Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/6.2.2
6.2.2 Agio- en winstbonusaandelen
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS454158:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
In de tekst van art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB wordt gesproken van het uitreiken van aandelen aan aandeelhouders, waarmee blijkens de memorie van toelichting is bedoeld aan te geven dat de aandeelhouders als zodanig het voordeel moeten genieten en niet in een andere hoedanigheid zoals bijvoorbeeld die van werknemer of schuldeiser. In dergelijke situaties is de regeling van art. 20b, eerste lid, onderdeel a. Wet IB niet van toepassing en wordt de waarde in het economische verkeer van de verkregen aandelen in aanmerking genomen, Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 52.
HR 28 oktober 1970, BNB 1971/22 en HR 16 januari 1974, BNB 1974/44. N. Nobel acht belastingheffing over de werkelijke waarde niet terecht, aangezien aldus een hoger bedrag in de belastingheffing wordt betrokken, dan is overgeboekt van de winstreserves, N. Nobel, Winstbewijzen, Fiscale monografie nr. 52, blz. 52 e.v., Kluwer, Deventer, 1962. In deze zin tevens J.E.A.M. van Dijck, Bijzondere tarieven in de Wet op de inkomstenbelasting. Fed fiscale brochures, 2e druk, blz. 59-60, Fed, Deventer, 1997 en P.H.M. Flipsen, Herkapitalisatie, Fed fiscale brochures, blz. 42, Fed, Deventer, 1992.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 63.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 52.
Nota naar aanleiding van het verslag Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 7, blz. 63.
Overigens gaat hiermee in tegenstelling tot het tot 1 januari 1997 geldende oude aanmerkelijkbelangregime geen aanmerkelijkbelangclaim verloren, aangezien ingevolge art. 20c, achtste lid. Wet IB de verkrijgingsprijs in geval van agiobonusaandelen nihil bedraagt en door de werking van art. 20c, derde lid, tweede volzin. Wet IB met ingang van I januari 1997 wordt uitgegaan van een gemiddelde verkrijgingsprijs. Zie uitgebreider hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.1.
Hierdoor heeft HR 22 juli 1997, BNB 1997/369 ook onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling zijn belang behouden. Voor een bespreking van dit arrest verwijs ik naar hoofdstuk 3, onderdeel 3.3.1. Hoewel onder de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling van definitief afstel van belastingheffing geen sprake meer is (zie hoofdstuk 4, onderdeel 4.5 alsmede R.E.C.M. Niessen in zijn noot in BNB 1997/369), geeft H.G.M. Dijstelbloem mijns inziens overtuigend weer dat het onbelaste terugbetalingspotentieel bij een verkrijgingsprijs voor het aanmerkelijk belang die hoger is dan het fiscaal gestorte kapitaal van de vennootschap, door middel van een dergelijke agio-emissie gevolgd door de uitgifte van agiobonusaandelen op een geforceerde wijze kan worden vergroot, H.G.M. Dijstelbloem, HR 22 juli 1997, De NV, oktober 1997, blz. 293-294. Zie voorts T. Blokland, Agio bij het aanmerkelijk belang, MBB december 1997, blz. 393 e.v.
Overigens gingen ook onder het tot 1 januari 1997 geldende objectieve regime reeds stemmen op om uitreiking van winstbonusaandelen buiten de belastingheffing te laten. Ook in vergelijking met het buitenland is het hier te lande toegepaste systeem, een uitzondering. Vgl. Rapport Commissie Hofstra van 25 juni 1971, Staatsuitgeverij, 1971 (minderheidsstandpunt); Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap nrs. 65, 76 en 78; IFA Cahiers de droit fiscal international. Vol. LIC, 1966; Ch.P.A. Geppaart, Bonus onbelast?. WFR 1985/5666, blz. 49 e.v.; dezelfde. De belastbaarheid van de bonus in discussie, in: 'fiscale aspecten van ondernemingen' (Meelesbundel), 1985, blz. 63 e.v. Zie ook P.J.J.M. van der Tempel-Kloosterman, De winstbonus: belast of onbelast?, WFR 1985/5680, blz. 534 e.v. De door deze schrijvers gehanteerde argumenten hebben onder het gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime aan overtuigingskracht gewonnen.
Vgl. tevens H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus Belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.2A.5.C, Gouda Quint, Deventer, die een vergelijkbaar systeem voorstaan.
Ook de Raad van State heeft in zijn advies aandacht gevraagd voor de onmiddellijke belastingheffing over winstbonusaandelen, doch de staatssecretaris van Financiën meende dat deze benadering niet tot een extra heffing leidde, doch - ten opzichte van het regime van winst uit onderneming - tot een vervroeging van de heffing, Nader rapport Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 17-18.
Evenals dat hierboven het geval was met betrekking tot (contante) dividenduitkeringen, is ook met betrekking tot de agio- en winstbonusaandelen het oude tot 1 januari 1997 geldende systeem van art. 29, eerste lid, Wet IB gehandhaafd. Dit betekent dat de nominale waarde van aan aandeelhouders uitgereikte aandelen, voor zover niet blijkt dat storting heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden, wordt aangemerkt als een regulier voordeel en derhalve belast is als winst uit aanmerkelijk belang; bijschrijving op aandelen, waaraan een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders ten grondslag ligt, wordt met uitreiking van aandelen gelijkgesteld.1 Met betrekking tot de vervreemdingsvoordelen van aanmerkelijkbelangaandelen bepaalt art. 20c, achtste lid, Wet IB vervolgens dat als de tegenprestatie (bij verkrijging) wordt aangemerkt het bedrag dat op de voet van art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB als regulier voordeel is aangemerkt, t.w. voor agiobonusaandelen nihil en voor winstbonusaandelen de nominale waarde (zie uitgebreider hoofdstuk 8, onderdeel 8.4.1.1).
Het systeem van uitgifte van winstbonusaandelen aan winstbewijshouders is ongewijzigd gebleven. Evenals dat vóór 1 januari 1997 het geval was, wordt bij uitgifte van winstbonusaandelen aan winstbewijshouders niet de nominale waarde van de winstbonusaandelen in de belastingheffing betrokken, doch de werkelijke waarde ervan.2 Art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB is niet van toepassing. Op een suggestie dienaangaande van de leden van de PvdA-fractie gaf de staatssecretaris van Financiën in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer als zijn oordeel te kennen dat een wijziging van deze bepaling, waarbij de nominale waarde van aan houders van winstbewijzen uitgereikte aandelen als dividend wordt aangemerkt, niet eenvoudig is, omdat daarbij een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen niet-tijdelijke en tijdelijke winstbewijzen. Uitwerking daarvan zou de wettekst naar het oordeel van de staatssecretaris van Financiën in vergaande mate compliceren, hetgeen ongewenst en zijns inziens onnodig was.3
Gelet op het gewijzigde, meer subjectieve karakter van de nieuwe aanmerkelijk belangregeling, rijst de vraag of het begrip 'storting', zoals dat in art. 20b, eerste lid, onderdeel a. Wet IB wordt gebruikt, nog steeds op de gebruikelijke wijze in objectieve zin moet worden uitgelegd dan wel hieraan een meer subjectieve betekenis moet worden toegekend. Is dit laatste het geval, dan zou het niet langer mogelijk zijn om onbelast agiobonusaandelen uit te reiken aan aanmerkelijkbelanghouders ten laste van gestort kapitaal (agioreserve) dat door andere aandeelhouders is bijeengebracht. De aanmerkelijkbelanghouders aan wie de agiobonusaandelen worden uitgereikt, hebben immers niet zelf het kapitaal ten laste waarvan de agiobonusaandelen worden uitgereikt, gestort. In de parlementaire behandeling is op deze mogelijk in meer subjectieve richting gaande uitleg van het begrip 'storting' in het geheel niet ingegaan. In de memorie van toelichting is de regeling van art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB verdedigd door eenvoudig te verwijzen naar het bekende art. 29, eerste lid, Wet IB.4 In ander verband is in de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer opgemerkt dat het naar de mening van de staatssecretaris van Financiën gewenst is dat het voorgestelde art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB overeenstemt met art. 29, eerste lid, Wet IB. 5 Aangezien in deze laatste bepaling niet in geschil is dat het begrip 'storting' in objectieve zin moet worden uitgelegd - voldoende is dat blijkt dat storting heeft plaatsgevonden ongeacht door wie deze storting is verricht - neem ik aan dat het begrip 'storting' in art. 20b, eerste lid, onderdeel a, Wet IB ook en nog steeds in objectieve zin moet worden uitgelegd. Dit betekent dat ook na 1 januari 1997 een onbelaste uitreiking van agiobonusaandelen aan (andere) aanmerkelijkbelanghouders dan degenen die het kapitaal hebben gestort, mijns inziens nog steeds tot de mogelijkheden behoort.6
Uit het voorgaande volgt dat onder het nieuwe aanmerkelijkbelangregime, evenals dat tot 1 januari 1997 het geval was, agiobonusaandelen onbelast kunnen worden uitgegeven en winstbonusaandelen op het moment van uitgifte worden belast voor de nominale waarde, voor welk bedrag immers een overboeking plaatsvindt van de winstreserves naar het gestorte kapitaal.7 De vraag is echter of handhaving van dit tot 1 januari 1997 geldende systeem wel zo voor de hand had gelegen. De bepaling van art. 29, eerste lid, Wet IB kon (en kan) worden verdedigd met een beroep op het tot 1 januari 1997 geldende (en voor niet-aanmerkelijkbelanghouders nog steeds geldende) objectieve systeem. Aangezien met betrekking tot agiobonusaandelen een overboeking plaatsvindt van de ene categorie gestort kapitaal (agioreserve) naar de andere categorie gestort kapitaal (aandelenkapitaal), was in het tot 1 januari 1997 geldende objectieve fiscale regime verdedigbaar om dergelijke verschuivingen binnen het compartiment 'gestort kapitaal' buiten de belastingheffing te laten. Evenzo kon in het tot 1 januari 1997 geldende objectieve regime van belastingheffing met betrekking tot de inkomsten uit aandelen worden verdedigd dat de winstbonusaandelen bij uitreiking ervan werden belast voor de nominale waarde, aangezien voor dit bedrag een overboeking plaatsvindt van de (belaste) winstreserves naar het (onbelaste) gestorte kapitaal. Hoewel handhaving van een dergelijke regeling de kracht van de status quo heeft, is onder het nieuwe gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime, waarin het objectieve gestorte kapitaal min of meer is losgelaten, een dergelijke regeling mijns inziens minder evident.8 Onder het nieuwe regime wordt de aanmerkelijkbelanghouder immers belast voor zijn subjectieve verrijking, d.w.z. voor hetgeen hij uiteindelijk meer als opbrengst van zijn aanmerkelijkbelangaandelen ontvangt dan hij ervoor heeft opgeofferd. De uitreiking van bonusaandelen - of dit nu agiobonusaandelen betreft of winstbonusaandelen is irrelevant - leidt echter (nog) niet tot een subjectieve verrijking van de aanmerkelijkbelanghouder, maar enkel tot een verdeling van zijn aandeelhoudersrechten over meer stuks aandelen; van een verrijking van de aanmerkelijkbelanghouder is geen sprake. In het gesubjectiveerde aanmerkelijkbelangregime past het dan om de uitreiking van winstbonusaandelen -evenals de uitreiking van agiobonusaandelen - onbelast te laten, uiteraard zonder een dienovereenkomstige verhoging van de verkrijgingsprijs van de aanmerkelijkbelangaandelen. Door de uitgifte van de winstbonusaandelen vermindert dan de gemiddelde verkrijgingsprijs per aandeel, zodat uiteindelijk bij vervreemding van (een deel van de) aanmerkelijkbelangaandelen belastingheffing plaatsvindt ter zake van de uitgereikte winstbonusaandelen.9 Het effect is nu dat met betrekking tot de uitgereikte winstbonusaandelen de belastingheffing wordt vervroegd.10