Aandeelhoudersverantwoordelijkheid
Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/9.9:9.9 Samenvatting en conclusie
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/9.9
9.9 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS297719:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Waar in hoofdstuk 7 werd uiteengezet welke mogelijkheden een individuele belanghebbende heeft om te ageren tegen gedrag van de individuele aandeelhouder, richt dit hoofdstuk zich op de mogelijkheden die voor diezelfde belanghebbende openstaan tegenover de algemene vergadering van aandeelhouders. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen (i) het nietig verklaren van een besluit, (ii) het vernietigen van een besluit, (iii) het schorsen van een besluit, (iv) het voorkomen van besluitvorming, (v) het passeren of verleggen van besluitvorming en (vi) de aansprakelijkheid van de vennootschap.
De algemene vergadering van aandeelhouders moet het vennootschappelijk belang behartigen en heeft daarmee niet dezelfde vrijheid als de individuele aandeelhouder. Dit betekent dat het noodzakelijk is dat de individuele belanghebbende over de instrumenten beschikt om af te dwingen dat de algemene vergadering van aandeelhouders zich richt op het vennootschappelijk belang. De individuele aandeelhouder heeft immers in beginsel deze plicht niet, als gevolg waarvan instrumenten die gericht zijn tegen de individuele aandeelhouder niet altijd het gewenste effect zullen hebben. Bepaalde omstandigheden kunnen wel verandering brengen in dit uitgangspunt, hetgeen in hoofdstuk 10 aan de orde zal komen.
Bij de uiteenzetting van de bovengenoemde zes instrumenten/correctiemogelijkheden is een aantal constateringen gedaan. Allereerst blijkt dat de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW een interessante doch verwarrende rol speelt in het kader van de aantasting van besluiten. Er is voor gekozen om een besluit dat in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW niet als nietig, maar vernietigbaar te kwalificeren. Dit ondanks het feit dat het daarmee een besluit is dat in strijd is met een wettelijke bepaling die niet ziet, althans niet hoeft te zien, op het regelen van de totstandkoming van besluiten. Omdat misbruik van bevoegdheid inhoudelijk dezelfde norm kent en een besluit in strijd met die wettelijke bepaling wel een nietig besluit tot gevolg heeft, is een besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid niet vernietigbaar, maar reeds nietig op grond van artikel 2:14 juncto 3:13 BW. Bovendien heeft het in hoofdstuk 6 gemaakte onderscheid tussen de positieve en beperkende norm geen invloed, omdat de vernietiging/nietigheid van besluiten enkel betrekking heeft op de beperkende norm.
Niet alleen de relatie van artikel 2:15 lid 1 sub b BW tot misbruik van bevoegdheid en artikel 2:14 BW is verwarrend, maar ook het feit dat de bevoegdheid om een beroep te doen op artikel 2:15 lid 1 sub b BW is beperkt tot de institutioneel betrokkenen, terwijl artikel 2:15 lid 3 onder a BW uitgaat van ‘iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen’. Dit leidt sommigen ertoe te verdedigen dat een belanghebbende die niet behoort tot de kring van betrokkenen, wel een redelijk belang kan hebben bij de naleving van artikel 2:8 BW, terwijl deze bepaling geen verplichtingen jegens die belanghebbende creëert. Op basis van het belang bij de naleving van deze bepaling, zou de belanghebbende dan toch een beroep kunnen doen op vernietiging wanneer een besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW. Hoewel dit tot op zekere hoogte een praktische oplossing biedt voor de verwarring, is het mijns inziens dogmatisch onjuist en in strijd met de wet.
Een tweede interessante constatering is dat het voor de individuele belanghebbende mogelijk is om de rechter te verzoeken zijn vonnis (en de beslissing daarin) in de plaats te laten komen van een besluit, waarmee het een zelfstandige grondslag voor de (door de belanghebbende gewenste) rechtshandeling vormt. Dit creëert voor de belanghebbende de mogelijkheid om niet slechts een ongewenst besluit aan te tasten of te voorkomen, maar ook de gewenste rechtshandeling, te bewerkstelligen. Vergelijkbare oplossingen kunnen worden gevonden in de onmiddellijke voorzieningen van de Ondernemingskamer, waarbij in het bijzonder kan worden gewezen op de mogelijkheid om wettelijke of statutaire bepalingen die betrekking hebben op de totstandkoming van een besluit buiten werking te stellen of het verleggen van de bevoegdheid om een bepaald besluit te nemen naar een ander orgaan.
Dit betekent dat er afdoende mogelijkheden zijn voor een individuele belanghebbende om de algemene vergadering van aandeelhouders te omzeilen met als doel de gewenste rechtshandeling te bewerkstelligen. Daarmee is het ook maar de vraag in hoeverre het wenselijk is voor de belanghebbende om zich te richten op de individuele aandeelhouders, als hij zich ook direct kan richten op het orgaan (en dus de vennootschap) zelf. Het laatstgenoemde zal in de regel eenvoudiger zijn, maar het proportionaliteitsvereiste kan daar vervolgens wel weer aan in de weg staan. Het ligt daarmee voor de hand om veiligheidshalve zowel de individuele aandeelhouder als de vennootschap in rechte te betrekken en de primaire vorderingen te richten op de algemene vergadering van aandeelhouders en de subsidiaire vorderingen op de individuele aandeelhouder.
Dan is er nog de correctiemogelijkheid van aansprakelijkheidstelling. De algemene vergadering van aandeelhouders kan niet als zodanig aansprakelijk worden gehouden; het is de vennootschap die aansprakelijk moet worden gehouden wanneer de inhoud van een besluit daartoe aanleiding geeft. De algemene vergadering van aandeelhouders is een orgaan van de vennootschap en haar besluiten zijn rechtshandelingen van de vennootschap. Wanneer de vennootschap aansprakelijk kan worden gehouden vanwege een besluit dat is genomen door de algemene vergadering van aandeelhouders, rijst de vraag of ook de individuele aandeelhouders die verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van het besluit aansprakelijk kunnen worden gehouden. Dit is, zo concludeer ik, in beginsel mogelijk, maar zal niet in alle gevallen aan de orde zijn.
Hoewel belanghebbenden dus zes correctiemogelijkheden hebben tegen de algemene vergadering van aandeelhouders, bestaat de mogelijkheid hier nog een aantal versterkingen in aan te brengen. Allereerst creëert een bredere reikwijdte van de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW de mogelijkheid voor belanghebbenden, die niet tot de kring van institutioneel betrokkenen behoren, om ook, evenals de institutioneel betrokkenen, in een procedure te vorderen dat de algemene vergadering van aandeelhouders op grond van de positieve norm van artikel 2:8 lid 1 BW een bepaald besluit moet nemen. Daarnaast zou het scheppen van de mogelijkheid om besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders aan te tasten in arbitrage een verbreding en flexibilisering van de (procedurele) mogelijkheden om besluiten aan te tasten betekenen.