Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/13.2.2:13.2.2 Andere situaties waarin de overheid aanspraak maakt op schadevergoeding
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/13.2.2
13.2.2 Andere situaties waarin de overheid aanspraak maakt op schadevergoeding
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS585133:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie overigens HR 30 januari 2004,NJ 2004/197 (H./Ontvanger) waarin de Hoge Raad in een specifiek geval oordeelde dat de weg van art. 6:162 BW niet door de Invorderingswet 1990 wordt geblokkeerd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
527. Ook buiten de situatie van verhaal door een overheidsinstantie van de voor de uitvoering van een publieke taak gemaakte kosten, kan een aanspraak op schadevergoeding van de overheid een publiekrechtelijke regeling of het publiekrecht onaanvaardbaar doorkruisen.
In bijvoorbeeld Staat/Lenger en Deloitte & Touche1 had een belastingplichtige een onjuiste, te lage, belastingopgave gedaan. De Staat leed renteverlies omdat hierdoor aanvankelijk te weinig belasting werd betaald. Dat verlies probeerde de Staat op grond van onrechtmatige daad op de belastingplichtige te verhalen. De Hoge Raad oordeelde dat ontoelaatbaar; hij beoordeelde als onjuist de opvatting: “dat de belastingplichtige die in het kader van de belastingheffing aan de belastingdienst onjuiste opgaven doet (…) jegens de Staat uit onrechtmatige daad aansprakelijk is, indien deze onjuistheid – in de bewoordingen van het huidige art. 6:162 lid 3 BW – is te wijten aan zijn schuld of aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.” (rov. 3.3)2 De Hoge Raad motiveerde dit oordeel op de grond dat de Invorderingswet 1990 niet de mogelijkheid bood om het renteverlies op de belastingplichtige te verhalen en het fiscale legaliteitsbeginsel, zoals dat uit art. 104 Gw voortvloeit, eraan in de weg staat dat de Staat op grond van onrechtmatige daad vergoeding hiervan kan vorderen.
De Hoge Raad heeft het doorkruisingskader zoals gehanteerd in Windmill en in Vlissingen/Rize Denizcilik, niet uitdrukkelijk van toepassing verklaard in deze situaties waarin een overheidsinstantie andersoortige schade wil verhalen. Niettemin toetst hij, begrijpelijkerwijs, ook in deze situaties of sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht.
In Staat/Lenger en Deloitte & Touche zien we, evenals bij de situaties van kostenverhaal, dat een aanspraak op schadevergoeding niet zozeer de regeling waaraan het overheidsorgaan uitvoerig heeft gegeven zelf doorkruist, maar wel in strijd komt met publiekrechtelijke noties die met die regeling samenhangen. In deze zaak is dat het fiscale legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in art. 104 Gw. Dit legaliteitsbeginsel is geen onderdeel van de publiekrechtelijke regeling, zoals neergelegd in de Invorderingswet 1990, waaraan de overheidsinstantie haar publieke taak ontleent, maar hangt daar wel nauw mee samen.
Een nog duidelijker voorbeeld van dit verschijnsel dat uiteindelijk andere noties van publiekrecht beslissend kunnen zijn, biedt de zaak Intertrust/Ontvanger.3
In deze zaak werd Intertrust als bestuurder van een vennootschap op grond van onrechtmatige daad door de Ontvanger aangesproken vanwege het frustreren van het verhaal van een belastingschuld van die vennootschap. De belastingaanslag aan deze vennootschap had inmiddels formele rechtskracht gekregen maar was, naar Intertrust stelde, te hoog. Tussen het aan Intertrust verweten frustreren van de betaling door de belastingplichtige vennootschap en het door de Ontvanger mislopen van het door de vennootschap verschuldigde bedrag werd in feitelijke instanties causaal verband aanwezig geoordeeld. Ter zake van de toerekening in de zin van art. 6:98 BW van deze schade aan de handelwijze van de bestuurder oordeelde de Hoge Raad echter: “Uit de aard van de aansprakelijkheid vloeit voort dat de Ontvanger van [de bestuurder] als werkelijk nadeel niet méér kan vorderen dan het naar objectieve maatstaven te berekenen bedrag van de materiële belastingschuld.” (rov. 3.5.1) De Hoge Raad motiveerde dit toerekeningsoordeel als volgt. Het open stelsel van de Invorderingswet 1990 sloot niet uit dat de Ontvanger derden, die hij niet op grond van deze wet kon aanspreken voor een niet door een belastingplichtige voldane schuld, op grond van onrechtmatig daad zou aanspreken. Aan de derden die de Ontvanger op grond van de Invorderingswet 1990 wel zou kunnen aanspreken, verschafte deze wet een zekere rechtsbescherming in die zin dat in de bestuursrechtelijke procedure tegen het invorderingsbesluit ook de onderliggende aanslag ter discussie gesteld kon worden. Die regel is volgens de Hoge Raad ook in overeenstemming met de rechtspraak die de formele rechtskracht van een besluit in haar werking beperkt tot de belanghebbenden voor wie een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang heeft opengestaan. Naar het oordeel van de Hoge Raad zou het “niet passen in het wettelijk stelsel” om in die gevallen waarin het verhaal op een derde niet plaatsvindt op grond van de Invorderingswet 1990 maar op grond van onrechtmatige daad, niet de mogelijkheid te laten bestaan de aanslag aan de vennootschap ter discussie te stellen.
In Intertrust/Ontvanger was aldus geen sprake van een directe doorkruising van de Invorderingswet 1990 indien de Ontvanger tegenover de bestuurder aanspraak zou hebben op vergoeding van misgelopen inkomsten van de omvang van de formeel vaststaande belastingschuld van de belastingplichtige. Wel is duidelijk dat een dergelijke aanspraak in strijd zou komen met aan die regeling ten grondslag liggende en overigens in het publiekrecht bestaande rechtsovertuigingen over een behoorlijke bejegening van de burger door een overheidsinstantie. Ook hier gaat het dus veeleer om de doorkruising van het publiekrecht door een aanspraak op schadevergoeding.