat voor zover een teruggaaf van gestort kapitaal niet als regulier voordeel in aanmerking is genomen, de verkrijgingsprijs van de aandelen met dit bedrag wordt verminderd (zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.3).
Gelet op het feit dat art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB spreekt over 'hetgeen op aandelen is gestort' en in zoverre het objectieve regime van vóór 1 januari 1997 aldus is gehandhaafd (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.5.1), dient dit begrip mijns inziens in lijn met het oude regime in objectieve zin te worden uitgelegd.1 Hiervoor gaf ik in onderdeel 6.2.2 reeds aan dat dit naar mijn mening op dezelfde wijze geldt met betrekking het begrip 'storting' in de regeling van art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB met betrekking tot de uitreiking van agio- en winstbonusaandelen. Dit betekent dat ook kapitaal onbelast kan worden teruggegeven aan een aanmerkelijkbelanghouder, als dit kapitaal niet door hem doch door (een) collega-aandeelhouder(s) is gestort; uiteraard mits aan de overige (formele) vereisten is voldaan en zijn subjectieve verkrijgingsprijs dit toelaat. Dat het begrip 'hetgeen op aandelen is gestort' onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling dezelfde inhoud heeft als onder het oude aandelenregime, kan mijns inziens tevens worden afgeleid uit de memorie van toelichting, waarin wordt opgemerkt dat de bepaling van art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB in grote lijnen overeenkomt met art. 29, tweede lid, Wet IB.2 Hieruit kan naar mijn oordeel worden afgeleid dat het begrip 'hetgeen op aandelen is gestort' dan ook in dezelfde zin als in art. 29, tweede lid, Wet IB moet worden uitgelegd. Aanwijzingen voor een afwijkende, meer subjectieve uitleg van het begrip 'hetgeen op aandelen is gestort' zijn in de parlementaire behandeling niet voorhanden, zodat hier mijns inziens vooralsnog niet vanuit moet worden gegaan.3
Hoewel in art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB het aan het objectieve regime ontleende zinsdeel 'indien en voor zover er zuivere winst is' is vervangen door het meer subjectieve 'voor zover deze niet meer bedraagt dan de verkrijgingsprijs', is de koppeling met het (objectieve) gestorte kapitaal (nog) niet volledig losgelaten. Er wordt in art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB immers gesproken over de teruggaaf van 'hetgeen op aandelen is gestort'. Dit betekent dat voor een onbelaste teruggaaf van hetgeen op aandelen is gestort in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling twee limieten gelden:
de omvang van het (objectieve) gestorte kapitaal van de vennootschap, én
de omvang van de (subjectieve) verkrijgingsprijs van de vennootschap. Tot het bedrag van de laagste van beide limieten kan onbelast op de aandelen worden terugbetaald. Niet duidelijk is echter waarom de omvang van het gestorte kapitaal nog bepalend zou moeten zijn voor een onbelaste teruggaaf. In een subjectief regime zou enkel de hoogte van de (subjectieve) verkrijgingsprijs voldoende moeten zijn. Ook in de memorie van toelichting wordt erkend dat sprake is van een voordeel als de aanmerkelijkbelanghouder een groter bedrag als teruggaaf van gestort kapitaal ontvangt dan zijn verkrijgingsprijs bedraagt. Het voordeel dat een aanmerkelijkbelanghouder behaalt, wordt immers bepaald door zijn 'investering', zijnde zijn (subjectieve) verkrijgingsprijs, en alle opbrengsten die daaruit voortvloeien; voor de aanmerkelijkbelanghouder is het gestorte kapitaal in beginsel geen relevante grootheid meer. Een aanmerkelijkbelanghouder die aandelen heeft verworven tegen een prijs die ligt beneden het op die aandelen gestorte kapitaal, zal volgens de memorie van toelichting dan ook een belast voordeel genieten indien op een later tijdstip het gestorte kapitaal wordt terugbetaald; zijn voordeel is hetgeen hij meer ontvangt dan zijn verkrijgingsprijs. De tweede volzin van art. 20b, eerste lid, onderdeel c, Wet IB bepaalt daarom dat voor de toepassing van dat onderdeel ten hoogste een bedrag gelijk aan de verkrijgingsprijs belastingvrij kan worden teruggegeven.4 Wordt aldus door de staatssecretaris van Financiën erkend dat de aanmerkelijkbelanghouder een voordeel ontvangt als hij meer dan zijn (subjectieve) verkrijgingsprijs - van de vennootschap dan wel van een onafhankelijke derde - ontvangt, de omgekeerde conclusie wordt niet getrokken. Omgekeerd immers ontvangt de aanmerkelijkbelanghouder geen voordeel als hij minder dan zijn (subjectieve) verkrijgingsprijs ontvangt. Desalniettemin is dan toch sprake van een belast (regulier) voordeel.
Het feit dat het gestorte kapitaal mede de onbelaste teruggaafruimte bepaalt, komt met name tot uitdrukking in de eventuele toepasbaarheid van art. 44 Wet IB in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling. Art. 44 Wet IB waakt tegen verlies van de inkomstenuitvermogenclaim in geval van een storting op aandelen in een vennootschap bestaande in aandelen in een andere vennootschap, een zgn. aandelenruil.5 In de sfeer van de objectieve bron 'inkomsten uit vermogen' is art. 44 Wet IB een volstrekt logische bepaling, aangezien anders de inkomstenuitvermogenclaim door middel van een aandelenruil op eenvoudige wijze zou kunnen worden ontlopen. Dit gold ook voor de tot 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregeling, aangezien tot deze datum de aanmerkelijkbelangheffing als een voorschotheffing op de bron 'inkomsten uit vermogen' moest worden gekarakteriseerd (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.4), onder meer tot uitdrukking komend in art. 39, vierde lid, laatste volzin, (oud) Wet IB. Ingevolge deze laatste bepaling werd de overdrachts- en verkrijgingsprijs ten minste gesteld op het gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal, bij de vaststelling waarvan art. 44 Wet IB niet kon worden gemist. In het nieuwe sedert 1 januari 1997 geldende aanmerkelijkbelangregime kan art. 44 Wet IB echter wel worden gemist, aangezien het voor een sluitende aanmerkelijkbelangheffing niet langer noodzakelijk is om een deel van het gestorte kapitaal als fiscaal niet erkend aan te merken. Voor zover de teruggaaf van gestort kapitaal immers niet wordt aangemerkt als een regulier voordeel, d.w.z. onbelast blijft, wordt de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen verminderd (art. 20c, achtste lid, Wet IB, zie hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.3).6 Zoals in hoofdstuk 4, onderdeel 4.5.1 is aangegeven, is het nieuwe aanmerkelijkbelangregime echter niet op deze zuiver subjectieve leest geschoeid, maar bevat het nog steeds rudimenten van het vroegere objectieve regime. Gelet op dit feit neem ik aan dat art. 44 Wet IB in de gesubjectiveerde nieuwe aanmerkelijkbelangregeling nog steeds een rol speelt. Ook wetssystematisch kan mijns inziens niet aan de toepassing van art. 44 Wet IB in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling worden ontkomen, nu art. 44 Wet IB is geplaatst in afdeling 5 van de Wet IB dat het opschrift 'Bijzondere bepalingen' draagt en in beginsel voor de gehele Wet IB geldt.7 Dit betekent dat door de werking van art. 44 Wet IB de maximale teruggaafruimte niet kan worden verhoogd door middel van een aandelenruil. Zou art. 44 Wet IB immers niet van toepassing zijn in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling, dan zou de teruggaafruimte bij gebrek aan voldoende gestort kapitaal - in situaties waarin de verkrijgingsprijs hoger is dan het gestorte kapitaal - door middel van een aandelenruil eenvoudig kunnen worden verhoogd, zodat uiteindelijk enkel de subjectieve verkrijgingsprijs relevant zou zijn voor de maximale teruggaafruimte, hetgeen, zoals uit het bovenstaande blijkt, nu juist niet de bedoeling was van de fiscale wetgever. Gegeven het feit dat in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling - weliswaar ten onrechte - het (objectieve) gestorte kapitaal op sommige plaatsen nog steeds relevant is (gebleven), kan art. 44 Wet IB hierbij niet worden gemist.8