Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/4.6.6.3
4.6.6.3 Praktische uitwerking
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS296740:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Ik doel in het bijzonder op een ‘gebrek’ in een zaak als bedoeld in art. 6:173/174 en de ‘eigen energie’ van een dier als bedoeld in art. 6:179, alsmede dat de schade dáárdoor is ontstaan. Zie voor art. 6:174 (en indirect ook art. 6:173) HR 30 november 2012, NJ 2012/689 (Paalrot) en voor art. 1404 OBW/ 6:179 HR 23 februari 1990, NJ 1990/365 (Zengerle/Blezer). Vgl. ook art. 6:188 met betrekking tot de productenaansprakelijkheid uit afd. 6.3.3 BW.
Illustratief is Hof Den Haag 28 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3304 (Botsing met kat).
Zie par. 4.6.2. Zie wel par. 6.7 en 7.8.5, waarin wordt betoogd dat niet uitgesloten kan worden dat ter toepassing van art. 6:181 in grensgevallen betekenis kan toekomen aan het feit op wie de aansprakelijkheid ex art. 6:173, 174 en 179 rust wanneer art. 6:181 niet zou worden toegepast. Is dit een particulier dan zou dat voor een ruime uitleg van c.q. ‘afronding’ richting toepasselijkheid van art. 6:181 kunnen pleiten; betreft dit een professional, dan is een ruime uitleg van toepasselijkheid van art. 6:181 minder dringend.
Voor aansprakelijkheid van de op voet van art. 6:173, 174 en 179 aangesproken bezitter is zodoende in beginsel vereist dat de benadeelde stelt en – bij betwisting – bewijst i) dat aan de materiële toepassingsvoorwaarden van art. 6:173, 174 of 179 ter vestiging van aansprakelijkheid is voldaan,1 ii) dat ten tijde van de schade veroorzaking geen sprake was van bedrijfsmatig gebruik van de zaak in de zin van art. 6:181, en iii) dat de aangesprokene op dat moment de in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde bezitter van die zaak was. De aangesproken bezitter kan in beginsel ermee volstaan de toepasselijkheid van deze cumulatieve voorwaarden voor zijn aansprakelijkheid te betwisten. Is daarvan sprake, dan betreft dit een bestrijdend – en niet een bevrijdend – verweer. De benadeelde die de in art. 6:173, 174 en 179 bedoelde bezitter aansprakelijk acht, draagt derhalve mede de bewijslast van het feit dat art. 6:181 in de gegeven omstandigheden niet toepasselijk is (en de ‘vangnet- functie’ van de bezitter opgeld doet).
Hierbij sluit aan dat in de uit het systeem van art. 6:181 jo. 173, 174 en 179 te destilleren materiële rechtsregel de aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker niet als ‘uitzondering’ heeft te gelden, maar in relatie tot de bezittersaansprakelijkheid de ‘primaire’ aansprakelijkheid betreft. Het is de aansprakelijkheid van de bezitter die in feite als ‘uitzondering’ fungeert, die van de bedrijfsmatige gebruiker als ‘hoofdregel’. Wanneer de benadeelde in afwijking van deze hoofdregel de in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde bezitter aansprakelijk acht, is het de benadeelde – en niet de bezitter – die zich op de ‘uitzondering’ beroept en daarvan dan ook de bewijslast draagt.
In het zojuist gegeven voorbeeld van een plotseling op een provinciale weg overstekend paard geldt gezien dit vorenstaande dus niet dat de benadeelde – in het spoor van art. 1404 OBW – ermee kan volstaan in eerste instantie ‘eenvoudigweg’ de bezitter aan te spreken, waarna het zonodig aan deze laatste is te bewijzen dat een ander ten tijde van de schadeveroorzaking het paard bedrijfsmatig gebruikte. Ik wijs ook op de Loretta-zaak waarin door (de ouders van) de gelaedeerde Marloes de pijlen werden gericht op Van de Water als bezitter van het dier, niet (tevens) op het manegebedrijf waar het paard ter belering was ondergebracht. De aangesproken bezitter verweerde zich met de stelling dat ingevolge art. 6:181 niet hij maar de manege de kwalitatief aansprakelijke was. Het was bij die stand van zaken mijns inziens aan de benadeelde te bewijzen dat art. 6:181 niet voor toepassing in aanmerking kwam. Hierin slaagde Marloes overigens niet, met een afwijzing van de door haar op voet van art. 6:179 tegen de bezitter ingestelde vordering tot gevolg.
Verweert de aangesproken bezitter zich niet door te verwijzen naar een ander als bedrijfsmatige gebruiker ex art. 6:181 maar met de stelling ten tijde van de schadeveroorzaking geen bezitter van de zaak te zijn geweest, dan betreft dit eveneens een bestrijdend verweer. Het gaat immers eveneens om een betwisting van feiten die benodigd zijn voor de benadeelde om aan zijn vordering ten grondslag te leggen. Ingevolge art. 150 Rv is het dan aan de benadeelde te bewijzen dat de aangesprokene op het moment van de schadeveroorzaking weldegelijk de in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde bezitter was.2
Acht de benadeelde, zoals in de hiervoor besproken Dika-zaak, niet de bezitter maar een ander als bedrijfsmatige gebruiker van een in art. 6:173, 174 of 179 bedoelde zaak op voet van art. 6:181 aansprakelijk, dan geldt het volgende. Verweert de op voet van art. 6:181 aangesprokene zich met de stelling ten tijde van de schadeveroorzaking geen bedrijfsmatige gebruiker van de betreffende zaak te zijn geweest, dan betreft dit een bestrijdend verweer. Het verweer ziet immers op feiten en omstandigheden betreffende de rechtsgrond (art. 6:181) waarop de benadeelde zich jegens de verweerder baseert. De benadeelde draagt ingevolge art. 150 Rv de bewijslast dat met betrekking tot de aangesprokene (wél) aan het in art. 6:181 omschreven feitencomplex is voldaan. Hier kan ook nog erop gewezen worden dat art. 6:181 ten opzichte van de bezittersaansprakelijkheden uit art. 6173, 174 en 179 in mijn ogen is vormgegeven als ‘hoofdregel’ en niet als ‘uitzondering’. De bewijslast betreffende de toepassing van een ‘hoofdregel’ rust zoals gezegd gebruikelijkerwijs in beginsel op de eiser. De door de rechtbank in de zojuist aangehaalde Dika-zaak (par. 4.6.6.1) aan de benadeelde gegeven bewijsopdracht met betrekking tot het (beweerde) bedrijfsmatige gebruik door manege Caprice acht ik derhalve juist.
Verweert de ex art. 6:181 aangesprokene zich niet door te bestrijden ten tijde van de schadeveroorzaking bedrijfsmatige gebruiker van de zaak te zijn geweest maar door te verwijzen naar een ander als bezitter in de zin van art. 6:173, 174 of 179, dan geldt dat dit geen steekhoudend verweer betreft. Voor de toepassing van art. 6:181 doet namelijk niet terzake wie de ‘achterliggende’ bezitter is, zo is inmiddels ook uitgemaakt in het Loretta-arrest. Bij een vordering tegen een in art. 6:181 bedoelde (vermeende) bedrijfsmatige gebruiker kan de vraag naar – en eventuele discussie over – het bezit derhalve in het midden worden gelaten.3