Antichresis en pandgebruik
Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.2.3:2.2.3 De ontwikkeling van het recht van pandgebruik in het Justiniaanse Romeinse recht en het Byzantijnse recht
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/2.2.3
2.2.3 De ontwikkeling van het recht van pandgebruik in het Justiniaanse Romeinse recht en het Byzantijnse recht
Documentgegevens:
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264486:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nov. 120,6,2 (Justinianus); Papadatou 2008, p. 212; Bobbink & Mauer 2019, p. 365.
Patlagean 1977, p. 354, 266 en 353-354; Bobbink & Mauer 2019, p. 382. Vgl. Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15.
Nov. 32 (Justinianus); Papadatou 2008, p. 215-216; Bobbink & Mauer 2019, p. 366 en 381-382.
Papadatou 2008, p. 216-219.
Nov. 134,7 (Justinianus); Papadatou 2008, p. 214-215; Bobbink & Mauer 2019, p. 362.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht van pandgebruik bleef gehandhaafd in de Justiniaanse codificaties. Het recht van pandgebruik naar Justiniaans Romeins recht staat centraal in dit hoofdstuk. Hier zij vermeld dat het recht van pandgebruik ook na het moment van invoering van de Digesten en Codex Justinianus onderwerp bleef van wetgeving. Zo vaardigde Justinianus zelf een Novelle uit over de uitoefening van het recht van zelfstandige antichrese op vermogensbestanddelen van een kerkgenootschap, in het bijzonder de Hagia Sophia in Constantinopel (het hedendaagse Istanbul).1 Uit latere documenten blijkt dat de toepassing van het recht van pandgebruik vaak leidde tot uitbuiting van kleine landeigenaren.2 Schuldeisers verlangden een recht van pandgebruik met rentefunctie op stukken grond, tot zekerheid van kleine leningen. Vervolgens verjoegen zij de schuldenaren van hun (verpande) grond, en gebruikten de grond voor hun eigen voordeel. De wetgever probeerde dit misbruik aan banden te leggen door een limiet te stellen op de gebruiksopbrengst die de pandgebruiker onder zich mocht houden. Waar het ging om een recht van pandgebruik op landbouwgrond, mocht de pandgebruiker de helft van de oogst behouden die hij over een periode van zeven jaar had gerealiseerd. De andere helft diende ten goede te komen aan de landeigenaar.3 Later werd de vestiging van het recht van pandgebruik met rentefunctie op landbouwgrond zelfs geheel verboden.4 Een ander voorbeeld van uitbuiting van economische partijen door middel van het recht van pandgebruik, is dat schuldeisers een recht van pandgebruik bedongen op de kinderen van hun schuldenaren. Justinianus verbood deze praktijk in 556. Op de overtreding van dit verbod stonden lijfstraffen.5 De Byzantijnse ontwikkeling van het recht van pandgebruik laat dus zien dat ook na Justinianus het recht van pandgebruik in gebruik was, maar dat misbruik door uitbuiting van weinig kapitaalkrachtige schuldenaren op de loer lag.